De wind in een doosje doen

Anton Quintana, Bod Pa. Uitgeverij Querido, 291 blz., f34,90
OMVANGRIJKE boeken, groot opgezette verhalen waar een kind in kan verdwijnen om er dagen later wazig weer uit op te duiken, worden in ons land weinig meer geschreven. Onder invloed van de beeldcultuur lijken de boeken steeds dunner en de plaatjes steeds talrijker te worden. Literaire prijzen zijn de afgelopen tien jaar vooral gegaan naar de meesters van het kleine, naar korte baanschrijvers als Joke van Leeuwen, Toon Tellegen, Margriet Heymans, Anne Vegter en Max Velthuijs. Het echte leesboek hoort zo langzamerhand op de lijst van bedreigde soorten.

Na 1945 is het vooral Tonke Dragt die het genre beheerst, maar ook Anton Quintana schrijft het soort verhalen waar ik op doel: lang van adem, ver van de hedendaagse realiteit gesitueerd en avontuurlijk in die zin dat het onbekende gretig wordt opgezocht. Quintana heeft drie jeugdromans op zijn naam - Padjelanta (1973), De bavianenkoning (1982) en De vuurman (1987) - en na een lange stilte ligt er nu Bod Pa, driehonderd bladzijden dik en een boek om je tanden in te zetten. In verhouding tot de omvang gebeurt er eigenlijk niet zo veel in: een jongen trekt een tijdje op met een man en leert zo zijn angst voor het leven enigszins te beheersen. De auteur houdt veel in het vage. Waar en wanneer het verhaal precies speelt, zou ik bijvoorbeeld niet kunnen zeggen. In elk geval bij een nomadenstam op de steppen van Centraal Azie en in een tijd dat er nog zwaardvechters rondtrokken die een leven lang doende waren met het verdedigen van hun eer.
EEN VAN HEN is Bod Pa. In verhouding tot de perfect geboetseerde helden van film en televisie is hij een onwaarschijnlijke verschijning: een blinde, verkreukelde dwerg, een alcoholicus met ‘ongeveer de lengte van een zwaard’, maar in het gevecht nog nooit verslagen. Het staal waarmee hij al zijn eerbiedwaardige tegenstanders naar een andere wereld helpt, zit verborgen in een onooglijke stok. Bod Pa is ook een wijze en misschien wel heilige man, een sjamaan. Daarom wordt hij door de bevriende leider van een herdersvolk te hulp geroepen bij de problemen van diens zoon Perregrin.
De jongen heeft een gebroken been dat niet wil genezen. Hij grijpt dit gebrek aan om verantwoordelijkheden te ontvluchten, letterlijk een brekebeen, bang voor de dood en nog meer voor het leven. Van 'die aardappelkabouter’ Bod Pa verwacht de jongen trucs of wonderen. Wat hij uiteindelijk leert, is het lef te hebben om op weg te gaan, dat het beter is 'met butsen in het harnas te staan dan van de strijd geen weet te hebben’.
Om Perregrin tot dat inzicht te brengen is de oude vechtjas onafgebroken in de weer hem uit te dagen en uit zijn tent te lokken. Hij gedraagt zich onvoorspelbaar, maakt onaangename grappen en geeft raadselachtige opdrachten, zoals het breken van de poten van een kauwejong om vervolgens te observeren of en hoe de vogel het redt. Te paard trekken de man en de jongen over de eindeloze grasvlakten. Ze ondergaan de grootheid en de 'verwoestende eenzaamheid’ van de natuur, houden de wilde dieren van zich af met een vuurtje van mest en voeren moeilijke, vaak ook moeizame gesprekken met elkaar.
HET ZIJN DIE gesprekken die het kloppende hart van het verhaal vormen. Met toenemende vasthoudendheid bevraagt de jongen zijn reisgenoot over de dood, over wijsheid en waarheid, over de zin van het leven en of er ook nog wat te genieten valt. O ja, meent Bod Pa: muziek, verhalen vertellen, jagen en vissen, lachen, bij een vuur zitten en vrijen. Echt mededeelzaam is de oude niet. Hij verbergt zich achter zelfspot en geheimzinnigheid. Wanneer hem bijvoorbeeld wordt voorgelegd wat er van de liefde te verwachten valt, luidt het antwoord: 'Als je liefhebt, alles. Als je niet liefhebt, niets.’
Onverhoeds doet hij behartenswaardige uitspraken, gepresenteerd als een soort aforismen: 'Roem is een mooi pak dat anderen je aantrekken’ of 'De zin van het leven willen begrijpen, dat is de wind in een doosje willen doen.’ Iets langer van stof is de dwerg als het om de dood gaat: 'De dood is niet iets om bang voor te zijn, maar ook niet iets om naar uit te zien. Jou wacht nog een teleurstelling als het eenmaal zover is. Zie je, de dood stelt veel minder voor dan jij denkt. De dood is een uitgedoofde kaars, meer niet. Het licht is een wonder, maar het uitdoven is niets.’
Soms schemert achter de gesprekken de therapeut die zijn client via confrontatie inzicht in zijn eigen situatie en drijfveren geeft. Meer nog is Bod Pa de meester die zijn levenservaring deelt met een gezel, met een mens in opleiding. Hij is de figuur die veel jongens wel als vader zouden willen. Interessant is daarom dat de echte vaderfiguur wordt neergezet als niet ongeschikt, maar wel onbereikbaar. Hij is iemand die juist een talent voor het leven heeft, weloverwogen handelt en ook anderen, uitgezonderd zijn zoon, kan helpen om de juiste beslissingen te nemen. Mooi speelt ook de vriendschap tussen beide oudere mannen een rol, iets waarbij Perregrin zich aan twee kanten buitengesloten voelt. De twee volwassenen belichamen de keuzemogelijkheden die er voor een jongen zijn: of huisvader of zwerver worden. Waar het voor Perregrin op uitdraait, blijft open. In elk geval verwerpt hij de derde mogelijkheid, niet kiezen en een jongen blijven.
QUINTANA’S jeugdromans zijn uitzonderlijk consistent qua thematiek, levensvisie en verhaalfiguren. Eigenlijk zijn het allemaal initiatiegeschiedenissen. Altijd gaat het om een jeugdige eenling, een buitenstaander of zelfs een outcast die de strijd met zijn omgeving en vooral met zichzelf aangaat. Perregrin, of Pelgrim zoals Bod Pa hem spottend noemt, is een reiziger in een vreemd land, het land van de volwassenen. Dat land wordt overigens bevolkt door mannen, alleen in de marge scharrelt wel eens een vrouwspersoon rond. De cultuur is de Spartaanse, van tanden op elkaar. Ontberingen zijn leerzaam en ieder mens moet die alleen doorstaan.
Terugkerend is de figuur van de wijze oudere, die alle beslissingen al een keer heeft genomen en alle fouten al een keer gemaakt. In Padjelanta, waarin een Zweedse student zich in de eenzaamheid van de toendra’s bezint op het bestaan, is het een Lapse jager, ook met de gestalte van een dwerg. In De bavianenkoning trekt een jongen die half Kikoejoe, half Masai is en daarom nergens thuishoort, zich terug in de wildernis. Zijn leermeester in het overleven is een grijze baviaan. En in De vuurman wordt Michiel roverhoofdman tegen wil en dank van een bokkerijdersbende. Grote invloed op zijn beslissingen heeft een mysterieuze, cynische en drankzuchtige muzikant, die zowel de rol van goede als kwade genius vervult.
Leven leer je alleen door het te doen, is de boodschap. De naieve stelligheid waarmee sommige wijsheden worden geponeerd, zal volwassen lezers mogelijk de wenkbrauwen doen fronsen. Mijns inziens maakt dit Quintana tot auteur voor jongeren bij uitstek. Met de vraagstukken van het menselijk bestaan houdt die leeftijdsgroep zich immers gretig bezig: daar gaan we met zijn allen eens goed voor zitten en desnoods bomen we door tot het ochtendgloren. Bij deze grote vragen en diepe gedachten in een avontuurlijke jas moeten velen zich thuis voelen. Bovendien is Bod Pa een intrigerende figuur met een nooit helemaal ontsluierd geheim en het naar hem genoemde verhaal is voor een belangrijk deel meeslepend geschreven.
Jammer genoeg weet de schrijver de vaart en innerlijke spanning niet altijd door te trekken. Zijn verhaal bestaat uit pieken en dalen. Na een buitengewoon suggestief begin duurt het bijna vijftig bladzijden voor de eerste confrontatie tussen de hoofdrolspelers plaats vindt. En voor de apotheose in het laatste kwart van het boek moet de lezer eerst een trage opmaat door. De zwakkere gedeelten lijden onder breedvoerigheid en onder het willekeurig verspringende vertelperspectief, wat identificatie hindert.
Op de toppen schittert Quintana’s verhaal echter met kleine observaties als hoe het vuur na lang branden 'door zijn hurken zakt’ en hoe Bod Pa, die oud wordt, 'op de naden begint te barsten’. En de gepassioneerde passages over de kleinheid van de mens naast de grootsheid van de natuur overstijgen met gemak het obligate geschrijf over strakblauwe hemels en sterrengepinkel. Zo is er anderhalve barokke bladzijde aan de wind gewijd: 'En altijd was er de wind. De wind van de velden, een rabauw, een vandaal, een brokkenmaker, die het ene moment hoog aan de hemel de wolken uit elkaar rafelde en het volgende moment het gras op de heuvels platstampte. De wind die een muzikant was en niet slechts de “grasharp” bespeelde, maar ook wondermooie klanken wist te ontlokken aan de holtes van doodgebliksemde bomen. De wind, die om je heen bleef tollen tot je op het laatst - te bekaf om nog te kunnen schelden - zo maar ergens ging liggen, als het maar uit de wind was. De wind van de velden, van wie je nooit zou verwachten dat hij aan windstilte deed, tot het onwaarschijnlijk kalm werd om je heen - en waar was de wind dan gebleven?’ En zo nog vier van deze alinea’s.
MAAR QUINTANA’S eigenheid ligt toch in de manier waarop hij de loner neerzet, met begrip, mededogen en respect. In het voetspoor van de door het leven getekende dwerg zet een beginnend mens zijn aarzelende stappen. Die zouden best eens in een goede richting kunnen gaan, want hij heeft in elke geval de moed gehad om vragen te stellen.
Het beeld van gedeelde alleenheid wordt versterkt door een wolf en een raaf, die met Bod Pa meetrekken. Beide werken aan hun imago van onafhankelijkheid: ze hebben met niemand iets te maken en gaan hun eigen weg, maar op cruciale momenten nemen ze het voor elkaar op. Na een van de schaarse wezenlijke contacten tussen meester en leerling duwt de wolf even zijn neus in Perregrins gezicht. Het is de heftigste emotie die de jongen (en de lezer) is gegund - in het land en de tijd van mannen, zwaarden en wolven zijn gevoelens immers ongepast - maar daardoor komt hij des te harder aan.