De wildebeestenkooi van pinter (1)

Nog tot 5 april overal in het land te zien.
De werkelijke thuiskomst in De thuiskomst van Harold Pinter vindt plaats aan het eind van het eerste bedrijf. De ‘verloren zoon’ Teddy en zijn vrouw Ruth zijn ‘s nachts teruggekeerd in de ouderlijke woning, maar dat bleef nagenoeg onopgemerkt. Nu komen ze ’s ochtends naar beneden terwijl de hele familie voor het ontbijt bij elkaar is: vader Max (gepensioneerd slager, weduwnaar), zoon Lenny (pooier, vrijgezel), zoon Joey (autosloper, amateur-bokser, vrijgezel) en oom Sam (taxichauffeur, vrijgezel). Vader Max begint eerst op zijn 'verloren zoon’ Teddy en diens vrouw Ruth te schelden: ‘Ik heb nog nooit eerder een hoer onder dit dak gehad. Nooit sinds je moeder dood is. Erewoord.’ Dan ontstaat er een korte vechtpartij, omdat zoon Joey zich tegen zijn vader laat ontvallen: ‘Je wordt oud.’

Na het gevecht draait vader Max om als een blad aan de boom. Hij bejegent zijn schoondochter niet meer als slet maar als moeder. En aan zijn zoon Teddy vraagt hij ‘een lekkere knuffel’. Na enig aanhouden vallen de twee mannen elkaar in de armen, zoals gangsters dat doen in Amerikaanse B-films: koppen tegen elkaar en dan van die machteloze, harde stompen in de rug. Vervolgens schreeuwt vader Max triomfantelijk tegen zijn familie: 'Hij houdt nog steeds van zijn vader!’ En je weet als toeschouwer direct: dit komt nooit meer goed.
Jeroen van den Berg, regisseur van deze voorstelling van Pinters De thuiskomst (Theater van het Oosten), verstaat de kunst van het doseren. De eerste confrontaties in deze schijnfamilie, een wilde-beestenkooi van gedesillusioneerde mannen, worden bijna achteloos afgewerkt. Met steeds vader Max (Bart Clever) in het centrum. Hij tart zoon Lenny (Olaf Malmberg) en wordt door hem genadeloos teruggetreiterd. Hij geeft zoon Joey (Leo Janssen) les in boksen, maar tot die contactgestoorde jongen dringt vrijwel niks meer door. Hij zeikt zijn broer Sam (Frans de Wit) continu af - tussen die twee mannen bestaat een groezelig geheim, dat aan het eind van het stuk wordt onthuld.
Als iedereen uiteindelijk slaapt, komen zoon Teddy (leraar filosofie in Amerika - Richard Gonlag) en diens vrouw Ruth (voormalig fotomodel uit deze buurt in Noord-Londen - Loes Wouterson) thuis. De enige die hun thuiskomst opmerkt is Lenny. Dat leidt tot merkwaardige nachtelijke conversaties (over een wekker, over de ontmoeting met een hoer die syfilis heeft, over een glas water, over 'gewoon even aaien’).
Dit alles wordt door Jeroen van den Berg en zijn ensemble zorgvuldig en verstild neergezet op het kale, verhoogde podium (paarse vloerbedekking met daarop slechts twee beduimelde fauteuils en een oude platenspeler). Op de achtergrond zien we op een kamerbreed filmdoek een zee, een ondergaande en weer opkomende zon, vogels.
Na die harde knuffel van vader Max en de verloren zoon Teddy begint de meedogenloze machinerie van Pinters De thuiskomst snel op toeren te komen. Ruth gaat in de rechter fauteuil zitten. Je ziet aan haar oogopslag dat ze zich in dit gezelschap nestelt, dat ze zich aanzienlijk meer thuis voelt dan haar man Teddy. De mannen uit de wilde-beestenkooi hebben dat in de gaten en nemen snel bezit van haar. Ze halen Ruth over hier te blijven. Ze zal wel de hoer moeten spelen, op één van Lenny’s flatjes. Teddy gaat terug naar Amerika. Wat Ruth haar man nog te melden heeft is: 'Word geen vreemde.’ Die 'vreemde’ was hij al vanaf het moment dat hij dit huis betrad.
De thuiskomst is een tekst uit 1965. Toneelgroep Centrum bracht een jaar later de Nederlandse oeruitvoering (met onder andere Guus Hermus, Ton van Duinhoven, Ann Hasekamp). Die uitvoering staat in mijn toneelgeheugen gegrift. Ze had toentertijd iets mystieks, geheimzinnigs. Jeroen van den Berg kiest in deze regie voor een bijna rechtlijnige hardheid, hij vilt de tekst tot op het bot van het onbarmhartig opportunisme dat alle figuren kenmerkt. En nogmaals: de regisseur toont zich daarin een meester in het doseren. Waar de oeruitvoering uit 1966 meteen zeer hoog inzette, start deze enscenering bijna nonchalant. De ruzies en conversaties worden afgewerkt als afgesproken nummers. Tot ná die ene knuffel. Dan wordt het oorlog. Het tempo en de toonhoogte gaan opeens omhoog, er wordt geschakeld van quasi-vriendelijkheid naar mateloze agressie. En in de slotscène, als vader Max en zijn twee zoons allemaal dingen naar de gunsten van de nieuwe 'huishoer’ Ruth, weet je als toeschouwer van radeloosheid niet meer waar te kijken.
Na afloop bleek ik die prachtige oerversie uit 1966 opeens even te zijn vergeten. De thuiskomst werd de thuiskomst van een herboren klassieker.