Raciale segregatie in Baltimore

De witte L en de zwarte vlinder

De Black Lives Matter-demonstraties vestigen de aandacht op de diepgewortelde raciale ongelijkheid in Amerikaanse steden, waaronder Baltimore. Hoe komt een stad ruim een eeuw van rassenscheiding te boven?

Zwarte wijk in Baltimore, Maryland, juli 1938 © John Vachon / Library of Congress

De beelden van de Black Lives Matter-protesten en de dood van George Floyd doen denken aan Baltimore, de stad die vijf jaar geleden het toneel was van hevige protesten na de dood van Freddie Gray, die zijn nek brak tijdens zijn arrestatie. Baltimore is de stad van The Wire, de hbo-serie die in vijf seizoenen de corruptie, criminaliteit en armoede daar lieten zien. De stad die Donald Trump recent omschreef als een door ratten geteisterd hellegat. De stad waar schrijver Ta-Nehisi Coates opgroeide en zich staande hield te midden van ‘pistolen, vuisten, messen, drugs, verkrachting en ziekte’, zoals hij in zijn boek Between the World and Me schrijft.

Maar Baltimore is niet alleen misère. Het is ook een stad van sterke gemeenschappen, een stad waar bewoners terugvechten en ook nu weer de straat op gaan. Tegen politiegeweld, tegen institutioneel racisme. ‘We beginnen bij het politiesysteem, maar we moeten ook kijken naar de gezondheidszorg, het onderwijssysteem, de publieke voorzieningen, voedsel en werk’, zei demonstrant Caitlin Shook tegen cbs. Waar begin je in een stad die zo gekleurd is door een racistisch verleden? Een stad die zo verdeeld is?

In Baltimore is de ongelijkheid in asfalt en beton gegoten. De stad is verdeeld in wit en zwart, in kansrijk en kansarm. Ik bezocht Baltimore vorig jaar voor een uitwisseling tussen studenten van de Rotterdamse Academie van Bouwkunst en Morgan State University, en de verdeeldheid sprong direct in het oog. Op een zondagochtend zette de bus vanuit New York me af bij het Greyhound-station, aan de rand van de stad. Ik was op weg naar mijn verblijfadres in Pigtown, een wijk ten westen van het centrum, aan ‘de verkeerde kant’ van Martin Luther King Boulevard. De snelweg die vernoemd is naar de legendarische burgerrechtenactivist verdeelt de stad in twee. Ik stak de drukke weg over, liep langs een verlaten industrieterrein naar de woonwijk. Ik zag dichtgetimmerde woningen, zwartgeblakerde kozijnen, verzakte stoepjes, stegen vol achtergelaten huisraad en een verregende knuffel onderaan een lantaarnpaal. Hier was een kind gestorven. ‘Dit is een no-shoot zone’, stond met dikke letters op het schoolplein gekalkt. Alsof ik – letterlijk – in een scène van The Wire was beland.

Pigtown, nu een van de weinige gemengde wijken van de stad, was het eerste zwarte getto van Baltimore. In 1892 beschreef een lokale reporter met nauwelijks verholen sensatiezucht de open riolen, de stegen vol afval, de ondergelopen kelders, de schaars geklede en grofgebekte vrouwen in de deuropeningen. Uit de woorden van de verslaggever sprak afkeer en angst voor de ‘villainous looking negroes who loiter and sleep around the street corners and never work’.

Twee dagen later pakte ik de bus naar Roland Park, veertig minuten naar het noorden. Roland Park is een van de eerste suburbs van Amerika. De buitenwijk dateert van eind negentiende eeuw en bestaat uit vrijstaande villa’s in een hedendaags Disney-landschap, compleet met herten in het struikgewas, knalrode kardinaalvinken, joggende bejaarden, en overal keurig onderhouden gazons, sommige met ‘Black Lives Matter’-bordjes erop. Roland Park is ook uitgesproken wit. Het was zelfs de eerste wijk waar zwarte Amerikanen en later ook joden actief werden geweerd via verkoopcontracten.

Twee wijken, twee uitersten. De stad lijdt nog altijd onder de erfenis van het stelselmatig buitenspel zetten van een groot deel van de bevolking. Volgens Princeton-onderzoekers is het een ‘hyper-gesegregeerde stad’, waar zwarte inwoners een hoge mate van sociale isolatie ervaren, en hoge concentraties van armoede en achterstand. Behalve arm is de stad ook gewelddadig: in 2019 werden 348 mensen vermoord. Gemeten naar het aantal inwoners was dit het dodelijkste jaar ooit. Voor het perspectief: het jaar ervoor telde heel Nederland 119 moorden.

In Roland Park is het geweld ver weg. De wijk ligt in het noordelijkste puntje van ‘the white L’, het witte, welvarende deel van Baltimore: een L-vormige lijn die de stad doorklieft, er letterlijk een tale of two cities van maakt. Daaromheen ligt ‘the black butterfly’. De vleugels van de zwarte vlinder bestrijken de zwarte wijken van Oost- en West-Baltimore. Die zwarte vlinder en witte L bestaan niet alleen op papier. Hoogleraar Lawrence Brown van de Morgan State University in Baltimore bedacht de termen en koppelde de demografische scheidslijnen aan de hoogte van huizenprijzen, bankleningen en overheidsinvesteringen.

Brown maakte een lange lijst van privileges die inwoners van de witte ‘L’ wél en die van de zwarte vlinder níet genieten: van de aanwezigheid van bankfilialen en goed gesorteerde supermarkten tot aardige politieagenten, belastingvoordelen en goede scholen. Hoewel ruim zestig procent van de Baltimoreans zwart is, ontvangen wijken die voor minder dan de helft uit Afro-Amerikanen bestaan bijna vier keer meer investeringen, blijkt uit recent onderzoek van het Urban Institute. Zo besloot Larry Hogan, de gouverneur van de staat Maryland, in 2015 dat er wel een nieuwe verbinding vanuit de welvarende buitenwijken naar Washington D.C. zou komen, maar zette hij een streep door de geplande metrolijn die het arme West-Baltimore beter met het centrum zou verbinden.

Wie strikt binnen de L blijft, ziet prachtige brownstones in plezierige wijkjes, authentieke industriële bakstenen panden met koffiezaakjes en lunchrooms, een drukbezochte binnenhaven waar je op drakenbootjes rond kunt peddelen. Maar even daarbuiten is de idylle ver te zoeken. Op zaterdagmiddag stond ik twintig minuten op de bus te wachten, randje downtown. Achter de halte lagen twee daklozen, eentje lachte hysterisch, de ander zat een papiertje achterna dat danste boven een ventilatieschacht. De opioïdencrisis heeft hier hard toegeslagen; Baltimore heeft de meeste drugsdoden van het land. Vanuit de bus zag ik zwarte mannen in portieken liggen, niet opgekruld onder een deken voor een dutje, maar met hun gezicht op het koude beton, alsof ze ter plekke waren neergestort. Ik zag vervallen gebouwen, veel drankwinkels. Rondom de overdekte Lexington Market, de markthal die een grote renovatie wacht, hingen grote groepen mannen rond.

De L loopt vanuit Roland Park naar beneden, langs de hipsterwijk Hampden, door naar Johns Hopkins University, de grootste werkgever van de stad, maar ook een stad op zich. De Hopkins-studenten wonen grotendeels in de buurt van de campus, of in het levendige Charles Village. Johns Hopkins heeft eigen beveiliging en sinds kort ook eigen politieagenten, en investeert flink in de stad. Er is protest tegen een campusuitbreiding in Oost-Baltimore waar tweeduizend goedkope, deels leegstaande woningen voor gesloopt zijn. Hopkins wil samen met de gemeente en een filantropische stichting rondom deze nieuwe ‘life sciences hub’ een economisch en raciaal gemengde wijk ontwikkelen. Hoogleraar Lawrence Brown noemde het in The Guardian een negatief voorbeeld van gentrificatie. ‘Het is een grote instelling die een kwetsbare gemeenschap wegduwt voor haar eigen gewin.’

De L gaat verder langs Penn Station, de snelste aansluiting met Washington D.C. Via de chique herenhuizen van Vermont Hill loopt de L door downtown en mondt vervolgens uit in het welvarende waterfront, de buurten rondom de binnenhaven. Baltimore was in 1985 een van de eerste steden die zijn binnenhaven opknapte en er een aantrekkelijk recreatiegebied van maakte, met een aquarium en festivalpaviljoens. Het was voor Rotterdam de aanleiding om een zusterstedenband op te bouwen.

Tiffany Fair en haar zoon Tyrin Chapman, voor hun huis in de achterstandswijk Sandtown-Winchester, Baltimore, 2015 © Todd Heisler / The New York Times / HH

De tweedeling van Baltimore, met de witte L en de zwarte vlinder, is het resultaat van meer dan een eeuw onverholen racistisch woningmarktbeleid. Baltimore was hierin voorloper. De stad was begin twintigste eeuw een toevluchtsoord voor zwarte Amerikanen uit het zuiden, zo’n één op de zes inwoners was destijds zwart. Eind 1910 greep de stad in met een ‘racial zoning ordinance’, vrij vertaald: een ‘raciaal bestemmingsplan’. Het doel daarvan was witte wijken wit en zwarte wijken zwart houden. The New York Times noemde het destijds ‘een drastisch plan’ en ‘de meest uitgesproken officiële Jim Crow-maatregel van het land’. Dat betekende nogal wat, want de Jim Crow-wetten hielden vanaf eind negentiende eeuw tot aan 1965 zwart en wit gescheiden in de openbare ruimte, in scholen en in het openbaar vervoer, onder het mom van ‘separate but equal’.

De officiële redenen voor het bestemmingsplan in Baltimore waren bescherming tegen ziektes als tuberculose en tyfus, die vooral in de zwarte sloppenwijken voorkwamen, en de bescherming van woningwaardes van witte huiseigenaren. De onofficiële reden was de komst van zwarte gezinnen naar de welvarende, witte McCulloh Street. Ze kregen stenen door de ruiten gegooid en nadrukkelijke aanbiedingen van witte buurtbewoners om hun huis te verkopen, maar ze wilden niet wijken. Daarop nam advocaat en buurtbewoner Milton Dashiell het initiatief voor een nieuw bestemmingsplan dat de wijk bij wet wit moest houden.

Zeven jaar later werd het bestemmingsplan onrechtmatig verklaard, maar de toon was gezet. In 1912 volgden de eerste segregatieclausules in verkoopcontracten van woningen, waardoor zwarte kopers geweerd werden. Een praktijk die niet alleen in Baltimore, maar ook ver daarbuiten in zwang zou raken en pas in 1948 onwettelijk verklaard werd. Zwarte bewoners raakten meer en meer opgesloten in hun eigen wijken.

Nu kennen we deze vorm van segregatie als redlining. De term verwijst naar het discrimineren op basis van postcode: in arme wijken krijg je geen krediet en ben je aangewezen op woekerleningen en rommelhypotheken. In deze postcodegebieden heeft de kredietcrisis van 2008 het hardst toegeslagen en vonden de meeste huisuitzettingen plaats. Ook nu zijn het de wijken waar de meeste huisuitzettingen dreigen wanneer de eerste coronasteunpakketten opdrogen.

‘Er is een verschil van twintig jaar in levensverwachting tussen de goede en slechte wijken’

De praktijk van redlining voert terug naar de jaren dertig. Tussen 1935 en 1939 verschenen op aanvraag van de Federal Housing Authority (fha) speciale kaarten van 239 Amerikaanse steden. Die vermeldden de ‘goede wijken’ (groen), waar banken gerust een hypotheek konden verstrekken. De zones liepen over in blauwe en gele wijken (de twijfelgevallen). De echte risicowijken waren met rood aangegeven. Daar kon je als leningverstrekker beter je vingers niet aan branden. Niet toevallig waren dit de wijken waar de meeste Afro-Amerikanen woonden. De ambtenaren die de kleurcodering toekenden moesten speciaal letten op hazardous infiltration: woonden er Afro-Amerikanen of mensen met een migratieachtergrond?

Een van de mannen die betrokken was bij de ontwikkeling van Roland Park kwam later aan het hoofd te staan van de fha. De kaarten met daarop ‘groene’, ‘gele’ en ‘rode’ wijken heetten residential security maps. Ze waren bedoeld om huisuitzettingen, die zo wijdverbreid waren na de beurskrach van 1929, een halt toe te roepen. Maar in de praktijk was het een verzekering richting investeerders. Rode wijken konden fluiten naar geld van banken of de overheid.

De bewoners van rode wijken raakten aangewezen op woekeraars om een huis op afbetaling te kopen. Vaak voor een veelvoud van de werkelijke waarde. Wie een betaling miste werd op straat gezet. Zo kon hetzelfde huis steeds weer opnieuw op afbetaling worden verkocht. Blockbusting kwam in die tijd ook op, beschrijft Antero Pietila, een journalist uit Baltimore, in zijn boek Not in My Neighbourhood (2010). Hij vertelde er vorig jaar over tijdens een symposium over redlining op Morgan State University. Makelaars pestten mensen weg uit witte buurten, zei hij. ‘Dan lieten ze bijvoorbeeld een zwangere zwarte vrouw rondlopen, en waarschuwden: “Kijk, ze komen de buurt overnemen.” Of ze verspreidden roddels over toenemende criminaliteit. Witte huiseigenaren verkochten hun huis en vluchtten naar de buitenwijken, waar dezelfde makelaars een nieuwe woning aan hen verkochten.’ Al in de jaren dertig begon in Baltimore zo een witte vlucht. De vrijgekomen woningen in de binnenstad werden voor veel te veel geld doorverkocht aan de nieuwe zwarte eigenaren. Op afbetaling natuurlijk.

‘Redlining was de manier waarop structureel racisme onderdeel werd van het ontwerp van de stad’, zei April De Simone, ook aanwezig op het symposium. Ze is ontwerper bij bureau Designing the WE en deed uitgebreid onderzoek naar redlining in verschillende steden. De ‘rode wijken’ werden na de oorlog vaak nog verder geïsoleerd door de komst van supersnelwegen dwars door de stad, vertelde De Simone. Dat gebeurde in New York, maar ook in Baltimore, waar de Martin Luther King Boulevard de stad verdeelt. Met een rondreizende interactieve tentoonstelling probeert ze redlining en de schadelijke gevolgen ervan onder de aandacht te brengen.

Redlining is een van de oorzaken van de ‘racial wealth gap’ in de VS, waar de welvaart van witte Amerikanen tien keer hoger ligt dan die van zwarte Amerikanen. Driekwart van de redlining-wijken in Amerika heeft het tachtig jaar later nog steeds moeilijk, blijkt uit onderzoek van de National Community Reinvestment Coalition (ncrc). Hier wonen de meeste lage inkomens en minderheden. ‘Het is alsof deze wijken vastzitten in het verleden, opgesloten in geconcentreerde armoede’, stelt de ncrc. Niet toevallig komt de redlining-kaart van Baltimore overeen met de witte L en de zwarte vlinder. Oost en West zijn nog steeds de armste delen van de stad. De buitenwijken en randgemeenten zijn nog steeds overwegend welvarend en wit.

‘Baltimore is de laatste Amerikaanse stad die niet gentrificeert’, zei activiste Nneka N’namdi tijdens het redlining-symposium. Ze woont in West-Baltimore, een deel van de stad dat veelvuldig in de tv-serie The Wire figureert. In haar wijk Upton zijn meer drankwinkels dan supermarkten. De dagelijkse boodschappen in de corner stores, waar kassiers achter kogelvrij glas zitten, kosten drie keer zoveel als in de grote supermarkten in welvarender delen van de stad. Vers eten is er nauwelijks te krijgen. Food deserts heten deze plekken in Amerika.

‘Er is een verschil van twintig jaar in levensverwachting tussen de goede en slechte wijken van Baltimore’, zei N’namdi. In de armere wijken is de criminaliteit hoger, de leegstand groter, het openbaar vervoer en de scholen zijn er slechter, en de huizen zijn vaak met loodhoudende verf geschilderd. Langdurige blootstelling aan lood heeft een nadelig effect op de gezondheid en op de hersenontwikkeling van kinderen. Die loodverf is ook een van de redenen waarom veel woningen in Baltimore niet gerenoveerd worden. De sloopkogel is de enige remedie.

In Baltimore staan veel huizen leeg. Ooit was dit een welvarende industriestad, gesticht in 1730 en groot geworden dankzij de B&O railway company, de Bethlehem-staalfabriek en de haven. Legacycities noemen ze dat in Amerika. Die industriesteden hebben harde klappen te verduren gekregen. De staalfabriek in Baltimore was al flink gekrompen toen die in 2012 voorgoed haar deuren sloot. Met de werkgelegenheid verdwenen ook de mensen. Baltimore stond vroeger in de toptien grootste Amerikaanse steden, nu moet het genoegen nemen met plaats dertig.

Even leek het beter te gaan. In 2011 bleef voor het eerst in veertig jaar het aantal jaarlijkse moorden onder de tweehonderd. In 2012 groeide de stad, nieuwe bewoners trokken in hippe lofts in industriepanden, in de weekenden spraken ze af in nieuwe overdekte markthallen. Op internetfora als Reddit voerden mensen discussies over welke wijken als volgende zouden gaan gentrificeren en waar de beste kansen voor investeringen lagen. Nieuwe bewoners zagen in Baltimore een alternatief voor het steeds duurder wordende Washington D.C.

Ook Pigtown trok nieuwe bewoners aan, zoals Vincent Purcell, een eind-twintiger die de zonnebloemen voor zijn huis water stond te geven toen ik hem aansprak. Hij woont hier al vier jaar. Omdat het goedkoop is, maar ook omdat het een gemengde buurt is waar hij en zijn man als (wit) stel geaccepteerd worden. Het huis naast hem wordt bevolkt door drugsdealers, ‘maar daar zijn we gewoon vrienden mee geworden’. Hij ziet veel vooruitgang in zijn wijk: een nieuwe bierbrouwerij, buurtmoestuinen, nieuwe opvangplekken voor dak- en thuislozen.

Maar in 2015 werd de 25-jarige Freddie Gray in april opgepakt voor vermeend bezit van een verboden mes. Hij overleed in gevangenschap aan verwondingen opgelopen tijdens zijn arrestatie, zijn nek was nagenoeg gebroken. Bij gebrek aan bewijs werden de agenten vrijgesproken. De dood van Gray was het startschot voor wekenlange protesten in de stad tegen politiegeweld en racisme. ‘The riots’ volgens sommigen, ‘the uprising’ volgens anderen.

In Baltimore is er een ‘voor’ en ‘na’ de dood van Freddie Gray. Ervoor was de weg naar boven ingezet, daalden de criminaliteitscijfers, was er voorzichtig sprake van gentrificatie. Maar de dood van Gray legde het wankele fundament onder deze verbeteringen bloot. De vernislaag van vooruitgang bleek flinterdun. Het bestuur faalde. Politieagenten van een speciale crime unit moesten terechtstaan voor corruptie. Sinds Grays dood zijn er al vijf verschillende politiecommissarissen geweest. In mei vorig jaar moest burgemeester Catherine Pugh aftreden wegens zelfverrijking. Ze was de tweede burgemeester in tien jaar tijd die om deze reden het toneel verliet.

Hét onderwerp bij de burgemeestersverkiezingen van dit jaar is de aanpak van criminaliteit. Maar nu zal de federale overheid zich daar ook tegenaan bemoeien. Door de aanhoudende Black Lives Matter-protesten, neemt de roep om bezuinigingen op het politieapparaat toe. In Amerikaanse steden slokt de politie een relatief groot deel van het budget op, vaak veel meer dan zorg, onderwijs of huisvesting. President Trump en zijn Democratische uitdager Joe Biden branden hun vingers liever niet aan politiebezuinigingen. Biden pleit voor hervormingen: een nieuwe cultuur bij de politie waar de nekgreep in ieder geval geen onderdeel meer van is. Hij wil juist meer geld uitgeven, liefst aan wijkagenten. Wat niet voor Biden pleit is dat hij in de jaren negentig een van de architecten was van een wetswijziging die een groter politiekorps voorstond, met minder aansprakelijkheid voor hun daden en hogere straffen voor meer vergrijpen, waardoor de gevangenissen volliepen. Ook Trump zegt de politie te willen hervormen, zodat ze volgens ‘de laatste standaarden werken’ als het gaat om de-escalatie van conflicten en de inzet van geweld. Trump pleit ook voor experimenten waarin de samenwerking tussen agenten en sociale werkers wordt versterkt.

Maar is het genoeg? Princeton-onderzoeker Keeanga-Yamahtta Taylor waarschuwde er in The New Yorker voor dat de nadruk op politiegeweld afleidt van waar het echt om gaat: systemisch racisme en economische ongelijkheid aanpakken. Pogingen tot politiehervormingen falen al sinds de Chicago-protesten van 1919, waarschuwt ze. Waar het op aankomt is de onderliggende oorzaken van geweld – armoede, het gebrek aan betaalbare huisvesting en de segregatie in steden – weg te nemen. En dat kan niet zonder enorme uitgaven.

Het was dan ook geen toeval dat Ta-Nehisi Coates’ essay ‘The Case for Reparations’ uit 2014 onlangs weer hoog op de lijst van meest gelezen artikelen van The Atlantic stond. Volgens dit idee van herstelbetalingen moeten zwarte Amerikanen gecompenseerd worden voor 250 jaar slavernij, negentig jaar Jim Crow-wetgeving en 35 jaar racistisch woningmarktbeleid. Het gemiddelde vermogen van witte families is nu tien keer hoger dan dat van zwarte families. Die ongelijkheid wordt van generatie op generatie doorgegeven en wordt niet opgeheven door onderwijs of inkomen, zo toont steeds meer onderzoek aan. En zolang die ongelijkheid niet wordt rechtgetrokken zijn het keer op keer de zwarte huishoudens die in een crisis het hardst getroffen worden.

In de nasleep van de moord op George Floyd willen Democraten nu de mogelijkheid van herstelbetalingen laten onderzoeken. Ook hoogleraar Lawrence Brown, bedenker van de term ‘de witte L en de zwarte vlinder’, is voor herstelbetalingen. Hij pleit voor een stevig investeringsfonds in Baltimore: er zou jaarlijks 290 miljoen dollar naar de redlining-wijken moeten gaan. Gekozen buurtcommissies mogen dan beslissen waar het geld naartoe gaat. Met een ‘racial social equity bond’ (een soort obligatiefonds) van drie miljard dollar zouden daarnaast problemen als loodvergiftiging, ongelijkheid in huisvesting, geweld en drugsmisbruik moeten worden aangepakt.

De mogelijkheid van herstelbetalingen zijn door de aanhoudende Black Lives Matter-protesten misschien wel dichterbij dan ooit. Maar of het echt zover komt is de vraag. Volgens Coates vraagt het om meer dan alleen een financiële afrekening. Het gaat ook om een afrekening met veel ideeën over waar Amerika voor staat en, zo zegt hij, die afrekening gaat dieper ‘dan het erfgoed, de geschiedenis en het aanzien van Amerika in de wereld. Het gaat om een nationale berekening die zal leiden tot geestelijke vernieuwing.’