Literatuur - De verblindende witheid van het boekenvak

De witte motor

Witte mensen lezen witte mensen en hebben minder oog voor andere stemmen. En dat voelen de ‘buitenstaanders’: de drempel is er, de deur is dicht. Eerst de harde cijfers – en dan het pleidooi: breek die boel nu eens open (ptvrdr)!

Medium 201508017 witte boeken 2
© Femke van Heerikhuizen

‘Ik geloof niet dat iemand in de literaire wereld bewust racistisch is, maar uitsluiting, ja, die is er zeker.’ Mohamed Mahdi zit op het balkon van De Jaren in Amsterdam. De directeur van de El Hizjra-stichting is uit West komen fietsen, wij van onze werkplekken in de grachtengordel, alsof we de clichés willen onderstrepen. Hoewel? ‘Jij woont in Den Bosch? Daar had ik bijna gewoond. Maar ja, mijn bootje hè, dat gaat makkelijker in Amsterdam.’

Tussen het bootje en de uitsluiting vertelt Mahdi enthousiast over de stichting, de afgelopen drie jaar waarin de 28-jarige organisatie zichzelf aan het heruitvinden is, en waarin de El Hizjra Literatuurprijs exclusiever (van zestien naar twee winnaars) én inclusiever werd (van alleen Arabische schrijvers naar ‘jonge, kleurrijke schrijvers’). Voordracht is mee gaan tellen in de jurering, en de inzendingen werden daadwerkelijk diverser. De eerste Koreaan in de El Hizjra-geschiedenis won in 2013.

In NRC Handelsblad viel non-fictieredacteur van Amsterdam University Press Ebisse Rouw de witheid van met name de voorlopers in de Nederlandse literatuur aan: ‘In Amsterdam heeft bijna vijftig procent [een] niet-westerse komaf. Maar Das Magazin borduurt onbewust voort op de eeuwenoude Nederlandse traditie van culturele segregatie, in een hippe en sexy variant.’ Is onze literatuur wit? Hoe erg is het? En wat is eraan te doen? 21 procent van de totale Nederlandse bevolking is allochtoon, twaalf procent heeft een niet-westerse achtergrond. Van die twaalf procent zonden 116 aspirantschrijvers in 2014 in voor de El Hizjra-prijs; de algemenere schrijfwedstrijd WriteNow! kreeg in 2014 1179 inzendingen. Die verhouding lijkt bijna representatief. Zeker weten doen we het niet, want we weten niets van het inzendersveld van WriteNow! De organisatie telt niet, wil juist geen verschil maken. ‘Bij WriteNow! winnen de inzenders die goed werk leveren. Achtergrond, herkomst en geslacht zijn niet interessant. Daar wordt later ook niet aan gerefereerd’, zegt organisator Giel van Strien.

Niet-westers, etnische minderheid, kleurrijk, nieuwkomers – we maken het verschil wel, we denken dat dat inzicht geeft, maar beseffen dat die categoriseringen arbitrair zijn, en vooral dat geen van die termen recht doet aan mensen, individuen, kunstenaars. Die termen staan voor sociale constructies, ze zijn geen objectieve waarden, ze staan niet los van hun maatschappelijke context en hun tijd. We gebruiken ze bij gebrek aan beter.

Want wie wél telt, ziet hoe groot het verschil is. Een volgende stap naar een literaire carrière zou het literaire tijdschrift kunnen zijn. Maar bij de ingestuurde kopij bij tijdschriften als De Gids, Tirade en Revisor vinden we maar ongeveer twee procent niet-westerse inzenders. Een veel kleiner deel wordt daadwerkelijk gepubliceerd. Ruim zes procent van de literaire debuten van de afgelopen vijftien jaar werd door schrijvers met zo’n achtergrond geschreven, blijkt uit de groslijsten van de ANV (voorheen Academica) Debutantenprijs. Een grote stap verder: in de afgelopen twintig jaar wonnen alleen Abdelkader Benali (Libris Literatuurprijs 2003), Hafid Bouazza (Gouden Uil 2004), Mustafa Stitou (VSB Poëzieprijs 2004) en Antoine de Kom (VSB Poëzieprijs 2014) een van de vier grote prijzen – alle 87 andere winnaars waren wit.

‘Ik wilde weg uit dat witte wereldje’, vertelt schrijfster Christine Otten. Ze zette met de slaa en het Bijlmerparktheater Bijlmer Boekt op, en later Revue de Paré in Nieuw-West: gemengde programma’s voor daadwerkelijk gemengde publieken. Zeer enthousiast, jong en oud – een divers publiek voor verhalen, poëzie, spoken word, theater, muziek en cabaret van gevestigde namen (P.F. Thomése, Kader Abdolah, Mensje van Keulen) en veel aanstormend talent. Otten beschouwt zichzelf inmiddels mét hen een exponent van de – nee, niet van de migrantenliteratuur, van de wereldliteratuur.

Ja, de literaire programma’s zijn witter, binnen de Amsterdamse ring en buiten Amsterdam. Het literaire tijdschrift Das Magazin programmeerde naast veel witte collega’s slechts Jamal Ouariachi (Marokkaanse vader) op het jaarlijkse festival. Voor hen kwam de kritiek niet als verrassing. ‘Als we niet oppassen wordt literatuur de nieuwe klassieke muziek’, schrijft Daniël van der Meer ons. Ze zijn op zoek naar oplossingen, en ‘dat gaat verder dan openstaan voor inzendingen’. Maar als eraan gewerkt wordt, waar zit het probleem dan?

Wie de cbs-gegevens bekijkt, ziet dat het verschil – twaalf procent van de bevolking, zes procent van de debuten, vier procent van de grote prijzen – niet alleen in het literaire veld optreedt. Taalachterstand zou een oorzaak kunnen zijn van die ondervertegenwoordiging. De taaltoets op de basisschool wordt relatief minder goed gemaakt door leerlingen met een niet-westerse achtergrond. Maar voor de een is het Nederlands een grotere drempel dan voor de ander. Zelfs tussen Marokkaanse en Turkse schrijvers in spe speelt dat een rol, betoogden Fouad Laroui en Marjan Nijborg onlangs: Marokkanen groeien tweetalig op, met een Arabisch dialect, of de Berberse taal, die sterk afwijken van het klassieke Arabisch dat ze schrijven. ‘Voor de Marokkaanse schrijver staat de taal zelf, de basis van zijn werk als schrijver, in de weg als een onneembare vesting.’ Het Frans en het Spaans waren alternatieve literaire talen – maar een Marokkaanse schrijver moet altijd kiezen voor een andere taal dan waarin hij denkt en spreekt. Wie met zo’n achtergrond in Nederland opgroeit, heeft vooral voordelen van die nieuwe taal. Dat kan de relatief grote hoeveelheid Nederlands-Marokkaanse auteurs verklaren, en de kleinere groep Nederlands-Turkse schrijvers. Hun eerste taal is wél een schrijftaal, en de afstand tot het Nederlands is groter.

‘Het zal mij dan ook niet verrassen als een overgroot deel van de allochtonenliteratuur niet door de schrijver zelf, maar door een redacteur wordt geschreven’, riep Özcan Akyol in 2012. Iets te schril, maar het is tekenend voor de taalachterstand die er nog steeds is.

Is literatuur niet de geëigende kunstvorm voor niet-westerse schrijvers?

Is het het onderwijs? Ja, we zien dat niet-westerse scholieren minder aan havo/vwo deelnemen – behalve de Iraanse, die juist meer – en minder aan het hoger onderwijs. Maar interessanter is dat niet-westerse studenten amper het soort opleidingen kiezen die de meeste schrijvers van oudsher volgen, zoals Nederlands, literatuurwetenschap, geschiedenis of filosofie. Van de eerstejaars geesteswetenschappen heeft zeven procent een niet-westerse achtergrond. Een veel groter deel van de tweede generatie studenten die nu instroomt kiest voor een studie in een economische, technische of medische richting. Emancipatie vindt plaats via geneeskunde en rechten.

Dat het genieten van universitair onderwijs – hier of in het thuisland – invloed heeft op literaire of creatieve aspiraties suggereert ook het onderzoek van Kimon Moerbeek, verbonden aan Kennisland, op basis van gesprekken met onder anderen Clark Accord, Rashid Novaire, Neske Beks en Karin Amatmoekrim: ‘Meer dan de helft van de geïnterviewden groeide op in gezinnen waar de ouders hoger onderwijs hadden genoten. (…) De meest opvallende gemene deler in hun levensverhalen is de nadruk op het lezen van literatuur, op leren en streven naar hoger onderwijs, vanaf de vroegste jeugd. De vroege verwerving van een zekere vorm van cultureel kapitaal lijkt een voorwaarde te zijn voor het latere intellectuele succes van deze auteurs.’

Of is literatuur niet de geëigende kunstvorm voor niet-westerse schrijvers? Behalve het verschil tussen Turkse en Marokkaanse Nederlanders is er een verschil met de groep Surinaamse Nederlanders: ze maken gelijke percentages van de Nederlandse bevolking uit, Surinaamse Nederlanders doen het beter op de taaltoets en in het hoger onderwijs, maar ze presenteren zich minder in het literaire veld. Behalve Accord, Amatmoekrim en Anil Ramdas zijn er nog wel wat schrijvers met een koloniale achtergrond, maar lang niet zo veel als met een Marokkaanse.

We weten dat bij Bijlmer Boekt het talent uit Surinaamse en Afrikaanse hoek eerder in de categorie spoken word optreedt dan in langer proza of conventionele poëzie. Een vergelijking tussen schrijfwedstrijd WriteNow! en voordrachtswedstrijd PoetrySlam is wellicht illustratief. WriteNow! had maar één niet-westerse voorrondewinnaar (het collectief Yusuf El Halal, onder wie Ernest van der Kwast, Rotterdam 2001), PoetrySlam had in 2008 met Najiba Abdellaoui een landelijke winnaar met niet-westerse achtergrond.

Verklaringen te over, maar de hoeveelheid inzendingen voor de El Hizjra-wedstrijd suggereert dat er wel degelijk de wens bestaat literatuur te schrijven. Zijn ze niet goed genoeg? En wie bepaalt dat? Zeker is: deze schrijvers vinden de ingang naar de uitgeverij nog niet. De tussenstap via het literaire tijdschrift maken ze niet. Een mogelijke verklaring van de andere kant is wat Ebisse Rouw in haar column ‘de veelal witte gevestigde literaire orde’ noemde. Het aantal uitgeverijmedewerkers met een niet-westerse achtergrond is op één hand te tellen. En ze zijn geen uitgever. Ook niet bij De Geus en Jurgen Maas, de uitgeverijen waar veel gekleurd talent een kans krijgt. Dat Maas werkt met adviseurs met diverse culturele achtergronden is de uitzondering die de regel bevestigt.

En waar de inzet is om op literaire kwaliteit te beoordelen, spelen het netwerk en de publicatiegeschiedenis van een auteur een grote rol bij de selectie. Bepaalde onderwerpen en vertelvormen zijn aantrekkelijker, beter, passender – binnen de context van de dominante literatuuropvatting. Bepaalde manuscripten worden sneller bekeken en serieuzer gelezen. Talent vindt niet automatisch de weg naar publiek, want bemiddelaars staan niet automatisch voor ze open. Dat is inderdaad geen bewust racisme, maar wel een vorm van sociale en esthetische begrenzing. Kimon Moerbeek citeert de sociale wetenschapster Nancy Fracer: ‘In klassebewuste maatschappijen neigen sociale groepen die ongelijkwaardige machtsposities innemen ernaar ongelijk gewaardeerde culturele stijlen te ontwikkelen. Het gevolg is dat krachtige informele druk ontstaat om de bijdragen te marginaliseren van leden van ondergeschikte groepen, zowel in de context van het alledaagse leven als in de officiële publieke sfeer.’

Onbewust, informeel, maar niettemin duidelijk aanwezig: witte mensen lezen witte mensen en hebben minder oog voor andere stemmen. Pauwke Berkers laat hetzelfde zien in zijn proefschrift over de opname van schrijvers uit etnische minderheden in de literaire mainstream: zij blijken relatief minder aandacht te krijgen in de media. In 2005 maakten etnische minderheden ongeveer tien procent uit van de bevolking terwijl schrijvers uit etnische minderheden maar in vijf procent van de literaire berichtgeving voorkwamen, en in relatief mindere mate opgenomen worden in de literaire canon. En dat voelen de buitenstaanders: de drempel is er, de deur is dicht. Waarom je richten op het gymnasium of de geesteswetenschappen, op literatuur of kunst in het algemeen, als er toch geen plek voor je lijkt te zijn?

Het helpt niet dat er in de afgelopen jaren juist minder geld voor cultuur en diversiteit kwam. Het oorspronkelijke interculturele beleid van het Letterenfonds werd opgenomen in andere regelingen, en kromp. Het optimisme van El Hizjra’s Mohamed Mahdi (‘Het is een kwestie van tijd’) steunt vooral op een demografische ontwikkeling: de sociale mobiliteit van niet-westerse allochtonen is groot; de verdeling van eerstejaars studenten is nog niet representatief maar de subgroep wordt groter, zichtbaarder, zij het misschien nog amper in de kunst- en cultuuropleidingen.

En het steunt op kleine initiatieven en welwillendheid: moeten uitgevers, critici, podiumprogrammeurs niet meer Afrikaanse, Arabische en Latijns-Amerikaanse meesters lezen, moeten scholieren die andere literaturen zien en lezen? Moeten niet-westerse creatives meer samenwerken en naar buiten treden, zoals in Londen nu een black renaissance plaatsvindt? Mano Bouzamours schoolbezoeken, Asis Aynans Berberbibliotheek en zijn tips op de website van de slaa zijn een stap in die richting.

Het aantal uitgeverijmedewerkers met een niet-westerse achtergrond is op één hand te tellen

Tegelijk is isolatie – we noemen het migrantenliteratuur, dan is het herkenbaar – niet de oplossing. De verbreding van de El Hizjra Literatuurwedstrijd en de gevarieerde literaire programma’s in de Bijlmer en Nieuw-West bereiken verschillende achterbannen: lezers en schrijvers. Zowel de slaa als El Hizjra is bezig met vervolgprogramma’s: masterclasses, workshops.

Passiviteit helpt zeker niet, cynisme evenmin. Laat Mahdi’s hoop leidend zijn. Rouw verwees naar een essay van Anil Ramdas uit 1997; het is moeilijk je voor te stellen dat iemand in 2033 naar haar column zal verwijzen met de boodschap dat er nog steeds niets veranderd is.

In ieder geval in de terminologie. Je wenst de debutanten van nu niet slechts het genre van migrantenliteratuur toe, niet slechts de maatschappelijkheid van wereldliteratuur, maar ook de universele geldigheid van literatuur. Diversiteit betekent ook dat de eenzame, zoekende hoofdpersonen migrant of werelds mogen zijn. Fouad Laroui signaleerde enkele jaren geleden in dit weekblad dat introspectie niet niet-westers geacht wordt te zijn. Zo las en leest men migrantenliteratuur: ‘Weg met de “tussenpozen van het hart” (Proust), het enige wat telt is de reële buitenwereld, die van “de cultuur”.’ Daarmee misken je dat Mohammed Benzakour zich door Reve en Wolkers laat inspireren, of Jamal Ouariachi door A.F.Th. van der Heijden, en omgekeerd dat Annelies Verbeke en Christine Otten over de multiculturele samenleving schrijven. Je zou wensen dat het particuliere en universele, door wie dan ook beschreven, gelijk beoordeeld worden.

Het is waar: de niet-westerse schrijvers ondergaan een andere paradox. Er wordt van ze verwacht dat ze een ‘achterban’ vertegenwoordigen maar ook bekritiseren. Ze kunnen zich nauwelijks boven hun (verbeelde) migrantenstatus verheffen terwijl hun witte collega’s geen enkele opdracht meekrijgen, afstand mogen nemen van zichzelf en hun omgeving.

We lezen Nederlandse, Engelse en Amerikaanse literatuur. Wat Duits, wat Frans, maar de Arabische, Afrikaanse en Afro-Amerikaanse literaturen amper. Een ambassadeur voor de Arabische literatuur als Hafid Bouazza laat de rijkdom van die literatuur zien. Maar belangrijker is dat nieuwkomers en hun kinderen andere ervaringen meebrengen, van expliciete uitsluiting, vervolging, de tocht naar het Westen, de onzekerheid van procedures, discriminatie, criminaliteit, en inmiddels oud worden in den vreemde. Het zijn verhalen die het rustiger, welvarender standaardverhaal relativeren.

Tegelijkertijd wordt het interessant als schrijvers naast en boven die ervaringen gaan staan, de clichés als bouwstenen gebruiken voor een verhaal dat gaat over identiteit en daarmee juist vanuit het universele en onthechte aspect van de literatuur een verhaal vertellen. Hun thuisloosheid – de term is van James Wood, uit zijn essay ‘Nooit meer naar huis’ (De Groene Amsterdammer, 1 juli) – definieert hen, en hun literatuur: kosmopolitisch met soms een rouwrandje. Maar dat hoeft hen niet te beperken.

Zie de Nigeriaans-Amerikaanse schrijver Teju Cole (1975), die in Open City (2012) een Nigeriaans-Duitse man in New York portretteert. Een jonge arts met een voorliefde voor klassieke muziek loopt eenzaam door de straten van de oude stad, verbindt geschiedenissen van verdrijving en slavernij aan plekken in de stad. Cole’s stijl loopt parallel met het trage ritme van het ronddwalen, de opbouw suggereert een doodeenvoudige opeenvolging van wandelingen. Maar Cole werkt toe naar een ander verhaal, niet dat van een slachtoffer, maar van een dader.

Of neem in eigen land Gustaaf Peek (1975, Indonesische moeder, toch westers in de cbs-categorie): in Ik was Amerika (2010) raakt een Duitse krijgsgevangene bevriend met een Afro-Amerikaan. Ook hier is de vraag: kan een dader ook een slachtoffer zijn? En, voor een ander personage in het boek: hoe kun je je thuis voelen in een maatschappij die vloeibaar geworden lijkt, met steeds meer onzekerheden? Wie ben ik, waar ben ik thuis? Die uiterst relevante vraag kan bij uitstek beantwoord worden door de mensen die een deel van hun identiteit opgaven voor een leven elders. Door de nieuwkomers die kozen voor een nieuwe situatie met achterlating van familie, taal en talloze andere zekerheden.

Voor hen en hun kinderen is een rol weggelegd in het openbreken van de Nederlandse literatuur en zich de canon toe te eigenen. Dus ja, het is de moeite waard om af te wachten. Maar dat gaat veel verder dan ervoor openstaan. Meer aandacht voor activerende prijzen en organisaties, meer lezen buiten westerse kaders, meer discussie – dan is het echt nog maar een kwestie van tijd.

Passiviteit helpt zeker niet, cynisme evenmin. Laat Mohamed Mahdi’s hoop leidend zijn.