Tema con variazioni

De wijsgeer Harry Mulisch

De schrijver Harry Mulisch laat ik even buiten beschouwing.
Die is namelijk zo slecht nog niet.
De vraag is veeleer: hoe serieus moet de filosoof Harry Mulisch worden genomen?

Zijn collega W.F. Hermans had hierover een ondubbelzinnige mening. Hij beschouwde de filosoof Mulisch als een clown. «Wie schrijft er nu een boek van duizend pagina’s over filosofie, als hij er geen bal verstand van heeft?»
Dat boek was natuurlijk Mulisch’ De compositie van de wereld, het wijsgerig standaard werk dat enige tijd na verschijning (1980) een cultstatus had, totdat ook de recensenten moesten toegeven dat zij er eigenlijk niets van hadden begrepen.
«Ik heb tegen Harry gezegd: Harry, er zijn boeken die zelfs voor mij te moeilijk zijn», aldus Hermans. Hij woonde enige tijd in Parijs, daarna korte tijd in Brussel, van waaruit hij met enige regelmaat naar Amsterdam spoorde. Dus passeerde hij het station Haarlem. Op dat moment ging Hermans, ongeacht de samenstelling van zijn coupé, even op de achterpoten staan teneinde de plechtige woorden te spreken: «Haarlem… geboorteplaats van Harry Mulisch.»
Er zijn duizend argumenten om Mulisch, althans de denker Mulisch, uit te roepen tot de obscurantist der Lage Landen en de Coperni cus van de Leidsekade. Niettemin is het lezen respectievelijk het herlezen van het oeuvre, verslavend, zo merkte ik dit weekeinde. Hij durft in elk geval iets. Geen mens die een goed woord over heeft voor een versteende relikwie als het Cubaanse communisme, behalve Harry Mulisch, want Fidel Castro scoorde vierentwintig keer tijdens een basketbalwedstrijd, terwijl de zon scheen, hetgeen het marxisme-leninisme heel wat aanvaardbaarder maakte dan de geperverteerde Poolse variant waar geen mens enthousiast over was omdat het daar, aan de oevers van de Wisla, immers altijd regent. Een proeve van hegeliaanse dialectiek is het niet. Geestig, prikkelend, uitdagend, provocerend is het wél. Bovendien zit er in het door Mulisch beweerde een kern van waarheid. Natuurlijk is het Oost-Europese communisme bezweken aan zijn innerlijke tegen stellingen en de westerse, door de CIA opgestookte, woelmuizerijen. Maar bovenal lag het aan de temperatuur van twintig tot dertig graden onder nul, die de mensen deed rillen en beven in hun kleine, overbevolkte huur woninkjes, een situatie die menselijkerwijze wellicht driekwart eeuw, maar geen dag langer, uit valt te houden.
Het is een interessante ervaring om zo'n boek als Voer voor psychologen dertig jaar na verschijning te herlezen. Een van Mulisch’ stokpaarden is het gescherm met zijn «absolute leeftijd», een onveranderbaar fenomeen dat van de schrijver een tweeënzeventigjarige grijsaard van vijftien jaar heeft gemaakt. Ook dit riekt allemaal naar pose en aanstellerij, behalve als blijkt dat Mulisch de zuivere waarheid spreekt. Hij omarmt nog steeds dezelfde fenomenen uit zijn jongelingsjaren: Hegel, wiens dialectiek hij, als puber, eigenhandig in kaart bracht; de halfgare, jonggestorven Weense wijsgeer Otto Weininger («O, onvergetelijke, krankzinnige Otto»); en Lou de Palingboer, de gereïncarneerde, zij het enigszins naar de Volendammer visafslag ruikende God de Vader. Hij bezocht het fenomeen in het gezelschap van zijn vriend Hein Donner («Wat wil je nou toch met de bijbel, kereltje? Die heb ik zelf geschreven»), dezelfde Donner die een fenomenale bijrol speelt in De ontdekking van de hemel, het boek waarin Mulisch heeft bewezen dat hij wis en waarachtig méér is dan een «hollebollewoordenman» (Huug Kaleis).
Mulisch’ oordeel over zijn critici is tamelijk superieur. «Het tragisch lot van de recensent», schrijft hij, «is te vergelijken met dat van de voetbaljournalist. Schrijven over Cruijff dat hij een slechte wedstrijd heeft gespeeld, dat is toch idioot? Zelf kunnen ze niet eens over de breedte van het veld hollen zonder een hartaanval te krijgen.» Het is een typische Mulisch-drog redenering, alsof je de achterneef van Sarah Bernhardt moet zijn om een opvoering van Shakespeares Hamlet te kunnen beoordelen, maar ondertussen is het allemaal goed en geestig uitgedrukt.
Er zijn twee periodieken in Nederland waarin vrijwel nooit een goed woord over Harry Mulisch is verschenen. Het eerste is De Groene Amsterdammer, onafhankelijk weekblad sinds 1877. Het tweede is Propria Cures, het hoofdstedelijke studentenblad, dat er een eer in schept om elke keer weer de «humbug» en de «karakterloze kletsmeierijen» van deze «charlatan» door te prikken. Dit geschiedt veelal door bijzaken tot hoofdzaken te verheffen, een in het polemisch verkeer ver de dig bare methode, en betreft dus altijd des schrijvers neus, een orgaan dat bij hem, halfjood qua geboorte en politieke overtuiging, inderdaad aan de ongewoon forse kant is.
«Als de neus van Mulisch korter geweest was, zou de geschiedenis anders verlopen zijn», constateerde PC-redacteur Th. A. Sontrop in 1963. «Was Harry Mulisch een voljood/ dan werd die snotneus/ pas echt groot», dichtte PC-redacteur Bob Polak in 1975. «Harry Mulisch en H.J.A. Hofland gaan zwemmen. Hofland voelt voorzichtig met zijn teen in het water en zegt: ‹Mmm, lekker warm.› Waarop Mulisch zijn neus in het water steekt en zegt: ‹En lekker diep.› » (Theodor Holman en Dirk van Oostveen, 1987).

Er is al met al een wereld van verschil tussen de schrijver en de denker, waarbij ik mij realiseer dat dit een dubieus compliment is aan het adres van een schrijver die zowel schrijver als denker wenst te zijn. Is het feit dat ik al mijn leven nog nooit één wijsgerige conclusie van Harry Mulisch heb begrepen, zijn schuld of de mijne? Laat ik ruimhartig zijn: de mijne, waarschijnlijk omdat ik de laatste tijd te veel onnutte tijd met de Donald Duck heb doorgebracht. Blijft de constatering van W.F. Hermans dat het moeilijk filosoferen is als men geen verstand van filosofie heeft. De verstandigste woorden in deze netelige kwestie zijn uiteindelijk gesproken door voornoemde H.J.A. Hofland, even na de verschijning van Mulisch’ De compositie van de wereld. («De cl is niet de c. De cl is niet de c in hoeverre vanuit de cl wordt herkend, dat de c de c is.») Wij, hij en ik, dronken een glaasje in de wandelgangen van het Rotterdamse Boekenfestival, en Hofland sprak: «Weet je wat het probleem met Harry is? Het probleem met Harry is dat hij als kind een meccanodoos cadeau heeft gekregen.»