Verzet tegen de toetreding tot de EU

De wijsheid uit het Oosten

De landen van de Europese Unie maken zich erg druk over de komende toetreding van lidstaten uit het oosten. Maar in die kandidaat-lidstaten is veel weerstand tegen de uitbreiding van de EU, die niet alleen zegeningen te bieden heeft.

Andrzej Lepper, de leider van de conservatieve Poolse boerenpartij Samoobrona («zelfverdediging») wil de leugens over de zegeningen van de Europese Unie aan de kaak stellen. Ook wil hij verhinderen dat de boeren naar de grote steden trekken, zo vertelt Lepper — die kan rekenen op de steun van één op de vijf Polen — in het Oostenrijkse weekblad Profil. Sterker nog, er moeten juist meer boeren bij komen in Polen, zodat het gif in het voedsel vermindert en niemand meer hoeft te vrezen voor het uit het Westen overgebrachte BSE-virus.

Het lijkt de omgekeerde wereld. Terwijl in Nederland de meest vreselijke verhalen de ronde doen over de Poolse slachthuizen en vlees dat met geen mogelijkheid aan de EU-standaard kan voldoen, heerst in Polen dezelfde angst. Al oogsten VVD en LPF met hun opmerking dat Polen nog niet klaar is voor toetreding boze reacties — «egoïstisch, kortzichtig en onacceptabel» — van regeringskringen, in Polen zelf lopen veel mensen nog niet over van enthousiasme om zich aan te sluiten bij de Europese Unie.

Toetreding tot de EU is weliswaar de logische uitkomst van twaalf jaar voorbereidingen en een moeizame economische transitie, maar vanzelfsprekend is ze niet. Aansluiting bij Europa is voor alle nieuwe lidstaten een ingrijpende beslissing. Al lijkt in West-Europa niemand stil te staan bij de mening van de nieuwe lidstaten zelf, in de eigen politiek en in de media is de toetreding een van de belangrijkste onderwerpen van discussie. Zeker met de voor de lente van 2003 geplande referenda in de meeste kandidaat-lidstaten is de vraag naar de publieke opinie in deze landen van belang.

Als nettobetaler van de Europese Unie is Nederland bang dat het financieel de dupe wordt van de uitbreiding naar het oosten. De Nederlandse bijdragen worden vaak voorgesteld als een soort verkapte ontwikkelingshulp voor de nieuwe lidstaten; voor de gedane investeringen zouden de Nederlanders zelf niets terugzien uit Brussel. Uniek is deze angst zeker niet: de vrees voor veranderingen is universeel. Niet alleen geloven ook de andere West-Europese EU-lidstaten dat zij er door de uitbreiding financieel op achteruit zullen gaan, ook bij de kandidaat-lidstaten bestaat de vrees dat ze moeten inleveren ten behoeve van de EU. Het gras is immers altijd groener aan de overkant. Uit opiniepeilingen in maart 2001 blijkt dat vijftig procent van de Polen meent dat de EU tot nog toe meer van Polen heeft geprofiteerd dan andersom, slechts zes procent gelooft dat de wederzijdse relaties Polen het meest hebben opgeleverd. In Tsjechië liggen deze verhoudingen op 36 tegen 13 procent; alleen in Hongarije is met 23 tegen 24 procent het aantal mensen dat meent dat het eigen land respectievelijk de EU het meeste baat heeft bij de onderlinge relaties, bijna gelijk.

Oost en west delen meer angsten. Uit de eurobarometer, die in opdracht van de Europese Commissie de publieke opinie in zowel de lidstaten als de kandidaat-landen peilt, blijkt dat de nieuwe EU-leden vooral de toename van drugshandel en de georganiseerde misdaad vrezen (gemiddeld 59 procent van de bevolking in de kandidaat-lidstaten). Nummer twee op het lijstje is de angst dat toetreding te hoge kosten met zich meebrengt (56 procent), daarna volgen verwachte problemen voor de boeren (51 procent) en de angst voor het verlies van de eigen munteenheid (41 procent). Ten slotte vreest gemiddeld 31 procent van de bevolking in de kandidaat-landen dat de nationale identiteit en cultuur verloren gaan.

De meerderheid van de inwoners wil niet temin bij de Europese Unie horen. Met een gemiddelde van 59 procent is de steun in de kandidaat-lidstaten groter dan in de landen die al lid zijn van de EU; daar staat gemiddeld 49 procent van de bevolking achter de uitbreiding. De uitkomst van de referenda komend voorjaar zal dan ook «ja» zijn. Echt overtuigend is de steun echter niet. De kandidaat-lidstaten willen lid worden, maar de huid moet duur worden verkocht. Van degradatie tot tweederangs burgers mag geen sprake zijn.

Na de val van de communistische regimes wilde een overgrote meerderheid van de Oost-Europeanen bij de EU horen en delen in de vrijheid en welvaart van het Westen. Halverwege de jaren negentig stond echter nog maar de helft van de inwoners achter toetreding tot de Unie. Een belangrijke reden voor de afname van de steun was de aarzelende houding van de EU en de moeizaam op gang komende onderhandelingen. Toen in 1997 de Europese Commissie een stappenplan opstelde en de toekomstige toetreding een stuk concreter werd, nam de steun geleidelijk weer toe. Tegenwoordig is het aantal voorstanders groter dan halverwege de jaren negentig, maar het aantal tegenstanders neemt ook toe, wat duidt op een polarisering van de verhoudingen.

Toetreding ondervindt de meeste weerstand in de Baltische Staten, Polen en Tsjechië. In Hongarije, Slowakije en Slovenië is het aantal voorstanders behoorlijk veel groter en het aantal tegenstanders relatief laag — behalve in Slovenië, waar een kwart van de bevolking het oneens is met toetreding. Het meest pro-Europa zijn Bulgarije en Roemenië. Ironisch genoeg zullen deze landen voorlopig niet toetreden tot de EU. De reden voor deze steun is een simpele rekensom: het optellen en aftrekken van de kosten en de baten. De economische omstandigheden in Bulgarije en Roemenië zijn zo slecht dat deze landen verwachten het meeste profijt te hebben van de Europese Unie; ze hebben immers ook weinig te verliezen. Andersom werkt dit principe echter ook. Tegenstanders van de uitbreiding in landen als Slovenië, Estland, Tsjechië en Malta gebruiken juist hun florerende economie als een argument tegen aansluiting. Een Sloveense journalist verzuchtte: «We hebben pech, omdat we zo goed ontwikkeld zijn.»

De euroscepsis is het meest verbreid onder nationalistische groeperingen en boeren. Vers in het geheugen liggen de spannende verkiezingen in Slowakije in september. Een keuze voor de rechts-populistische oud-president Meciar, die het land halverwege de jaren negentig in een internationaal isolement dreef, zou toetreding in gevaar hebben gebracht. De Slowaken gaven de EU echter het groene licht: de christen-democratische SDKU van premier Mikulas Dzurinda kon aan een tweede regeringstermijn beginnen. Meciars partij HZDS verloor stemmen, maar werd wel de grootste partij van het land. Geen van de andere partijen wilde echter een coalitie met de populistische ex-bokser vormen. De andere Slowaakse populist, Robert Fico, behaalde met zijn partij Smer («richting») dertien procent van de stemmen. Ook Fico speelde tijdens zijn campagne in op de angst voor de EU en beloofde de Slowaken onder de leus «niet in onze blote kont naar de Europese Unie» gunstiger toetredingsvoorwaarden af te dwingen.

Voor nationalisten in de verschillende Oost-Europese landen is vooral de uitverkoop van landbouwgrond, fabrieken en bedrijven een doorn in het oog. Uit de eurobarometer blijkt dat de nationalisten echter niet in de meerderheid zijn: 52 procent van de inwoners van de kandidaat-lidstaten identificeert zich met Europa, 43 procent identificeert zich uitsluitend met de eigen nationaliteit.

Een tweede groep die bezwaar maakt tegen de uitbreiding zijn de boeren. Weinig verrassend, want hun broodwinning staat op het spel. Als de landbouwhervormingen die een EU-lidmaatschap vereist doorgaan, zal naar verwachting een groot aantal van de kleine boerenbedrijven moeten verdwijnen. Ook vrezen veel boeren de oneerlijke concurrentie met hun westerse collega’s, die dankzij de open handelsgrenzen nu al goedkopere landbouwproducten op de Oost-Europese markt dumpen.

In Polen zullen in de periode tot 2013 naar schatting ruim een miljoen boerenbedrijven hun deuren moeten sluiten. Tragisch is dat weinig boeren gebruik hebben kunnen maken van de EU-subsidies die beschikbaar zijn. De aanvraagprocedures zijn te ingewikkeld en de bureaucratie is te ondoorzichtig. Een politicus in de stad Podlaskie bekende tegenover Der Spiegel dat hij zich een beetje schaamde: «Ik wil niet dat de indruk ontstaat dat de Polen geen voorstellen kunnen schrijven.»

Het punt dat Andrzej Lepper en zijn boerenpartij de meeste stemmen oplevert, is de verkoop van landbouwgrond aan buitenlanders — of nog erger: aan Duitsers. «Hitler had tanks, nu hebben de Duitsers genoeg aan euro’s», maakt Lepper zich kwaad. Om hem de wind uit de zeilen te nemen, sloot de Poolse regering hierover een deelakkoord met de EU, dat voorziet in een overgangstermijn van twaalf jaar. Ook bij de oude EU-lidstaten moeten overgangsmaatregelen de angst wegnemen. Oostenrijk en Duitsland dekten zich in tegen de belangrijkste angst die in het Westen leeft: de komst van duizenden goedkope arbeidskrachten uit Oost-Europa. Afgesproken werd dat het na de toetreding in 2004 nog zeven jaar duurt voordat Polen daar mogen werken.

Tot de felste tegenstanders in Polen behoort ook de nationalistische gezinsliga, die voornamelijk propaganda voert op het streng katholieke radiostation Maryja en toetreding tot de EU voorstelt als «de vijfde Poolse deling». Volgens peilingen zal de helft van de Polen pro-EU stemmen tijdens het referendum in mei 2003, dertig procent stemt echter tegen. De linkse regering van premier Leszek Miller is er niet helemaal gerust op en heeft alvast een speciale minister aangesteld om de bevolking over de EU te informeren.

Alleen in Estland wordt een referendum over de toetreding echt spannend. Slechts 38 procent van de Esten is voorstander van aansluiting bij de EU, 27 procent is tegen. De grote weerstand is vooral te wijten aan de gunstige economische situatie van het land; de Esten verwachten weinig materieel voordeel van de toetreding. Net als in de andere Baltische staten wordt in Estland de eigen soevereiniteit, na jarenlange sovjetoverheersing, heel hoog gewaardeerd, ook een reden om een nieuwe «Europese overheersing» af te wijzen. Een geruststellende mededeling komt van het Estse onderzoeksbureau Emor: het Eurovisie Songfestival dat Estland vorig jaar won met het liedje Everybody en dat dit jaar plaatsvond in Tallinn, deed de pro-Europa-curve weer een beetje klimmen.