De wil van volwassenen

Gabriele Kögl, Het loeder. Vertaald door Wil Boesten, Uitg. De Bezige Bij, 112 blz., 329,50
Karla is tien jaar oud in de eerste regels van de korte roman Het loeder. Op het einde van het boek menstrueert ze, maar die vorm van aansluiting bij het genootschap der volwassenen vindt ze niet zo leuk.

De slotregels luiden: ‘Ze wil achter alle geheimen van de volwassenen komen, maar bloedbroederschap met hen wil ze niet.’ Dat is begrijpelijk.
De Oostenrijkse schrijfster Gabriele Kögl (1960) situeert de vertelling op het Steiermarkse platteland, eind jaren zestig. Het gaat er ruw aan toe. De boerenwereld is er een van weinig woorden en veel slaag. Het is alsof de volwassenen hebben samengezworen om Karla’s gevoelige meisjesziel zo snel mogelijk uit te rusten met de stekels waarmee grote mensen door het leven gaan.
Het verhaal is allicht autobiografisch. Wie het leven op de boerderij niet kent, kan nooit zo indringend schrijven over varkens die worden gekeeld en kippen die hun bloedende kop op het blok moeten laten liggen. Als Karla’s lievelingskalf moet worden afgemaakt, houdt ze de kop zelfs drie dagen verborgen in het stakenkot, net zolang tot de kop tot een gonzende vliegenmassa is opgezwollen, waardoor het kind hem op den duur wel onder de grond moet stoppen.
Kögl beschrijft knap hoe Karla gedresseerd wordt om zich naar de wil van de volwassenen te plooien. Soms neemt het kind wraak in haar fantasie. Als haar moeder weer eens boos is en haar lippen samenperst, verbeeldt Karla zich dat haar mond eruit ziet als het gat van Alma, haar lievelingskoe. Of ze stopt een vlieg in de mond van haar dode oma, want 'daarvan was ze altijd wakker geworden en had Karla uitgescholden’. Of ze plast in de kan met most waarvan de nare mijnheer Meixner, de eierklant, zich bedient.
De wereld der volwassenen zit vol irrationaliteit. Het meisje begrijpt niet waarom iedereen de dode opa beweent, want met de levende hadden ze het voortdurend aan de stok. De dode is zelfs machtiger dan de levende, besluit Karla, die diep onder de indruk is van het feit dat opa’s lijk zo mag stinken zonder dat de volwassenen boos worden. In haar verbeelding laat de dode opa immers gewoon scheten in de huiskamer: 'Ze probeerde zoveel mogelijk winden te laten als ze maar kon, zodat ze zich zouden vermengen met die van opa en zo werd zij ook een beetje opgenomen in de Heilige Dood. Daar mag je misschien meer dan alleen stinken, misschien is daar wel alles toegestaan wat in het leven verboden is.’
Het loeder is een mooi boekje over een klein meisje dat langzamerhand ontdekt geen vat te hebben op het meeste wat in de wereld gebeurt. Dat is een hele teleurstelling. Maar tegelijk ervaart ze ook dat de mensen driftig gebruik maken van het beetje macht waarover ze beschikken, goedschiks of kwaadschiks. De manier waarop de kleine Karla met haar vinger een rups verplettert terwijl ze aan haar leraar natuurkunde denkt, is misschien toch een symptoom van het feit dat ze als volwaardig lid van het genootschap der volwassenen nog niet verloren is.