De wildernisutopie

Wildernis verovert de publiciteit. Voorlopig hoogtepunt: de film De nieuwe wildernis, met de Oostvaardersplassen als icoon. De film is een eclatant succes en in de pers zijn de superlatieven niet van de lucht.

Medium schermafbeelding 2014 02 11 om 08.52.44

Nu zegt de kwaliteit van een film natuurlijk niets over de gefilmde werkelijkheid. En het is zelfs de vraag of de Oostvaardersplassen model kunnen staan voor het wildernisideaal zoals dat door zijn aanhangers nu al vele jaren aan de burger wordt verkocht. Wat zijn de kenmerken van dat ideaal?

Ik geef een bloemlezing van het in wilderniskringen gangbare suggestieve woordgebruik, bijvoorbeeld in het recente boek Op zoek naar de natuur: Perspectieven voor wildernis, van Bram van de Klundert. Maar ook het Genootschap voor Natuurontwikkeling kan er wat van, onder meer in het Pamflet voor natuurontwikkeling dat op 11 februari werd aangeboden aan het ministerie van Economische Zaken, als bijdrage aan de Natuurvisie die daar in voorbereiding is. Wildernis is natuur met een grote N. In wildernis mag natuur zichzelf zijn, op eigen benen staan, haar eigen gang gaan. Zulke zelfredzame natuur is grootschalig, vitaal, veerkrachtig, robuust, toekomstvast en zelfs klimaat- en vervuilingsbestendig. Daarnaast verrassend, dynamisch en producent van een ongekend rijke biodiversiteit. En, niet in de laatste plaats, goedkoop, want niet de mens, maar de natuurlijke processen doen er het werk. Alles aan nieuwe wildernis is groot en veel. De gebieden zijn weids en worden bevolkt door grote groepen grote grazers. In het luchtruim bespeurt men naast duizenden ganzen ook de immense zeearend, de ‘vliegende deur’. Grote roofdieren als wolf en beer zijn er nog niet, maar ‘ze staan te trappelen om binnen te komen’. Nederland kan zich meten met Afrika: ook wij hebben nu onze ‘big five’ en ‘Serengeti in de polder’. Mensen mogen er vrij struinen. Pakkende beeldvorming die nog extra reliëf krijgt wanneer ze wordt afgezet tegen een karikatuur van de bestaande natuur in ons land. Die is klein en kwetsbaar, een relict uit het verleden, waarvan ‘de houdbaarheidsdatum is verstreken’. Het beheer is niet gericht op dynamiek maar op achterhaalde, vastgeroeste waarden en patronen, in feite een soort tuinieren. Het probeert natuurlijke processen tegen te houden met lapmiddelen als maaien en kappen, ineffectief en duur. Het povere resultaat krijgt vorm in ‘vegetatie en wat beestjes’. En, natuurlijk, de toegang is er verboden.

Nieuwe wildernis wordt aan de man gebracht met alle middelen van public relations en marketing. Men herkent het geëxalteerde woordgebruik, de juichtoon, de visuele ondersteuning met pakkende beelden. Tegenover het winnende concept staat ook een ‘loser’ en dat is de traditionele natuurbeschermer. Wie loopt daar nog warm voor? Kortom, het concept nieuwe wildernis kan niet stuk. Maar is al het verbale en visuele geweld niet te mooi om waar te zijn?

Ik ben een groot voorstander van wildernis. Juist daarom stoort mij de overkill aan wervende beelden en misleidend taalgebruik en het afkraken van het traditionele natuurbeheer. Wanneer nieuwe wildernis op dezelfde wijze wordt verkocht als een nieuw wasmiddel is een gezond wantrouwen op zijn plaats. Wat zijn de feiten?

Het begrip wildernis staat in algemene zin voor een toestand die niet of minimaal beïnvloed is door menselijke activiteit. Het betreft zogenoemd volledige ecosystemen waarin alle functies, basisstructuren en processen aanwezig zijn. Mensen hoeven niet in te grijpen om het systeem draaiend te houden. Gebieden met wildernis zijn ‘oorspronkelijk’ en ‘ongestoord’. De samenstelling, de structuur en andere kwaliteiten van bodem en water en lucht zijn niet door de mens veranderd. De originele, spontane vegetatie en fauna zijn er nog aanwezig en natuurlijke processen hebben vrij spel. In Nederland zijn het vooral de Zeeuwse zeearmen en de Wadden die de definitie het best benaderen. Ook de Biesbosch komt een eindje in de richting. Voor het overige bestaat Nederland uit cultuurlandschap, waarin dat wat er nog aan flora en fauna aanwezig is zich heeft kunnen handhaven, dan wel vestigen, onder het juk van duizenden jaren van ingrijpende menselijke activiteiten. Uitroeiing van ongewenste soorten en het vervangen van wilde herbivoren door grazende huisdieren zijn daarin belangrijke factoren geweest. Dat heeft het natuurbeheer in ons land lange tijd niet onderkend. In de jaren zeventig brak tenslotte het idee door om grote grazers weer een rol in de natuur te laten spelen en uitgeroeide soorten te herintroduceren. Dat betekende een belangrijke stap vooruit naar een meer natuurlijk beheer. Men sloeg hiermee de weg in naar een situatie die ook wildernisnatuur kenmerkt. Een stapje in de richting van wildernis – maar nog geen echte wildernis! Een volgende fase was het inzicht dat de mens ook belangrijke fysische processen had uitgeschakeld, vooral in de waterhuishouding. Onze beken en rivieren waren afvoerkanalen geworden en de zee was grotendeels buitengesloten. Inmiddels is een deel hiervan ongedaan gemaakt en er staat nog veel te gebeuren, niet alleen uit passie voor de natuur maar ook om redenen van economie en veiligheid. De respons van de natuur op deze herinrichtingsmaatregelen is zonder meer positief, maar van wildernis kunnen we toch echt nog niet spreken.

Medium schermafbeelding 2014 02 11 om 08.52.30

Wildernis in Nederland is een illusie. Zeker zijn er plekken waar het wildernisidee benaderd kan worden. Echte wildernis wordt het natuurlijk nooit: schaal en structuur zijn en blijven door de mens bepaald of beïnvloed, evenals de kwaliteit van bodem, water en lucht. De sturende hand van de mens is en blijft aanwezig en nodig.

Dat geldt ook en misschien wel in het bijzonder voor de Oostvaardersplassen, met name het begraasde deel. Dat is bizar omdat juist dit gebied in de publiciteit wordt verkocht als Nederlandse topwildernis. Het gebied is te klein, de waterhuishouding kunstmatig, grote roofdieren ontbreken en – het ergste – er staat een hek omheen. In feite is het een wildpark dat door de grote grazers tot op het bot wordt afgekloven. Hun aantallen worden door honger gereguleerd. Het is een sterfhuis waarin de natuurlijke voedselpiramide volledig is verstoord. Voor aaseters is het een paradijs, maar verder is de biodiversiteit er bedroevend. En ja, als je het hebt over echte wildernis is biodiversiteit toch echt een sleutelbegrip. De Afrikaanse savannen herbergen een onvoorstelbare rijkdom aan soorten planten, vogels en insecten. De olifanten, de neushoorns en de antilopen vormen het topje van een immense ijsberg aan leven. En precies daar wringt bij ons de schoen. Nederland is een door en door vervuild land, ook al ziet het er schoon uit. Ik noem slechts twee factoren, de stikstofdepositie en het pesticidengebruik. Rond de helft van de soorten van onze flora en fauna legt daarbij het loodje. Het valt me op dat je daarover in wilderniskringen zo zelden iets hoort. Men propageert het herstel van natuurlijke processen. Maar als de basiscondities niet deugen, schiet het met de natuurlijke processen ook niet op.

Maar die soorten, die biodiversiteit, wat zegt dat eigenlijk? De natuur is toch dynamisch, zo leert men ons, soorten komen en soorten gaan. Laten we ons niet druk maken als er een paar verdwijnen. Bij een nieuwe natuur horen nieuwe soorten, soorten die zijn aangepast aan de mens, de grote vervuiler en zijn activiteiten, robuuste soorten die op eigen benen kunnen staan. Sommige, zoals de woekerende exoot guldenroede, zijn zelfs zo robuust dat de grote grazers ze niet lusten. Is dat de wildernis die we willen? Prima, maar noem het geen topnatuur en geef de werkelijke schatkamers van onze natuur geen trap na. Verkoop de nieuwe wildernissen vooral niet als de enige legitieme natuur. Topnatuur, wat is dat eigenlijk? In de marketing voor nieuwe wildernis valt op dat Groot, Veel en Spectaculair de trefwoorden zijn. Toegegeven, het sluit naadloos aan op het moderne levensgevoel waarin groots en meeslepend de ultieme sensaties zijn. Wie durft nog te spreken van Klein en Fijn? Is een monocultuur van herten, paarden en runderen topnatuur? Heeft Tom Bade, promotor van het concept biomassaliteit, gelijk als hij beweert dat het goed gaat met de natuur als we enorme kuddes, zwermen en scholen zien? Ik betwijfel het. Ook bij de moderne boer zien we een flink stuk biomassaliteit maar wie, behalve de VVD (‘Een koe is ook natuur’), zou dat natuur durven noemen?

De nieuwe wildernis heeft ons nog geen wonderen gebracht. Als we nagaan waar de grootste winst wordt geboekt in termen van biodiversiteit is dat niet in de paradepaarden van de nieuwe wildernis. De winst wordt geboekt in bestaande natuurgebieden, zowel grote als kleine. Daar wordt met geduld en kennis van zaken gewerkt aan herstel van de waterhuishouding en het ongedaan maken van vermesting en verzuring, alsook aan het terugdringen van verruiging, bosvorming en versnippering. Voortdurend menselijk ingrijpen blijkt vaak nodig om flora en fauna weer een kans te geven. Soorten die bijna verdwenen, soms zelfs uitgestorven waren, krijgen weer kansen en keren terug. Neem Nationaal Park Weerribben-Wieden. Dankzij een doordacht programma van graven, baggeren, plaggen, maaien, rooien en kappen heeft het gebied een verjongingskuur ondergaan. Uitstervende en bedreigde vogelsoorten als grote karekiet, purperreiger, woudaapje, maar ook planten als groenknolorchis en veenmosorchis, herstellen zich, soms spectaculair. Ook het landschap wint aan kwaliteit. Een ander voorbeeld. Bij Ommen ligt het Varsenerveld, slechts enkele tientallen hectaren groot, het laatste restant van duizenden hectaren ‘woeste grond’ die daar in de vorige eeuw werden ontgonnen. Het was verdroogd, vermest en dreigde dicht te groeien met bos. Op initiatief van één gepassioneerde natuurkenner, Henk Ruiter, is het aan de vergetelheid ontrukt en gerestaureerd. De oorspronkelijke botanische soortenrijkdom is er bijna volledig teruggekeerd, met toppers als vetblad en moerassmele. Ook de fauna ontwikkelt zich goed. In 2006 is dit terrein in het NCRV-televisieprogramma De verkiezing van de mooiste plek van Nederland tot de mooiste plek van Overijssel verkozen en het heeft de tweede plaats behaald in de landelijke finale. Topnatuur hoeft niet groot of massaal te zijn. Denk aan een zeldzaam kalkmoerasje met parnassia en vetblad, een puntgaaf hoogveentje met bloembies of een poeltje met vuurbuikpadden. Ook dat is topnatuur, klein en bescheiden weliswaar, maar esthetisch fraai, ecologisch gezien van hoge kwaliteit en alleen te vinden op plekken met bijzondere milieucondities.

Medium schermafbeelding 2014 02 11 om 08.49.27

Van veel nieuwe wildernis word ik een beetje droevig, als ik door de eindeloze monotone ruigtes strompel. Ook de kaalgevreten Oostvaardersplassen inspireren mij niet bovenmate. Maar als ik in een mooi hersteld en goed beheerd natuurgebied kom, of dat nu groot is of klein, dan bezorgt mij dat een authentieke topnatuurervaring. Overal in ons land worden natuurherstelprojecten uitgevoerd, al dan niet met grote grazers. Herstel van milieucondities is steeds het uitgangspunt. De meeste van die projecten zijn een doorslaggevend succes in termen van biodiversiteit. Ze leveren ook magnifieke landschappen op, of je die nu wildernis wilt noemen of niet. En het is zeker geen elitaire natuur, zoals men ons soms wil wijsmaken. Burgers, natuurorganisaties, overheden en bedrijfsleven zetten zich ervoor in. De natuur doet er uiteindelijk het werk, maar de mens maakt dat mogelijk, met alle inzet van de uitgebreide natuurtechnische kennis die in ons land is ontwikkeld. Maakbare natuur, inderdaad. In de oren van sommigen een vies woord. Maar van maakbaarheid moet de natuur het wel hebben. Wat we met technische middelen hebben vernield, kan alleen met technische middelen hersteld worden en dat herstel is vakwerk. Aan een ernstig ziek mens komt een arts te pas, die een diagnose stelt en een therapie voorschrijft. Het verschil met natuur is minder groot dan je zou denken. De door de mens verziekte natuur geneest niet op eigen kracht. Het zou ook erg gemakzuchtig zijn om de door ons gecreëerde puinhopen zonder meer aan de natuur terug te geven. Is het niet een beetje lui en aanmatigend om ervan uit te gaan dat de natuur de grove zonden die aan haar gepleegd zijn zelf wel weer weg zal wassen, als wij haar daar maar ‘de ruimte voor geven’ en – we blijven Nederlanders – dat ook nog op een koopje? Nee, wij zullen er hard voor moeten werken, met alle middelen van wetenschap en techniek. Dat de natuur weer toekomst heeft in Nederland danken we niet aan hemelbestormende wildernisfantasieën maar aan de concrete successen van het wetenschappelijke herstelbeheer en de inzet van talloze gemotiveerde en vakkundige mensen. Topnatuur, ook maatschappelijk gezien. Natuur met de benen op de grond, zonder grootheidswaan!

Na staatssecretaris Henk Bleker kon de natuurbeweging wel een opkikker gebruiken. Hoezo geen draagvlak? Zie de kijkcijfers van De nieuwe wildernis! En dan komt er weer een zwartkijker die de heersende euforie zo nodig moet bederven. Vooropgesteld, ik misgun niemand zijn eigen topnatuur, maar het monopoliseren van één soort natuur als de ware natuur gaat mij te ver en dat geldt speciaal voor nieuwe wildernis. Want het is een zweverig en vaag concept dat zich, de mooie film ten spijt, nog volledig moet bewijzen. Met het uitzetten van grote grazers in het ecologische rampgebied dat Nederland is hebben we de natuur nog niet terug en zeker nog geen wildernis. De voorlopige resultaten zijn verre van overtuigend en de wetenschappelijke grondslag van het concept is hoogst aanvechtbaar. Maar voor de wildernisgelovige is dat niet van belang. Voor hem is het beeld bepalend, een utopie die hij projecteert op de Nederlandse ruimte. Feiten zijn minder relevant. Natuurlijk, zal hij zeggen, wij zijn er nog niet, maar het mooie eindresultaat staat vast. De natuur zal haar werk doen, daarom geven wij onze natuur terug aan de natuur. Wij moeten ophouden met ons gesleutel, maakbare natuur heeft afgedaan. Mits zij ‘zichzelf mag zijn’ heeft de natuur een nog ongekende rijkdom voor ons in petto en zal er harmonie bestaan tussen haar en de mens.

Men vindt deze ideologie mooi verwoord in het al genoemde boek Op zoek naar onze natuur van Bram van de Klundert. Natuur wordt daarin een bijkans magisch begrip, een bovennatuurlijke kracht, met een per definitie heilzame werking. Dit natuurconcept is niet gebaseerd op feiten en subliem in zijn eenvoud. Zoals alle ideologieën is het wildernisgeloof toekomstgericht, irrationeel en utopisch. De barre werkelijkheid wordt bezworen met enkele eenvoudige geloofsartikelen waarvan de kern is: laat uw oude maakbaarheidsdenken los en geef natuurlijke processen de ruimte, dan komt alles goed. Vertrouw op de zelfvernieuwende wildernis en haar profeten. Deze alleenzaligmakende heilsboodschap wordt door haar aanhangers verbreid met grote zendingsijver en met een zeker dedain voor degenen die het licht nog niet hebben gezien. En ze lijken succes te hebben. Het verkopen als topnatuur van een uit de hand gelopen wildpark is niet minder dan een huzarenstuk. Maar het zegt meer over de gedrevenheid van de gelovigen en over de kracht van de media dan over de kracht van argumenten en feiten. Het is natuur die geschikt is gemaakt voor massaconsumptie. En het valt niet te ontkennen, de formule slaat aan bij het grote publiek. Voor de natuurbeschermingsorganisaties, fanatiek op zoek naar draagvlak, is dat een geschenk uit de hemel. Ze bedienen zich daarom ruimschoots van wildernisjargon. Meestal gebeurt dat met een knipoog; denk aan het kinderprogramma Oerrr van Natuurmonumenten of het wilderniswandelen met Staatsbosbeheer. Een vleugje magie kan zeker geen kwaad. Maar het is wel een knieval voor het grote publiek. Hoe mooi ook dat het publiek de natuur weer ontdekt, de organisaties weten donders goed dat het om gebakken lucht gaat. Maar de verleiding ligt op de loer, zeker nu er bezuinigd moet worden. Als het publieke draagvlak verzekerd is met een paar aaibare soorten en bijbehorende sprookjes, waarom dan nog al die dure moeite voor het fijnere werk? Groen is groen. Laat de natuur toch gewoon zelf het werk doen. En dat is nog goedkoop ook. Het is maar een kleine stap en voor je het weet vormt het irrationele natuurgeloof de grondslag van het natuurbeleid in Nederland.

Trailer van de film De Nieuwe Wildernis

Frits van Beusekom is bioloog en natuurbeschermer. Vanaf 1979 tot 1989 was hij directeur van Staatsbosbeheer.

Dit artikel is een voorpublicatie uit een hoofdstuk van het boek ‘Woorden over de Wildernis, Oude en Nieuwe Visies op de Natuur’ dat binnenkort verschijnt via uitgeverij NatuurMedia.


Het Genootschap voor Natuurontwikkeling (GNO) heeft via de volgende brief gereageerd op het stuk van Frits van Beusekom:

Op 12 februari 2014 publiceerde Het Groene Lab een artikel van Frits van Beusekom onder de titel “De wildernisutopie”. Het artikel verwijst onder andere naar het Genootschap voor Natuurontwikkeling, en het Pamflet dat op 11 februari werd aangeboden aan het ministerie van Economische Zaken, als bijdrage aan de Natuurvisie die daar in voorbereiding is.

Het Genootschap voor Natuurontwikkeling (GNO) is een kennis- een discussieplatform over procesgestuurde natuurontwikkeling in Nederland en omgeving. Het GNO heeft tot doel de ervaringen met natuurontwikkeling kritisch te onderzoeken en zo inspirerend mogelijk en wetenschappelijk onderbouwd naar voren te brengen. Natuurontwikkeling is een natuurbeschermingsstrategie gebaseerd op het stimuleren van systeemeigen natuurlijke processen met als resultaat een zelfredzame natuur die robuust en toegankelijk is.

_Hoewel Frits lid is van het Genootschap, blijkt dat hij drie essenties van dit pamflet heeft gemist. Dit misverstand willen we graag rechtzetten.

In het pamflet wordt nadrukkelijk gesteld dat procesgestuurde natuurontwikkeling een strategie is naast andere evenzeer succesvolle strategieën. Natuurontwikkeling is mede succesvol vanwege natuurbehoud: de zaadbronnen en restpopulaties moeten immers ergens vandaan komen. Een verwijt dat wij als wildernisadepten natuurontwikkeling vermarkten als het ultieme, zaligmakende antwoord op de gehele natuurproblematiek, en daarbij het traditionele natuurbeheer als een achterhaalde strategie voor losers zouden neerzetten, is dan ook onterecht.

Voorts suggereert Frits van Beusekom in zijn artikel dat het enige ideaal van het Genootschap voor Natuurontwikkeling een “wildernis met grote grazers” is. Het tweede misverstand. In het pamflet bepleiten wij expliciet de ontwikkeling van natuur door het activeren van systeemeigen natuurlijke processen, binnen de hedendaagse landschappelijke en maatschappelijke context waarin wij leven. Daarbij ligt de toekomst van natuur(ontwikkeling) onvermijdelijk (ook) binnen de stedelijke context._

_Hierbij speelt de definitie van ‘wildernis’ een belangrijke rol. Een oordeel als zou het Genootschap een 'wildernis’ nastreven volgens de definitie “nooit door mensenhanden beroerd”, is onjuist. Het is evenwel een veelvoorkomend misverstand dat dat het doel zou zijn van natuurontwikkeling; met dank aan Frits van Beusekom dat hij ons uitgedaagd heeft dit hierbij expliciet voor het voetlicht te brengen. Natuurontwikkeling wil niet terug naar het landschap van voor de Romeinen; op die manier wildernis’ of 'oernatuur’ nastreven is onmogelijk en ongewenst in ons land. Het gaat om herstel van natuurlijke processen: zand dat een rivier afzet op zijn oevers. Bomen die omwaaien en mogen blijven liggen. En, inderdaad, runderen die grazen en bevers die dammen bouwen. Hierdoor ontstaat geen natuur of landschap van vroeger, maar een nieuw landschap: dat van nu, passend in de hedendaagse samenleving.

Het Genootschap voor Natuurontwikkeling zet zich in voor het wetenschappelijk onderbouwen van de ervaringen met natuurontwikkeling; de fouten én de successen. Het verwijt dat we niet geïnteresseerd zijn in een wetenschappelijke analyse, vormt het derde, verbazingwekkende misverstand. In de discussie met de opstellers van de nieuwe NatuurVisie is uitvoerig stilgestaan bij het feit dat het wetenschappelijk volgen en beschrijven van natuurontwikkeling andere methodische aanpakken vraagt dan het ecologisch onderzoek en de meetmethodes die tot op heden zijn toegepast. Het proces als doel kiezen in plaats van een statisch doel nastreven, is een essentiële verandering in het denken over natuur, die eigen meetmethoden vereist. Dit is extra interessant, omdat het ook voor de nieuwe Natuurvisie geldt: als je andere doelen durft te stellen, ontstaat de noodzaak tevens een andere monitoringwijze te ontwikkelen._

Gelukkig is er inmiddels een schat van empirische, wetenschappelijk verantwoorde literatuur beschikbaar waarin de natuurontwikkelingsprojecten van de afgelopen 25 jaar worden geanalyseerd. Meters boekenkast kan er mee gevuld worden; veel daarvan is vrij downloadbaar, onder meer op MaasinBeeld en RijninBeeld. Natuurontwikkeling wordt wetenschappelijk gevolgd, en weet zich op deze manier los te maken van ‘geloofsaspecten’.

Concluderend is natuurontwikkeling het niveau van het ‘geloven’ al lang ontstegen. Het is geen dogma, geen panacee, maar een verrijkende aanvulling op de bestaande natuurbeheer strategieën. Het is een breed toepasbaar concept, dat in vele landschappen een meerwaarde kan bieden: van de rivieren tot de kust, van de bossen tot de hei, van de Oostvaardersplassen tot in Amsterdam. Natuurontwikkeling is een relatief jonge tak van sport, die nog in ontwikkeling is. Wij nodigen iedereen hierbij uit om met ons mee te denken, te onderzoeken, en kritische vragen te stellen. Graag wel gebaseerd op de juiste uitgangspunten.

Met één aspect zijn wij het namelijk met Frits van Beusekom in zijn artikel eens: het komt niet automatisch allemaal vanzelf wel goed. Hij vraagt aandacht voor het risico van een te euforische “Het zal wel goed komen - sfeer". Hij waarschuwt, tussen de regels door, dat de politiek voor je het weet roept dat de natuur “zich zelf wel redt” en onze toewijding en investeringen niet nodig heeft. Dat is in een land als Nederland niet realistisch. Dat is een terechte waarschuwing, waar we ons terdege bewust van moeten zijn.
De NatuurVisie wil de natuur weer middenin de samenleving plaatsen. Dat juichen wij van harte toe: beleven is waarderen, alleen zo kan natuur duurzaam, voor vele generaties behouden worden, mede door ontwikkeling. Maar dit vraagt verantwoorde afwegingen en alertheid, opdat het kind niet met het badwater weggegooid wordt.

En ten slotte: natuur vraagt ruimte. Niet alleen in ruimtelijke sfeer, maar ook in de hoofden van degenen die hiermee te maken hebben: politiek, ontwerpend, beheersmatig, wetenschappelijk en natuurlijk: genietend van wat we allemaal kunnen meemaken, nu en (heel veel) later.

Genootschap voor Natuurontwikkeling: Hans Kampf, Willem Overmars, Jos Rademakers, Daphne Willems.

Is natuurontwikkeling een geloof? Geef natuur de ruimte!

Er is veel misverstand over de Oostvaardersplassen (OVP). De natuurontwikkeling in dit gebied zou niet functioneren. Er ontstaat een grote steppe, alle bomen gaan dood, de dieren lijden en sterven bij bosjes. Wat is daar nu werkelijk aan de hand:

-

Dit gebied is de natuur in de schoot geworpen bij het droogvallen van de Zuidelijke Flevopolder

-

De natuur nam het proces in eigen hand, en liet de inpolderaar, c.q. de RIJP zien dat menselijk ingrijpen (beheer) niet nodig is als je voldoet aan een paar criteria, waarvan de inzet van grote grazers er één is.

-

Echter: de OVP heeft zich ontwikkeld op de laagste plek van de Flevopolders en is erg eentonig van bodemopbouw: een meters dikke laag klei, met hier en daar een hoop zand, daar voor het droogvallen terecht gekomen bij het uitgraven van de vaarten. De aardkundige potentie is daardoor veel minder dan elders in ons land, zoals langs de rivieren.

-

Is dit erg, nee. Want het is het enige gebied in Nederland en Europa waar op een schaal van > 5000 ha natuurlijke processen in zeer hoge mate de vrije hand gegeven kan worden. Dit is uniek , en is – hoewel er internationaal grote belangstelling voor is - elders in Europa nog niet nagedaan. We hebben hier kunnen leren wat de veerkracht is van de natuur, wat de mogelijkheden zijn om de natuur na eeuwenlange inperking door ontginningen en landbouwkundig gebruik weer zich zelf te laten zijn. En dat de natuur niet alleen afhankelijk is van natuurbeheer, feitelijk het voortzetten van eeuwenoude agrarische (oogst)technieken.

-

Op basis van dit inzicht is door het parlement in het Natuurbeleidsplan van 1990 als een nieuwe ontwikkeling vastgesteld om – naast de half-natuurlijke natuur - ook zo natuurlijke mogelijke natuur te ontwikkelen. Dit heeft vooral in het rivierengebied en in de delta (o.a. in de Biesbosch) tot een schwung geleid van natuurontwikkelingsactiviteiten, die gefinancierd konden worden doordat hierdoor ook andere doelen, zoals veiligheid tegen overstromingen (zie wat er thans in Engeland gebeurt) en grondstoffenwinning worden gerealiseerd.

-

Natuurontwikkeling vraagt ruimte en geduld: natuur heeft ruimte en verscheidenheid (bodem, water) nodig, de natuurlijke processen vragen veel tijd en die tijd moeten ze ook krijgen. Vergelijk dit maar met de groei van een boom: het duurt meerdere eeuwen om een plank van kwalitatief hoogwaardig eiken- en essenhout te produceren. Maar iedereen wil vandaag al de resultaten zien: de OVP is nog geen 50 jaar oud, de begrazing is daar pas sinds begin 80-er jaren!

-

Wat je wel ziet, en dan komen we nog even terug op de bodem: de ontwikkelingen langs de rivieren gaan veel sneller. De bodem is daar door de eeuwenlange rivierprocessen veel gevarieerder van opbouw: klei, zand, veen, kalkrijk/kalkarm etc. Maar daar is het veel moelijker om de grootschaligheid te realiseren, die ruimte geeft voor de complete set van natuurlijke processen. Het leven is nooit helemaal ideaal.

Hans Kampf (Gepensioneerd senior-beleidsmedewerker Natuurbeheer bij het ministerie van LNV)