De witte lach

‘De slechtste trek van de menselijke natuur’ noemde Schopenhauer het. Schadenfreude. Is leedvermaak inderdaad zo fout? ‘Er is een hoop ellende in de wereld, maar je moet er wel oog voor hebben.’‘De slechtste trek van de menselijke natuur’ noemde Schopenhauer het. Schadenfreude. Is leedvermaak inderdaad zo fout? ‘Er is een hoop ellende in de wereld, maar je moet er wel oog voor hebben.’

Medium leedvermaak op maat

Wat een lol hebben we beleefd aan het Koningslied! Ik verheug me nu al op dat Droomboek. Het onbedoelde succes van het lied was vooral dat we collectief konden lachen. Herstel: uitlachen. Kijk ze eens op hun smoel gaan! Marco Borsato, Paul de Leeuw, Trijntje Oosterhuis, Guus Meeuwis… Het complete sterrenstelsel kwam omlaag en stond voor aap tegenover de koning.

Koekje van eigen deeg, sukkels. Want zitten zij niet in al die talentenjachtjury’s waar ze steevast wat kansloze zwakzinnigen laten meedingen, gewoon omdat dat lachen is?

Het wemelt van het leedvermaak. Bij de commerciëlen springen de showbizzsterren zich kapot vanaf een duikplank, of zakken zang­talenten in een bak met slangen. Bij de publieke omroep is er typetjessatire, en kun je je verkneukelen om andermans afgangen en versprekingen in De tv draait doorrr.

Je mag er eigenlijk niet om lachen. Dat vinden in elk geval de denkers die zich met ethiek hebben beziggehouden bijna allemaal. Aristoteles beschouwde leedvermaak als het neefje van de al even abjecte ondeugd van de jaloezie. Afgunstig zijn op andermans geluk was volgens Aristoteles even laakbaar als je verheugen over hun ongeluk. Wie het goede leven nastreefde, diende zich juist te verheugen over het verdiende geluk van anderen, verontwaardigd te zijn om onverdiend geluk, en medelijden te hebben met onverdiend ongeluk.

Ook Schopenhauer zag die verwantschap met jaloezie. Al vond hij die laatste nog wel te vergeven. In De wereld een hel noemt hij afgunst iets ‘algemeen menselijks, terwijl leedvermaak duivels is, als het hoongelach van de hel. Leedvermaak verschijnt (…) juist daar ten tonele waar medelijden zou moeten ontstaan.’ Schadenfreude was volgens Schopenhauer ‘de slechtste trek in de menselijke natuur (…) nauw verwant aan wreedheid – waar het eigenlijk slechts van verschilt als theorie van praktijk’.

De wetenschap geeft de moraalfilosofen overigens gelijk: jaloezie en leedvermaak zijn verwant. Niet alleen blijken jaloers aangelegde mensen vaker van leedvermaak te genieten, ook zijn dezelfde hersendelen bij beide emoties betrokken. Het zijn sociale emoties, die zich vooral richten op de positie in de groep. Niet voor niets zijn sterren en machthebbers de meest rendabele doelwitten voor ons leedvermaak.

Gelijktijdig is er een tegenstem, die net als de filosofen ageert tegen de platte ‘afzeikhumor’. Programma’s als Killer Karaoke (met dat zingen tussen de slangen) liggen mede daarom onder vuur. Maar ook de serieuze cultuur krijgt zulke moralistische kritiek.

Neem de reacties die de klassieker Kaas van Willem Elsschot bij verschijning in 1933 opriep. Het verhaal is bekend: ondernemer Frans Laarmans faalt faliekant als hij een enorme partij kaas inkoopt die hij aan de straatstenen niet kwijtraakt. Elsschot schetst zijn ontluistering op droogkomische toon. En dat viel niet bij iedereen in de smaak.

De recensent van NRC hekelde het ‘wreede leedvermaak’ dat ‘niet meer door vergevings­gezindheid’ werd ‘getemperd’. Hij zag het zelfs als iets wat typisch was voor de moderne Vlaamse schrijvers. ‘Wij hebben wel meer meenen op te merken dat de soms rauwe en toch heusch niet overgevoelige boertigheid van het oudere Vlaanderen iets hartelijkers en humaners behield dan de zooveel verstandelijker en guurder humor, dien men in het werk van moderne Vlamingen vindt, en waarvan de harde schamperheid, die het meeleven dieper besloten houdt slechts een volkomen onvroolijken lach verwekt.’

Helemaal in lijn met Schopenhauer en Aristoteles vindt deze recensent dat medelijden met Laarmans gepast zou zijn, in plaats van het leedvermaak, hier vertaald in een ander oxymoron, de ‘onvrolijke lach’.

Nu is er met Kaas – en daarom begin ik erover – iets geks aan de hand. Ja, de toon heeft iets vrolijks. En nee, de gebeurtenissen zijn dat niet. Maar verliest het verhaal daarmee de tragiek? Geenszins, is mijn indruk. Elsschot wijst via de omweg van het humoristische leedvermaak juist op een universele tragiek: die van het vergeefse van onze ondernemingen, die van de menselijke overmoed… noem het maar op.

De NRC-_recensent zat er, dat gebeurt wel eens, volkomen naast, doordat hij het zintuig miste voor het stijlmiddel dat Gerard Reve eens ‘tragiek versterkt door humor’ heeft gedoopt (in zijn lezingen in 1985 als gastdocent in Leiden, later gebundeld als _Zelf schrijver worden): ‘De werking berust op het door een geintje schijnbaar op losse schroeven zetten van de geldigheid van de tragiek.’ Zo valt de lezer als het ware door de ‘dubbele bodem’ van de humor. ‘“Wat vind je van de ouderdom?” vraagt men mij. “Het leven krijgt diepte, mevrouw”, antwoord ik. En daar laat ik op volgen: “Het is een afgrond, wil ik maar zeggen.”’

Kaas is een schoolvoorbeeld van dit mechanisme. En introduceert Elsschot in zijn inleiding op het boek niet precies ditzelfde stijlmiddel? Je moet niet proberen tragisch te doen wanneer je in een vrolijke bui bent, schrijft Elsschot hier. ‘Tenzij het vrolijke gebruikt wordt om een ernstige spanning te omlijsten.’

Veel literair leedvermaak heeft zo’n tragische ondergrond, die uiteindelijk, via de omweg van de lach, juist compassie verraadt met het lot van de personages.

Welke lach klinkt er in Nabokovs Laughter in the Dark, dat een jaar eerder dan Kaas, in 1932, verscheen? We volgen de kunstcriticus Albinus, van middelbare leeftijd, die ten prooi valt aan het zestienjarig meisje Margot, dat hem met allerlei geraffineerde spelletjes te gronde richt. Hij wordt uiteindelijk blind, en heeft niet door dat Margot hem bedondert voor z’n ogen. Leedvermaak ten top, maar ik proef ook de compassie.

We lachen uit en leven mee. Dat is leedvermaak dat misschien wel kan troosten, omdat de lach een groter menselijk tekort relativeert. Het platte uitlachen zegt: haha, jij gaat af, en dus ben ik beter. Het uitlachen van Elsschot en Nabokov zegt: haha, jij gaat af, zoals wij allemaal afgaan. Dat verzacht iets.

In zijn autobiografische essayboek Een vlaag van bezieling (1994) deelt de Franse romancier Michel Tournier het fenomeen humor op in verschillende kleuren. Naast de zwarte humor onderscheidt hij de ‘roze humor’, die van het uitlachen en van de satire. Het leedvermaak dat Aristoteles en Schopenhauer verfoeien is allemaal roze.

Echt interessant wordt het voor Tournier pas bij wat hij ‘de witte lach’ noemt. Dan volgt een van de beste passages over humor die ik ken. Ze heeft lang boven mijn werktafel gehangen:

‘Wie een witte lach laat horen, heeft zojuist door een gaatje in het weefsel van de dingen de afgrond zien schemeren. Ineens weet hij dat niets maar dan ook niets van enig belang is. Hij valt ten prooi aan de angst, maar is juist daardoor nergens meer bang voor. Talrijk zijn degenen die leven en sterven zonder ooit in een witte lach te zijn uitgebarsten. Vaag weten ze natuurlijk wel dat de twee uiteinden van het bestaan worden begrensd door het niets, maar ze zijn ervan overtuigd dat op dit moment het leven in volle gang is en dat ze, die paar jaar, vaste grond onder de voeten zullen houden.’

Elsschot, Reve en Nabokov bedienen zich zonder twijfel van die ‘witte humor’. Het is humor waarin leedvermaak en medelijden als het ware samensmelten. Je kunt ook zeggen dat de witte humorist voorbij medelijden en leedvermaak gaat, en meteen doordringt tot iets even onheilspellends als lachwekkends, dat onder die sociale emoties ligt. Hij laat de hilarische vergeefsheid van al onze beweegredenen en sociale beroering door de oppervlakte heen schemeren.

In zijn in memoriam van Gerrit Komrij haalde Ilja Pfeijffer vorige zomer in Vrij Nederland een herinnering op aan een avondje tv-kijken in Portugal. ‘Op een gegeven moment kwam er zo’n zielig programma voorbij, Vermist, waarin familieleden of vrienden die elkaar decennialang uit het oog waren verloren, elkaar met dank aan de vlijtige redactie voor het oog van de camera huilend in de armen vielen. Het geluid stond uit. Gerrit en Charles verzorgden live de nasynchronisatie, waardoor de uitzending aanzienlijk aan amusementswaarde won, dat moet gezegd. En toen het was afgelopen, zei Gerrit grinnikend: “Ja, er is een hoop ellende in de wereld. Maar je moet er wel oog voor hebben.”’

Dit even briljante als kenmerkende zinnetje is – letterlijk – de versmelting van leedvermaak en medelijden, die eigen is aan de witte lach. Het is de Oscar Wilde-lach, zoals die bijvoorbeeld opklinkt in dit dialoogje uit The Picture of Dorian Gray, waarin de spot wordt gedreven met Amerikanen.

‘“They say that when good Americans die they go to Paris”, chuckled Sir Thomas (…) “Really! And where do bad Americans go to when they die?” inquired the duchess. “They go to America”, murmured Lord Henry.’

Het is leedvermaak om die domme Amerikanen. Roze humor, met misschien een randje zwart, maar het wit schalt er al doorheen. Want wie neemt nu eigenlijk wie in het ootje? Bespot Wilde hiermee niet evenzeer de mode om Parijs als walhalla te zien? >

Wilde’s personage Lord Henry is de koning van de witte lach. Zijn citeerklare oneliners porren voortdurend in ‘het weefsel der dingen’. ‘Philanthropic people lose all sense of humanity’, ‘Death is the only thing that ever terrifies me. I hate it. One can survive everything nowadays except that.’ Het is de wittiness waar een levens­houding onder schuilgaat die, schijnbaar moeiteloos, het vrolijke verbindt met het tragische.

Ik mis die witte lach in onze cultuur, vooral onder mensen van mijn eigen generatie zie ik haar weinig. Pretloze polemieken en plat revanchisme voeren de boventoon. Als daar al humor aan te pas komt, is het de roze lach, en soms de zwarte. Relschoppers als Özcan Akyol of Anton Dautzenberg kunnen weliswaar een stevig potje vuilbekken of anderen te kakken zetten, maar hun humor bereikt niet de hoogte van het vrolijk-scherpzinnige. Het blijft een eenrichtingslach, in plaats van de polyfone lach die ook de lachers zelf mee slingert in een feest van briljante gekte.

Het publiek is over het algemeen stokdoof voor iets complexere vormen van humor. Zo wordt ironie, nauw verwant aan de witte lach, vaak niet gehoord. Neem die column van Luuk Koelman in Metro, afgelopen najaar. Hij ondertekende die met de naam van de hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad, die inderdaad nogal vergaande dingen zei naar aanleiding van een zelfmoord waar grote belangstelling voor was. Geslaagd of niet, die column was in elk geval ironisch bedoeld, maar dat ontging een hoop lezers (het geparodieerde slachtoffer incluis), die slechts smakeloos leedvermaak lazen. Gevolg: doodsbedreigingen, onderduiken…

Toen columnist Bert Brussen in maart 2010 een doodsbedreigingstweet citeerde onder de kop ‘Wilders met de dood bedreigen doe je zo’, was zelfs voor justitie de ironische lading niet duidelijk. Laat staan hoe lastig zo’n samenleving het moet hebben met het nog meer geraffineerde en ongrijpbare fenomeen van de witte lach.

De witte lach klinkt van tijd tot tijd op uit het werk van een paar cartoonisten (Kama­gurka, Gummbah, Fokke en Sukke op hun beste dagen), een enkele cabaretier (Micha Wertheim), en een handjevol schrijvers (Grunberg, Thomése, Brusselmans, volstrekt uiteenlopende auteurs, maar op sommige pagina’s grinniken ze in dezelfde kleur). Heel talrijk zijn onze slimme grappenmakers niet. Waar is, om maar iets te noemen, het Nederlandse equivalent van ­Stephen Fry?

Ja, ze zíjn er misschien wel, vermoed ik zo, maar hun witte lach bereikt ons niet meer, omdat we in ironieloze tijden leven. De roze humor is mediafähig, anders dan in de tijd dat Reve, Komrij of Ischa Meijer het publieke domein (althans het meer intelligente deel daarvan) opvrolijkten.

Je moet er wel oog voor hebben, en dat is, helaas, in afnemende mate het geval.