De winnaars

HANOI - ‘Doi Moi is prostitutie’, zegt Oom Binh in gebroken Frans. ‘Vietnam verkoopt zich aan de hoogste bieder.’ Zijn stem klinkt broos, maar met zijn doorschijnende huid, diepliggende ogen en dunne stoppelhaar is hij een toonbeeld van onverzettelijkheid. Hij is 72 en veteraan van alle oorlogen van de laatste vijftig jaar: de bevrijdingsoorlog tegen de Fransen, de bommentapijten van Lyndon B. Johnson, de verovering van Saigon. ‘Hier, langs de oever, lagen betonnen schuttersputjes waarin we bescherming zochten voor de bommen.’

We delen een bank bij Ho Hoan Kiem, het Meer van het Teruggenomen Zwaard. Een betere inwijding in dit land is ondenkbaar. Jaren heb ik ervan gedroomd Vietnam te bezoeken en nu lijkt het wel of ik niet meer kan ontwaken. Het blauwe meer met de twee tempeleilanden en het omringende park, ingeklemd tussen drukke verkeersaders, is het hart van Hanoi. Overdag vind je er vooral toeristen, pauzerende ambtenaren en minderjarige straatverkopers. ’s Avonds behoort het toe aan ouderen zoals Binh. In hun pyjama’s sloffen ze zonder op- of omkijken door het chaotische verkeer naar hun bankje. Of ze laten zich zakken in de hurkzit die Vietnamezen uren kunnen volhouden. Ze brengen de avond door met roken, schaken, anekdotes ophalen en mopperen op de jeugd. BINH IS gespecialiseerd in het laatste. Hij houdt de aangeboden sigaret tussen zijn smalle vingertoppen als was het een dirigeerstokje: ‘Hanoi lijkt op Saigon in 1975. Een bordeel. Die jongens’ - de sigaret draait naar een straatverkopertje dat zijn geld telt - 'verkopen hun eigen zuster voor een paar dollar. Hebben we daarvoor gevochten?’ Voordat ik hem vuur geef, zwaait de sigaret nog even omhoog. 'Nee. Het Vietnamese volk heeft gevochten voor zijn zelfrespect.’ Hij zuigt de rook diep in zijn longen. Naast zijn bank staan twee houten krukken. De linkerpijp van zijn pyjama hangt slap naast de rechter. Is hij zijn been kwijtgeraakt door een bom, een mijn, gangreen? Ik dring niet aan, want hij heeft nog meer op zijn lever. 'De discipline verslapt. Jongeren leren niet meer wat werken is. Ze vergeten hun familie en hun volk, en willen alleen maar rijk worden. De boeren sturen hun kinderen naar de stad. U ziet wat er van ze terechtkomt. Ze zeggen dat ze hun schoolgeld verdienen, maar dat is een smoes voor toeristen. Ze vergokken hun geld of ze kopen er drugs voor. Ik ben communist en ik begrijp de nieuwe politiek, maar…’ Hij blaast de rook uit zijn smalle borstkas, wrijft achter zijn oor en kiest de neutrale toon die Vietnamezen voor een vernietigend oordeel reserveren: 'Ik heb mijn twijfels.’ Achter ons raast een horde scooters voorbij; de jongens met open overhemd en zonnebril, hun giechelende vriendinnen in korte broek achterop. 'Ik zal u een neergestorte B52 laten zien’, zegt Binh. Ik bedank beleefd en zeg dat ik die al gezien heb. De foto van het fameuze wrak - een van de toestellen die de Vietnamezen tijdens het kerstbombardement van 1972 neerschoten - kan ik dromen. Ik geef de voorkeur aan de zonsondergang. Onze rook vermengt zich met de geur van water, citroen, jasmijn en de ijle walm van twee miljoen houtskoolcomforts. Ik volg de schimmen van de wandelaars op The Huc, de roodgelakte brug die de tempel van de Jade-berg met de wal verbindt. 'Discipline…’ begint Binh, maar een jongetje van een jaar of vier trekt aan zijn mouw. Oom Binh moet meekomen. Hij drukt de sigaret uit met zijn tanige rechtervoet, zijn beide handen om de leuning geklemd om kracht te kunnen zetten. Hij knikt aandachtig ten afscheid en hinkelt op zijn krukken de straat over terwijl het nieuwe Vietnam om hem heen raast. HET SERENE, in zichzelf gekeerde Hanoi waarvoor hij heeft gevochten, wordt opgeslokt door een lawaaierige boomtown van kantoorflats, luxehotels en toeristenwinkels. Door alle buitenlandse deviezen, luxegoederen en media-invloeden (elk zichzelf respecterend hotel in Hanoi heeft CNN) verzwakt het morele gezag van ouders en partijkaders, vooral onder jongeren. Illegale loterijen, drugspanden en messianistische sekten schieten als paddestoelen uit de grond. Intussen groeit het verschil tussen arm en rijk, ook in de Partij. Een enquête wees een paar jaar geleden uit dat de rijkste inwoners van Hanoi allemaal hebben gestudeerd, hetgeen betekent dat ze kinderen van prominente partijleden zijn. Veteranen als Binh kunnen van hun uitkering nauwelijks rondkomen. Vroeger konden ze terugvallen op hun coöperatie. Ook als ze langdurig aan het front verbleven, was hun gezin verzekerd van een inkomen of ten minste een gevulde rijstkom. Maar de oorlogseconomie, gebouwd op solidariteit en opoffering, bleek niet bestand tegen de vrede. De collectieve landbouw werd een mislukking en het land balanceerde op de rand van de hongersnood. De industrie draaide op slinkende sovjethulp, de export was nihil. Toen de Russisch-gezinde partijleider Le Duan in 1986 overleed, was het hoog tijd voor Doi moi, oftewel 'vernieuwing’. Oftewel aanpassing aan de eisen van de wereldmarkt en het IMF. Vietnam had geen keus. In de woorden van de nieuwe partijsecretaris Nguyen Van Linh: 'Het wordt vernieuwen of creperen.’ De planeconomie werd afgeschaft, de landbouw geprivatiseerd. De voedselproductie steeg explosief en Vietnam kon weer landbouwproducten gaan exporteren. Volgens IMF-recept werden de lonen verlaagd in de hoop dat buitenlandse investeerders hier hun geluk wilden beproeven. De trots van de Bo doi (Noorderlingen) kreeg een gevoelige klap. De grootste investeerders waren Chinezen uit Singapore en Taiwan, merendeels vluchtelingen uit het 'decadente’ Saigon van vóór 1975. Ze worden tandenknarsend geduld en de verachting is wederzijds. De teruggekeerde Chinezen gedragen zich als bezetters. De vrouwen winkelen ostentatief met hun goldcards. De mannen, gestoken in pakken van Britse snit, laten zich door uitgemergelde fietstaxirijders van airconditioner naar airconditioner slepen. Als toppunt van onbeschoftheid plukken ze hun Vietnamese maaltijden zorgvuldig uit elkaar, alsof ze er onwelvoeglijke bestanddelen in vermoeden. De Chinezen werden op ruime afstand gevolgd door Japanners, Fransen en - na het herstel van de betrekkingen in 1995 - Amerikanen. De buitenlandse investeringen zijn gestagneerd rond de drie miljard dollar, maar ze hebben een onstuitbare dynamiek op gang gebracht. Het platteland verpaupert, de steden stromen vol met nieuwkomers, merendeels kinderen. Net als in veel andere ontwikkelingslanden, van Brazilië tot Iran, is de demografie een revolutionaire factor. Volgens voorzichtige schattingen (de laatste volkstelling is alweer lang geleden) is de helft van de Vietnamezen onder de twintig. De jongeren domineren het straatbeeld, overdag als energieke verkopers en bestellers, ’s avonds als uitgelaten consumenten, rondscheurend op Suzuki’s of nippend van de duurste sapjes bij een popconcert in het buurtcentrum. De meesten weten precies wat ze willen. 'DOI MOI betekent vrijheid’, zegt Phan. 'De vrijheid om te doen waar een mens het best in is: kopen en verkopen. Dat is een natuurwet.’ Hij is twintig en werkt in een staatsrestaurant. In tegenstelling tot de meeste eettentjes, die bestaan uit een soort opengebroken voorkamer, heeft het restaurant vensters aan de straatzijde en een glazen toog. De vloer is betegeld, de wanden zijn grijs gepleisterd en het stinkt er niet. Phan draagt een smetteloos overhemd. Hij verdient een dollar per dag en kan hier levenslang blijven als hij wil. Hij is het niet van plan: 'Ik ga het helemaal maken. Je hoeft geen partijlid meer te zijn als je vooruit wilt komen. Capaciteiten, daar gaat het om. Alle jongeren volgen wel een of andere marketing-opleiding. Iedereen wil eigen baas zijn. Geld verdienen is het middel, het doel is onafhankelijkheid. De mens moet vrij zijn.’ Hij zuigt gretig aan zijn beleefdheidssigaret: 'Westerse kwaliteit.’ Phan is bijna klaar met zijn cursus marketing; daarna gaat hij in de textiel. Hij wil met de ao dai - de Vietnamese avondjurk, bestaande uit een wijde lange broek en een tuniek met hoge split - alle catwalks van New York en Tokio veroveren. Aan een hoektafel zitten drie politieagenten hun ontbijtsoepje te lepelen. Hun petten liggen op de vloer naast hun uitgeschopte schoenen. Ze roepen om thee, maar Phan negeert hen. Het zijn vaste klanten die hier elke middag tegen gereduceerd tarief eten. 'Een carrière bij de politie, dat schiet niet op’, zegt hij met een knikje in hun richting. Het grote geld lokt, hij geeft het grif toe. Maar hij ziet dat niet als een verraad aan de idealen van de vorige generatie. 'Ze noemen ons ondankbaar, maar dat doen ouders altijd. We respecteren hen en ze weten het. Zie je ooit een scooter tegen een bejaarde aanrijden? Zoals zij vroeger voor de onafhankelijkheid moesten vechten, zo vechten wij nu voor grotere welvaart. Als we dat niet doen, hebben zij voor niets gestreden.’ HELAAS, IEMAND anders is hem voor geweest. Het modehuis BB Company in Saigon krijgt als eerste toestemming om modeshows te organiseren, aldus mijn gastkrant, de Vietnam Investment Review. Het weekblad is in 1991 opgericht door het ministerie van Planning en Investeringen (MPI), in samenwerking met Australian Consolidated Press, de grootste Australische uitgever na Murdoch. De Engelstalige Review is het vlaggeschip van de Doi moi. Het redactiepand staat in een compound van het ministerie aan een van de grote boulevards. Ertegenover staat het gebouw van de concurrent, de Vietnam Economic Times, eveneens geproduceerd in samenwerking met het ministerie. Binnen is het koel. De plafonds zijn hoog, de hanebalken gelakt en de muren naadloos witgesausd. Op de vloer liggen duimendikke tapijten. Ik word opgewacht door Nguyen Huu Loan, de assistent van de hoofdredacteur. Hij heeft mijn komst voorbereid en mijn visum geregeld. Voor zover bekend ben ik de eerste buitenlandse journalist die bij de Review is uitgenodigd. Hij neemt de tijd voor me, hoewel het vrijdag is en de krant vandaag zakt. Trots toont hij de grote redactieruimte. Twintig redacteuren werken er fulltime. De nadruk ligt op economisch nieuws. Het Vietnamese gedeelte schrijven de redacteuren zelf, vertelt hij. Het buitenlandse nieuws en de beursberichten halen ze van de AFP-telex. Boven een kop thee aan zijn onwaarschijnlijk ordelijke bureau, één verdieping hoger, voeren we een landerig gesprek. Mijn jetlag slaat toe. Loan lacht omdat hij met mijn Engels worstelt en ik met het zijne. 'We staan er sinds kort alleen voor’, zegt hij. 'ACP heeft de samenwerking opgezegd. Toch loopt de krant goed. Een oplage van zestienduizend, waarvan drieduizend buitenlandse abonnees. Het resultaat kun je natuurlijk niet goed meten, ik bedoel in de vorm van binnengehaalde investeringen. Maar door die joint-venture met ons hadden de Australiërs een bevoorrechte informatiepositie.’ Loan knipoogt: 'Misschien verwachtten ze een ander soort resultaat.’ Hij nodigt me omstandig uit zijn huis te bezoeken, waarop ik dankbaar inga. Voorzichtig breng ik het gesprek op Nguyen Tri Dung, de hoofdredacteur. Over Dung spreken de medewerkers met het grootste ontzag, heb ik gemerkt. Bij iemand in zijn positie loop je niet zomaar binnen. Hij is dezer dagen in druk overleg gewikkeld met de Culturele en Ideologische Commissie van het Centraal Comité. Als ik mijn vragen aan hem op papier zet, kan ik hem misschien in de loop van volgende week te spreken krijgen. Tot die tijd kan ik nog niet op pad met een van de journalisten van de Review, zoals ik graag zou willen. Loan zit ermee verlegen. Ik stel hem gerust; in deze stad zal ik me niet gauw vervelen. 'BONJOUR!’ Een kleine parmantige man met dikke brilleglazen komt binnen en zet zich aan een belendend bureau. Kim Ngoc (50) is redacteur van Vietnam Scoop, een Franstalig maandblad, ook van dezelfde uitgever. 'Een belangrijk blad’, legt hij uit: 'We krijgen hier massa’s Fransen over de vloer die zich afvragen of wij werkelijk zaken met hen willen doen na alles wat er is gebeurd. Ze gaan gebukt onder schuldbesef. Wij hebben daar geen last van. De Vietnamezen hebben altijd precies geweten wie hun vrienden waren, ook in het vijandelijke kamp. Tijdens de bevrijdingsoorlog hadden wij talloze Franse vrienden. Als partijlid mocht ik ze soms ontvangen. Schrijvers, journalisten, priesters. Nu onthalen we Franse zakenlieden in dezelfde sfeer van wederzijds respect. Ons probleem is niet de relatie met onze vroegere vijanden, maar de overgang van oorlogstijd naar vredestijd. Daar leg ik de nadruk op als ze beginnen over mensenrechten. Alles op zijn tijd.’ Ik besef dat ik getuige ben van een kleine cultuurstrijd. Ngoc spreekt schitterend Frans. Loan, met zijn Russische ingenieursopleiding, werkt aan zijn Engels. Loan rookt niet vanwege zijn gezondheid. Ngoc houdt zijn sigaret vast tussen duim en wijsvinger met het gloeikegeltje omhoog, als een lycéen. 'Ik ben katholiek opgevoed’, zegt hij. 'Mijn vader doceerde Frans in Hanoi, zelf heb ik in Parijs gestudeerd. Ik bewonder de Franse cultuur, ken een hoop chansons uit mijn hoofd. Het is niet alleen een kwestie van opvoeding. Tegenover de Amerikaanse en Chinese invloed vormt de Franse traditie een tegenwicht, une certaine idée d'autonomie. Hoewel mijn twee dochters op school Engels leren, hoop ik dat ze nog eens goed Frans zullen leren. En nu wilt u mij wel excuseren. Ik moet aan het werk.’ Gedecideerd duikt hij achter zijn tekstverwerker. LOAN HERHAALT nog eens zijn uitnodiging en doet me uitgeleide. Ik haast me om voor de middagsluiting een bank te vinden, maar al na een paar passen sta ik te tollen in de hete middagzon. Ik moet leren wachten; alles heeft hier zijn tijd. Terwijl ik mijn doorweekte das losknoop, zie ik een stokoud vrouwtje onder een juk met twee loodzware manden voetje voor voetje oversteken. Behendig schieten de scootervandalen links en rechts aan haar voorbij. Allemaal kijken ze over hun schouder om zeker te zijn dat ze haar niet geraakt hebben. Vraag me niet om het uit te leggen, maar opeens begrijp ik hoe de Vietnamezen al die oorlogen hebben gewonnen.