De wispelturige mens

DAVID HUME
TRAKTAAT OVER DE MENSELIJKE NATUUR
Ingeleid, vertaald en geannoteerd door F.L. van Holthoon, Boom, 620 blz., € 49,90
DAVID HUME
A TREATISE OF HUMAN NATURE. A CRITICAL EDITION, 2 VOLS.
Edited by David Fate Norton & Mary J. Norton
Clarendon Press, 1173 blz., € 165,-

F.L. VAN HOLTHOON
EEN DIALOOG OVER DAVID HUME.
OVER ZIJN HERSCHRIJVING VAN HET TRAKTAAT OVER DE MENSELIJKE NATUUR
Boom, 224 blz., € 14,95

De Schotse filosoof David Hume (1711-1776) leek in geen enkel opzicht op hedendaagse intellectuele coryfeeën als Paul Scheffer of Bernard-Henri Lévy. Niet alleen was hij een oorspronkelijk denker, ook was hij een allesbehalve fotogenieke verschijning. Vooral als puber moet hij een niet erg aantrekkelijk exemplaar van de menselijke soort geweest zijn, aangezien een vrouwelijk familielid hem omschreef als een ‘fat, stupid lumbering clown’. Wel was hij volgens haar heel gevoelig en beschikte hij over een groot rechtvaardigheidsgevoel, wat zij illustreerde met een opmerkelijke anekdote. Als zestienjarige was Hume uitgenodigd voor een diner bij een voorname dame. Het gezelschap wilde net aan tafel gaan toen men werd overvallen door een ‘hoogst onplezierige geur’. Iedereen wees onmiddellijk naar de hond des huizes, die luisterde naar de naam Pod, en er gingen stemmen op om het afgrijselijk stinkende beest de trap af te smijten. Totdat de rood aangelopen Hume zijn mond opendeed, en stamelde: ‘O, doe het beest toch niets aan. Het is Pod niet, ik ben het.’

Terwijl veel mensen blij zouden zijn geweest dat ze op deze manier uit een uiterst genante situatie worden gered, voelde de toch al weinig populaire Hume zich geroepen de waarheid te vertellen. Zijn eigenbelang werd dus ondergeschikt gemaakt aan zijn gevoel voor rechtvaardigheid, doordat Hume de pas later geformuleerde categorische imperatief van Kant – ‘Handel zo, dat u zou willen dat uw handelwijze tot algemene wet verheven werd’ – zelfs van toepassing achtte op dieren. Voor een filosoof die meestal wordt beschreven als ‘radicale scepticus’ is dit op het eerste gezicht een verbazingwekkende daad.

Andere sceptische filosofen zagen in het egoïsme – of om het wat netter te formuleren: in de menselijke neiging vóór alles te streven naar zelfbehoud – de voornaamste drijvende kracht in de geschiedenis. Voor denkers als Montaigne, Hugo de Groot en Hobbes was dit de hoeksteen van iets wat je met je enige goede wil zou kunnen omschrijven als een universele moraal. Volgens Bernard Mandeville, wiens Fable of the Bees verscheen toen Hume een kind was, zorgden juist menselijke ondeugden als hebzucht en ambitie ervoor dat de maatschappij floreerde en zich steeds vernieuwde.

Net zomin als Hume’s houding tijdens boven vermeld incident simplistisch te duiden was, is zijn filosofie te reduceren tot enkele begrippen of een eenvoudige formule. Zijn bijdrage aan het Verlichtingsdenken is aanzienlijk complexer dan die van veel andere denkers, en meer nog dan voor Rousseau geldt voor Hume dat hij in een aantal opzichten vooruitwees naar de Romantiek.

Het zal dan ook niet verbazen dat er veel verschillende Hume-interpretaties in omloop zijn. Zo bestrijdt het echtpaar Norton, dat de monumentale ‘kritische editie’ van Hume’s hoofdwerk bezorgde, dat hij een echte scepticus was. De Nederlandse vertaler van deze Treatise of Human Nature, F.L. van Holthoon, heeft niet alleen bezwaren tegen hun in zijn ogen al te vrije wijze van tekstbezorging, ook is hij van mening dat Hume wel degelijk een scepticus was. In zijn tegelijk met zijn vertaling verschenen boek Een dialoog over David Hume gaat hij uitgebreid in op de invloeden die Hume heeft ondergaan van andere denkers, en op de ontwikkeling die zijn filosofie doormaakte. Ook geeft hij een overzicht van tal van andere visies op Hume. In zijn onlangs postuum verschenen Lectures on the History of Political Philosophy, die Van Holthoon niet noemt, beschrijft John Rawls Hume min of meer als de grondlegger van het utilitarisme. Terwijl Hume vaak wordt voorgesteld als iemand die het werk van John Locke voortzette, plaatst Rawls hem lijnrecht tegenover sociaal-contractdenkers als Locke en Hobbes.

Hoewel Hume beslist geen duister of chaotisch denker was, heeft hij wel aanleiding gegeven tot deze verwarring. Nadat hij als adolescent een hevige depressie had doorgemaakt, liep hij zich als filosoof niet warm met een aantal bescheiden voorstudies, maar publiceerde hij op 28-jarige leeftijd meteen de eerste twee delen van een allesomvattend meesterwerk, waarna een jaar later deel 3 volgde. Hij had verwacht dat dit Traktaat over het menselijk verstand voor veel opschudding zou zorgen, maar klaagde erover dat het ‘dead-born from the press’ viel. Dit mocht dan wel meevallen, toch zag Hume redenen om deel 1 te herschrijven als An Inquiry Concerning Human Understanding (1748) en deel 3 als An Inquiry Concerning the Principles of Morals (1751). Wat Hume’s redenen waren, en of de herschreven boeken slechts toegankelijker versies waren van zijn oorspronkelijke ideeën, of dat ze daar toch significant van afweken, zijn vragen waarover Hume-vorsers nog altijd debatteren. In zijn boek gaat Van Holthoon hier uitgebreid op in.

Hume’s traktaat heeft de reputatie een ‘moeilijk’ boek te zijn, en inderdaad leest zijn werk minder vlot dan dat van Voltaire of Montesquieu, maar dankzij de uitstekende vertaling van Van Holthoon kan iedereen nu zelf constateren dat Hume prima te volgen is. In deel 1, waarin Hume zijn kennisleer ontvouwt, keert de auteur zich tegen rationalisten als Descartes, Malebranche en Spinoza, en stelt hij dat alle kennis voortkomt uit zintuiglijke waarneming. Ideeën zijn niet meer dan kopieën van onze waarnemingen. Dat wat de rationalisten voor de ‘rede’ of de ‘causaliteit’ houden, is niet meer dan het geloof dat dezelfde verschijnselen altijd hetzelfde patroon volgen. Het feit dat er nooit andere waarnemingen zijn gedaan wil niet zeggen dat die nooit gedaan zullen worden. Ruim twee eeuwen voor Popper stelde Hume dus al dat onze kennis altijd een ‘voorlopig’ karakter heeft.

Deze radicale vorm van empirisme stond uiteraard haaks op de toen nog dominante christelijke leer, en aan het slot van deel 1 wordt duidelijk dat dit Hume vervulde met een zekere mate van wanhoop en melancholie. Hij besefte dat zijn opvattingen vooral tegenstand en vijandigheid zouden oproepen, en tegelijkertijd leidde zijn eigen scepsis tot twijfel, onzekerheid en een ‘troosteloze eenzaamheid’. Maar volgens Hume kon ‘de natuur’ iets wat ‘de rede’, het menselijk verstand, niet kon, namelijk ‘door de wolken te verdrijven en mij te genezen van deze filosofische melancholie en dit delirium. Ontspanning van de geest, werk of een levendige zintuiglijke indruk kunnen deze hersenschimmen tenietdoen.’ Een potje triktrak, lekker eten, kletsen of lol maken met vrienden – dergelijke activiteiten, waarin de menselijke hartstochten zich konden uitleven, bleken krachtiger dan alle hersenspinsels.

De hartstochten staan centraal in deel 2, waarin Hume zijn psychologie uitwerkt. Hij maakt hierin een onderscheid tussen ‘directe’ hartstochten – verdriet, vreugde, hoop en angst – en ‘indirecte’ hartstochten, zoals liefde, haat, trots en nederigheid. Terwijl rationalisten als Descartes en Spinoza van oordeel waren dat de rede onze hartstochten in het gareel moest houden, kwam Hume tot het veel realistischer inzicht dat ‘de rede slechts de slaaf [is] van de hartstochten (en behoort dit te zijn)’.

Dit betekent echter niet dat de mens volgens Hume een redeloos en asociaal wezen is dat slechts zijn dierlijke instincten botviert en geen rekening houdt met anderen. De mens is namelijk in staat de gevoelens en gedachten van anderen te lezen. Dit vermogen duidt Hume aan met het begrip ‘sympathie’. Hierdoor kunnen mensen gevoelens en gedachten uitwisselen en zich gedragen als sociale wezens. Sympathie vormt dan ook het kernbegrip van deel 3, waarin Hume zijn moraalleer uit de doeken doet.

Vroeg of laat gaan mensen beseffen dat puur egoïsme hen niet verder brengt, dat ze zonder elkaar geen aangenaam leven kunnen leiden. Hume’s visie op de mens in zijn natuurlijke staat lijkt op die van Hobbes, maar volgens hem is er geen absoluut gezag nodig om ervoor te zorgen dat de mensen op een fatsoenlijke wijze met elkaar omgaan. Er is een staat nodig om de onderdrukking van het individu te voorkomen, maar de samenleving als geheel vormt een soort morele economie die haar eigen rechtsregels en politieke instellingen ontwikkelt.

Omdat uit Hume’s kennisleer bleek dat mensen erg gevoelig zijn voor indrukken en zich hierdoor op sleeptouw laten nemen, zijn ze vaak ook erg wispelturig. Omdat ze de ene keer dit denken en de andere keer weer iets anders, is het gevaar groot dat de politiek een speelbal wordt van steeds wisselende inzichten. Om dit tegen te gaan hechtte Hume erg veel belang aan conventies. Traditie vormt een solide buffer tegen de snel fluctuerende publieke opinie. In politiek opzicht was Hume dus een conservatief, wat voor Jonathan Israel een van de redenen is om hem niet op te nemen in zijn heldengalerij van grote Verlichtingsdenkers. Wie echter de afgelopen jaren met gefronste wenkbrauwen niet alleen de vaderlandse maar ook de internationale politiek heeft gevolgd, zal moeten toegeven dat Hume’s denken in ieder geval in dit opzicht verrassend actueel is.