De bommenstrategie van Kim Jong-IL

De wil van Kim Jong-il

Eendrachtig wordt ook door Nederlandse media bericht dat Noord-Korea een kernmacht is geworden omdat de VS geen vrede willen sluiten. Het is bizarder. ’s Werelds naarste staat overleeft juist dankzij consequent misbruik van het buitenland.

Drie jaar geleden legde een Amerikaanse militair mij, met uitzicht op de wellicht zwaarst bewaakte grens in de wereld, opgewekt uit dat zijn functie – en die van zijn 37.000 landgenoten – in essentie inhoudt dat hij in geval van oorlog snel zal sterven. ‘Als het Volksleger over de grens spoelt, zullen ze over ons heen moeten. Ze zullen ons moeten doden om naar Seoul te komen.’ Ik mompelde niet-begrijpend iets over ‘tegenhouden’, waar hij hartelijk om moest lachen. Die zevenhonderdduizend Noord-Koreaanse soldaten die langs de grens liggen, onder wie honderdduizend man speciale troepen? Tegenhouden? De enige vraag, legde hij uit, was hoelang zij een Noord-Koreaans offensief zouden kunnen vertragen, voordat de kernwapens zouden neerdalen. Want dat is de werkelijke bijdrage van de tienduizenden Amerikaanse militairen aan Zuid-Korea’s veiligheid: als zij over de kling worden gejaagd, zal het Witte Huis kernwapens inzetten.

Noord-Korea heeft eenzelfde troef. Het dichtbevolkte Seoul, met ruim 23 miljoen inwoners de op een na grootste agglomeratie ter wereld en op elk terrein het hart van Zuid-Korea, ligt in Noord-Korea’s hand. Seoul ligt op vijftig kilometer van de grens en dat is binnen het bereik van Noord-Koreaans conventioneel geschut. Noord-Korea heeft daarvan volgens schattingen zo’n vijftienduizend stuks langs de grens opgesteld en er goed voor gezorgd dat de VS en Zuid-Korea daarvan op de hoogte zijn. Want de implicatie is dat Noord-Korea Seoul tot elke gewenste graad van vernietiging kan wegvagen, met een ruime keuze aan explosieven, brandbommen en chemische en biologische wapens. Seoul is het schoolvoorbeeld van wat in militaire termen ‘niet-nucleaire afschrikking’ heet. Zijn inwoners zijn ten diepste van dit ‘atoombomgevoel’ doordrongen.

De militaire situatie op het Koreaanse schiereiland is daarom een patstelling. Als één ding dan ook zeker is aan de Noord-Koreaanse kernproef van vorige week, dan is het dat Noord-Korea – het land met 1,2 miljoen soldaten, tussen de vijf en zeven miljoen reservisten (op 23 miljoen inwoners) en een groot chemisch en biologisch arsenaal – geen kernwapens nodig heeft om een invasie te voorkomen.

Wie afgelopen week de Nederlandse pers volgde, zal dat niet duidelijk geworden zijn. Integendeel, de Noord-Koreaanse kernproef leidde tot kalme en welwillende woorden jegens Pyongyang en impliciete en expliciete verwijten aan de werkelijke schuldige in het spel: de Verenigde Staten. Zo schreef de Volkskrant op 10 oktober: ‘Al sinds de Korea-oorlog leeft Noord-Korea in angst voor de Amerikanen en hun atoombom – die ze in 1950 inderdaad even tegen Noord-Korea wilden gebruiken. Het kleine Noord-Korea laat zich niet intimideren door de Verenigde Staten. Het wil alleen op voet van gelijkheid onderhandelen met de VS en elk Amerikaans dreigement wordt dus met gelijke munt terugbetaald.’ Een dag later analyseerde diezelfde krant: ‘Je hoeft geen fan van calculerende despoten te zijn om toch enige bewondering op te brengen voor het sang froid waarmee Kim vriend en vijand heeft afgetroefd.’ Ook in NRC Handelsblad is de eindschuldige de VS, ‘het land waarmee Noord-Korea zó graag een vredesakkoord wil sluiten dat het tot het uiterste gaat’. Het verst in begrip ging nrc.next met een artikel onder de kop Kluizenaar Kim wil alleen wat sympathie. De bijna debiele onderkop: ‘Verenigde Staten zijn voor Noord-Korea de agressor, maar Kim Jong-il wil ook niets liever dan vriendjes worden met de VS’. Het NOS-Journaal zat op dezelfde lijn.

Al dit begrip voor Noord-Korea en vingerwijzen naar de VS is verbijsterend. Laten we eens op een rijtje zetten over welk land we het nu hebben dat ‘alleen vriendjes wil zijn’. Het land dat in 1950 de Korea-oorlog begon, heeft het vierde leger ter wereld dat al een halve eeuw in offensieve posities langs de zuidgrens ligt, en waar het om de paar jaar geheime tunnels onderdoor probeert te graven. Het wordt geregeerd door een politieke en militaire elite die in afgeschermde wijken van Pyongyang alle geneugten des levens geniet, terwijl in andere delen van het land gebrek aan levensbehoeften als voedsel, brandstof en medicijnen heerst. Overvloed heerst alleen aan persoonsverheerlijking van de Geliefde Leider, aan standbeelden met citaten van zijn vader, trainingen voor massamanifestaties en redenen waarom mensen (plus hun familie tot soms de derde graad) weggezonden mogen worden naar de verschrikkelijkste strafkampen sinds het Derde Rijk.

Dat dit laatste niet internationaal als feit wordt geaccepteerd, is enkel omdat getuigenissen van vluchtelingen, zoals verhalen die ik optekende op reportage voor Trouw, eigenlijk te erg zijn om te geloven. ‘Mensen vochten elke dag voor mijn ogen om te overleven, van kleine kinderen tot bejaarden. En velen haalden het niet’, vertelde een verlegen twintiger, die kampbewaarder was geweest, mij over de uitgehongerde, zich kapot werkende, afgeranselde en soms willekeurig gedode gevangenen. ‘Ik geloofde dat ze terecht werden gestraft. Dat ze klassenvijanden waren die dankbaar moesten zijn dat ons land hun deze kans gaf in plaats van hen direct te doden.’

Het land waar deze kampen staan, heeft zich internationaal vooral onderscheiden door staatsterrorisme (zoals aanslagen op vliegtuigen en politici van de zuiderbuur en de ontvoering per duikboot van dertien Japanse kustbewoners voor taalonderwijs bij de spionagedienst), misbruik van diplomatieke post en andere officiële kanalen voor smokkel van drugs, wapens en valse dollars, een actieve rol op de clandestiene markt voor technologie voor massavernietigingswapens en raketten, militaire provocaties van Zuid-Korea en het breken van internationale overeenkomsten.

Een voorbeeld van het laatste is bijvoorbeeld het denuclearisatie-akkoord met Zuid-Korea van 1991, achteraf gezien alleen bedoeld om in rust aan zijn kernwapens te kunnen werken. Of een soortgelijk akkoord met de VS uit 1994, waarin Noord-Korea allerlei economische hulp kreeg toegezegd in ruil voor het opgeven van zijn kernwapenprogramma. Een bron voor eindeloos getraineer waren de overeenkomsten voor voedselhulp die Noord-Korea in de jaren negentig met buurlanden sloot. Hoewel de leveranties volgens verschillende analisten een ineenstorting van het regime voorkwamen, werd het voedsel vaak doorgesluisd naar het Volksleger, ontkende Pyongyang glashard dat bepaalde leveranties waren gedaan en werkte het consequent ngo’s tegen.

De verdragen met Zuid-Korea in het kader van de recente ‘Zonneschijnpolitiek’, die neerkomt op eenzijdige concessies van Seoul, geven een soortgelijk beeld: voortdurend Noord-Koreaans getraineer, eindeloze reeksen nieuwe eisen aan het experimentele toeristische verkeer van Zuid naar Noord of aan de (korte) hereniging van familieleden. Eén ding laat zich leren over Noord-Korea: akkoorden sluiten heeft weinig zin. Maar omdat het tegendeel ook geen zin heeft en Noord-Korea zich met grote behendigheid steeds weer tot een internationaal probleem weet te maken, wordt toch telkens tot nieuw overleg besloten.

Hiervan lijkt de pers zich geenszins bewust. In de berichtgeving duiken collectieve misvattingen op die met een verbazende flair worden opgeschreven, zoals de bewering dat Noord-Korea ‘alleen vrede wil’. Om dit te onderbouwen, geven onze journalisten directe inkijkjes in de ziel van Kim Jong-il zelf. In de Volkskrant: ‘Mijn echte finest hour moet eigenlijk nog komen, taxeert de Grote Blufpokeraar. Straks moeten ze namelijk allemaal door het stof om mij weer aan die onderhandelingstafel te krijgen, en vervolgens kan ik een geweldig hulppakket uit de onderhandelingen slepen, waarna ik het stokje van de macht glansrijk kan doorgeven aan een van mijn zoons.’

Wie zich werkelijk in Noord-Korea verdiept, weet dat hoe stelliger zulke analyses zijn, hoe minder de auteur van de zaak afweet. Noord-Korea-‘deskundigen’ schrijven bij voorkeur hun aanspreektitel tussen aanhalingstekens, omdat zij weten hoe weinig er met zekerheid door buitenstaanders te zeggen is over het land en hoe het geregeerd wordt. Liever citeren zij de voormalige Amerikaanse presidentskandidaat Walter Mondale, die in de jaren zeventig zei: ‘Wie zich een expert over Noord-Korea noemt, is ofwel een leugenaar, of een idioot.’ Veel boeken over Noord-Korea zijn met dat motto gerelativeerd.

Buitenstaanders moeten daarom van Noord-Korea een beeld samenstellen uit flarden informatie van vluchtelingen, ngo-medewerkers en een incidenteel lid van de Noord-Koreaanse elite, die zelf allemaal ook niet precies weten hoe alles zit. Van de wetenschappers die daaruit een coherent verhaal proberen te schetsen is de Rus Andrei Lankov, verbonden aan universiteiten in Zuid-Korea en Australië, de laatste jaren de prominentste.

Lankov reconstrueert in boeken en essays en in zijn columns in de The Korea Times de recente geschiedenis van Noord-Korea als volgt. Het land heeft niet alleen recent, maar altijd al, sinds een poging om het land te destaliniseren in de jaren vijftig mislukte, een ‘hulpmaximaliserende’ economische politiek gevoerd. Pyongyang buitte behendig de rivaliteit tussen de Sovjet-Unie en China uit door van kant naar kant te wisselen. Na de val van de Sovjet-Unie werd dat onmogelijk. De Noord-Koreaanse economie kwam in zwaar weer. In de loop van de jaren negentig ontstonden grote tekorten aan voedsel. Verschillende ngo’s en landen, met name China, Zuid-Korea, de VS en Japan, sprongen met voedselhulp bij.

De voedselcrisis ondergroef volgens Lankov het stalinistische systeem van het land: burgers ontdoken op grote schaal het reisverbod en het verbod op handel om aan voedsel te komen. Om verdere onrust te voorkomen én mogelijk omdat de ijzeren greep van het regime op het land enigszins verslapte, stond Pyongyang met tegenzin buitenlandse ngo’s toe en het ontstaan van minimarktjes voor de verkoop en ruil van voedsel. Het ergste leek voorbij en Pyongyang stond voor de keuze: verder gaan op het voorzichtig hervormende pad – waarop naast de privé-marktjes gedeelde economische initiatieven met Zuid-Korea, China en Rusland lagen – of de klok terugdraaien.

Vorig jaar, meent Lankov, koos Pyongyang voor het laatste: ngo’s werd te verstaan gegeven te verdwijnen, marktjes werden opgedoekt, boeren kregen weer controleurs over de vloer om ‘overtollige productie’ op te sporen en in te nemen. De lessen van de geschiedenis zijn volgens Lankov daarvoor de reden. ‘Het is geen toeval dat leden van de Noord-Koreaanse elite in privé-conversaties zo vaak het lot van de communistische kaderleden in voormalig Oost-Duitsland aanhalen’, schrijft hij in een essay voor de Australische denktank Nautilus Institute. ‘Het vermijden van hervormingen is voor Pyongyangs elite de veiligste overlevingsstrategie.’

Maar om alles bij het oude te laten is nog wat anders nodig: dat buitenlandse hulp blijft binnenstromen. In het verkrijgen daarvan is Noord-Korea altijd goed gebleken. Sinds het einde van de Koude Oorlog speelt Noord-Korea twee troeven keer op keer genadeloos uit: de vrees van de buurlanden dat het communistische regime de geest geeft en de breder gedeelde vrees voor Noord-Korea’s militaire capaciteiten en plannen.

Wat het eerste betreft zijn de buurlanden China en Zuid-Korea het doelwit. In weerwil van de consensus daarover in de Nederlandse media loopt Noord-Korea allerminst aan de leiband van Peking. De Chinese generositeit met voedsel en energie stoelt op vrees en niet op genegenheid. Vrees voor miljoenen vluchtelingen als Noord-Korea ineenzakt en gezichtsverlies door het wegvallen van nóg een communistisch land.

Strategisch gezien veel ernstiger is dat een doorn in de zijde van Japan en de VS, waarvoor China ten oorlog is getrokken en naar schatting vierhonderdduizend man heeft verloren, wordt vervangen door een Amerikaanse bondgenoot aan de Chinese grens. Want in een verenigd Korea zullen de rijke en ontwikkelde Zuid-Koreanen, wat voor beperkingen daartegen ook worden opgeworpen, het karakter van de staat bepalen. China is daarom voor behoud van de status quo.

Dat geldt niet minder voor Zuid-Korea. Regeringsinstanties trachten voortdurend scenario’s voor een mogelijke hereniging te ontwikkelen en de kosten te berekenen. Het betreft in beide gevallen geen vrolijke kost. De indoctrinatie van de Noord-Koreanen is wellicht zo compleet en hun reservistenleger zozeer ingesteld, bewapend en opgeleid voor een lange guerrillastrijd, dat de Irak-oorlog erbij kan verbleken. Zelfs als hereniging vreedzaam zou gaan – wat onwaarschijnlijk lijkt – zullen de kosten vanwege het onwaarschijnlijke basisniveau van de Noord-Koreaanse economie immens zijn, op een schaal die vele malen groter is dan de kosten die West-Duitsland van de Europese motor tot een EU-regelbreker maakten. Hoewel het niet openlijk gezegd wordt – het gros van de Zuid-Koreanen beschouwt de Noord-Koreanen als een geknecht broedervolk dat zij graag weer in de armen sluiten – ziet de regering in Seoul een Duitsland-achtige vereniging als ramp die moet worden vermeden.

Een ideaal scenario voor Zuid-Korea is dat Pyongyang politieke controle houdt, maar zijn economie hervormt en opent naar de wereld, zoals China. Maar die weg vinden Kim Jong-il en zijn kliek kennelijk te riskant. En dus stuurt Zuid-Korea enorme hoeveelheden voedsel noordwaarts om in ieder geval het rampscenario van ‘politieke implosie’ te voorkomen. ‘Het is een unieke situatie met schaarse parallellen in de wereldgeschiedenis’, schrijft Andrei Lankov. ‘Een regering voedt haar vijand om haar eigen snelle overwinning te voorkomen.’

Ook Japan en de Verenigde Staten zijn in feite voor behoud van de status-quo. Bijna alle scenario’s voor verandering, waaronder de meest waarschijnlijke, pakken negatief uit voor Washington. Oorlog zou desastreus zijn. ‘Implosie’ van Noord-Korea zou ongetwijfeld een Amerikaanse militaire rol vergen, de regio destabiliseren en in het slechtste geval zou zich een tweede ‘Irak’ aandienen. In Japan bewijst de regeringspartij met ‘harde woorden’ steeds lippendienst aan de nationalistische achterban, maar in werkelijkheid vreest Tokio de sprongen die de met langeafstandsraketten bewapende en fel anti-Japanse kat in het nauw kan maken, of de Chinese rol die in een verenigd Korea is weggelegd.

De bizarre situatie is dus dat alle partijen uit zijn op behoud van de status-quo, maar dat het Noord-Koreaanse regime zichzelf steeds als anti-status-quo-macht opstelt om te zorgen dat andere landen het als vijand in stand houden. De Noord-Koreaanse kernproef past in dit beeld, hoewel het zoals gezegd koffiedik kijken blijft met het regime in Pyongyang.

Het koffiedik kijken in Oost-Azië levert soms wel interessante inkijkjes op. Zo merkte opnieuw Andrei Lankov onlangs op dat China sinds 2003 een nieuwe, door de staatscensors geautoriseerde versie van de Koreaanse geschiedenis aan zijn bevolking presenteert. Bij wie bekend is met Oost-Azië, waar historisch-heroïsche soaps niet aan te slepen zijn, gaan dan direct de alarmbellen af. Want geschiedenis is in Oost-Azië politiek: Nanking en de Yakusuni-tempel evenzeer als het Chinees-Tibetaanse verdrag van 823 of het Koguryo-koninkrijk in Korea. Dat laatste behoorde namelijk volgens de nieuwste Chinese lezing tot het oude China. ‘De waarschijnlijkste verklaring daarvoor is dat China politieke interventie overweegt in Noord-Korea’, stelde Lankov daags na de kernproef. Want als China vroeger ergens heeft gelegen, is inmenging nu gerechtvaardigd.

De nieuwe geschiedschrijving past bij weer een ander toekomstscenario: Chinese bedrijven penetreren de Noord-Koreaanse economie en pro-Chinese kaderleden de politiek, tot Noord-Korea een de facto marionet van Peking is. Deze ‘Chinese oplossing’ zou voor de Noord-Koreaanse elite, die zich volgens Lankov maar al te zeer bewust is van de precaire balans van sociale stabiliteit, het economische distributiesysteem en de internationale constellatie, wellicht een meer aantrekkelijke optie zijn dan experimenten met het stalinistische systeem of militair avonturisme. Bij zo’n ontwikkeling zal Seoul waarschijnlijk heimelijk opgelucht ademhalen. In Washington zal wellicht worden betwijfeld of die situatie beter is dan de oude.