De witte raaf op links

In Geestdrift met verstand beschrijft Rob Hartmans de geschiedenis van De Groene Amsterdammer. Het blad vaart sinds 1877 een tegendraadse en vrijzinnige koers, al ging dat niet altijd zonder controverse.

Redactievergadering van De Groene Amsterdammer met hoofdredacteur Martin van Amerongen in de grote zetel. Rechtsvoor Max Arian. Linksvoor Rudi Boon, daarnaast Geke van der Wal en Trinette Koomen, december 1986 © Bert Verhoeff / ANP

Trouwe lezers van een krant of blad gaan ervan uit dat hun favoriete publicatie op weloverwogen wijze tot stand komt. Tenslotte zijn ze niet voor niets abonnee – sommigen zeggen zelfs ‘lid’. Ze herkennen een lijn, een sfeer, een stijl die hun aanstaat en gaan ervan uit dat dit geen toeval is. Wie op een redactie heeft gewerkt, weet echter dat de bezonnenheid er soms op gespannen voet staat met de journalistieke praktijk: weinig tijd, te veel of juist gebrek aan kopij, doorgaans getalenteerde auteurs die het onverwacht laten afweten – door persoonlijke problemen of gewoon een creatieve inzinking of overmatig drankgebruik. Omdat een redactie toch ook een beetje een kantoor is treden storende rivaliteiten op en dan is er nog de werking van de tijd: jongeren weten het altijd beter dan ouderen, denken ze.

In het licht van zoveel onvoorspelbaarheden is elk geslaagd nummer van een blad als De Groene Amsterdammer weer een klein wonder. Een nog veel groter wonder is dat het nu al sinds 1877 bijna elke week zo gaat: een vooruitstrevend weekblad waarin lezers zich herkennen, ondanks de vele verwikkelingen en soms kermis der ijdelheden waarvan de historicus Rob Hartmans uitvoerig verslag doet in zijn Geestdrift met verstand, een geschiedenis van De Groene sinds de oprichting, 143 jaar geleden.

Het is een monumentaal boek, niet alleen vanwege de kloeke omvang (704 pagina’s), maar ook omdat in de loop van anderhalve eeuw zeer velen – beroemd geworden of vergeten – kortere of langere tijd voor De Groene hebben geschreven en de historicus van velen de persoon en de achtergrond belicht. Geestdrift met verstand leest op die manier als een compendium van de progressieve Nederlandse intelligentsia in de afgelopen anderhalve eeuw. Geestdrift met verstand is overigens een sterk uitgebreide versie van Hartmans’ De Groene van 1877, dat in 2002 verscheen bij het 125-jarig bestaan van De Groene.

De uitbreiding heeft onder andere betrekking op de negentiende-eeuwse geschiedenis van het blad dat toen nog De Amsterdammer heette – ‘De Groene’ is een bijnaam, ontleend aan het groene omslag van het blad, die pas in 1925 de titel op de voorpagina werd. Omdat er over de tijd voor 1940 geen Groene-archief bestaat, moest Hartmans het voor de vroege geschiedenis vooral hebben van andere bronnen, zoals mémoires of brieven. Wat de geschiedschrijver over de eerste decennia allemaal naar boven weet te halen, dwingt grote bewondering af.

Een groot deel van de studie is het resultaat van de lezing en analyse van alle jaargangen sinds 1877. En daar komen we bij alweer een wonder: je krijgt de indruk dat De Groene Amsterdammer zichzelf – ondanks een veranderende wereld, conflicten, dreigende faillissementen en momenten in de redactionele geschiedenis die door redacteuren en lezers als kantelpunten werden ervaren – in al die jaren op essentiële punten trouw is gebleven. De Groene opereerde, politiek gezien, bijna steeds op de linkerflank van het spectrum: radicaal-liberaal in de negentiende eeuw, op de bres voor afschaffing van het censuskiesrecht, voor emancipatie van vrouwen en arbeidersrechten; in de jaren dertig sterk gekant tegen Hitlers Duitsland; na de oorlog vóór een onafhankelijk Indonesië; niet bereid tot meehuilen met de anticommunistische wolven in de Koude Oorlog; marxistisch angehaucht in de jaren zeventig; en in onze, minder ideologisch uitgesproken tijden toch nog altijd duidelijk links-liberaal.

DeGroene was daarbij nooit partijganger, maar steeds een kritische beschouwer. Het blad hield zich in 1901 al verre van de zojuist opgerichte Vrijzinnig-Democratische Bond, die het redactioneel standpunt het meest nabij kwam. Partijen als de sdap, de pvda, de psp of de cpn konden in later jaren soms op kritische sympathie rekenen, maar nooit op loyaliteit.

Die onafhankelijkheid hing samen met de – in culturele zin – liberale mentaliteit van waaruit het weekblad gemaakt werd, door mensen met soms zeer uiteenlopende achtergronden en voorkeuren. Aan de afstandelijke benadering was ook een zeker intellectualisme eigen: De Groene was zelden een blad waarin tot concrete actie werd opgeroepen, steeds een platform voor beschouwing en grondige analyse. Zo ook in de kunsten, wat ervoor zorgde dat De Groene in periodes van sterke politisering ook aantrekkelijk bleef voor wie zich wellicht minder in de politieke lijn kon vinden.

'De Groene' was geporteerd voor de Indonesische onafhankelijkheid toen velen in Soekarno nog een ‘Mussert’ zagen

Die tweedeling van politiek en cultuur is de vinding van de eerste hoofdredacteur van De Groene, de in 1878 aangetreden Jan de Koo, die maar liefst dertig jaar aan het hoofd stond van De Amsterdammer. Het is goed dat Hartmans deze fascinerende figuur in zijn boek afstoft. De Koo was, als veel vooruitstrevende intellectuelen van zijn tijd, een vrijzinnige ex-predikant. Hij gold in zijn tijd als de op één na briljantste Nederlandse journalist – na, helemaal aan de andere kant van het politieke spectrum, Abraham Kuyper met zijn dagblad De Standaard. De Koo was buitengewoon actief in de radicaal-liberale kiesverenigingen in deze periode vóór moderne partijen, en schreef ook voor allerlei partijdige blaadjes, en bovendien nog romans en toneelstukken. De Amsterdammer hield hij echter buiten het partijgewoel en hij had een gelukkige hand bij het aantrekken van medewerkers op cultureel gebied.

Zo kwam het dat de gangmakers van de beweging der Tachtigers, nog voordat zij in 1885 De Nieuwe Gids oprichtten, in de kolommen van De Koo’s blad te vinden waren: Frank van der Goes, Frederik van Eeden, Willem Kloos, Albert Verwey, Willem Paap, Lodewijk van Deyssel. Hoe liberaal het er daarbij op de redactie aan toe ging illustreert het feit dat de rebelse jongelui soms onbekommerd de vloer aanveegden met gevestigde literatoren en journalisten die in hetzelfde blad schreven, zoals de destijds befaamde Justus van Maurik.

De Koo’s opvolger was Henri Wiessing, die de inhoud van De Groene meer de kant van de sociaal-democratie optrok en daarover in conflict raakte met de eigenaren. In 1915 begon Wiessing daarop zijn eigen blad, De Nieuwe Amsterdammer (in de wandeling ‘Mosgroene’ geheten), dat na 1917 uitblonk in bewondering voor Lenins Russische revolutie, maar in 1920 op de fles ging. Hij bleef de rest van zijn leven overigens een fellow traveller – iemand die de Sovjet-Unie en later het Oostblok het voordeel van de twijfel wilde geven, en soms meer dan dat, zonder ooit zelf communistisch partijlid te worden.

Met zo iemand heeft Hartmans duidelijk minder op. Zijn geschiedenis van De Groene is enerzijds een fascinerende, roerige petite histoire van het weekblad: de vele verwikkelingen op de redactie, de ruzies, de op onheuse wijze afgeserveerde hoofdredacteuren en medewerkers, de dreigende faillissementen, bittere conflicten over de bedrijfsvoering, de redactionele triomfen en missers. Maar de geschiedenis van De Groene is natuurlijk ook een staalkaart van wat er ter linkerzijde allemaal gedacht, aangehangen en gehoopt is. En veel daarvan kan, met hedendaagse ogen, de toets der kritiek niet doorstaan. De geschiedschrijver is dan vaak opmerkelijk hard in zijn oordeel.

Niet altijd gaat het daarbij om het communisme. In de jaren twintig bijvoorbeeld bevatte De Groene de nodige stukken waaruit sympathie voor het ‘corporatisme’ van het Italiaanse fascisme bleek – dat was nog voordat fascisme algemeen als een ‘rechtse’ ideologie werd ingeschat en Mussolini met Hitler in zee ging. In de jaren dertig was De Groene ondubbelzinnig gekant tegen nazi-Duitsland maar dat ging, volgens Hartmans, gepaard met een opvallende goedgelovigheid tegenover Stalin en de Sovjet-Unie.

Martin van Amerongen in zijn huiskamer in Amsterdam. 1987 © Bert Verhoeff / ANP

Nadat Duitse troepen Nederland in 1940 hadden bezet, werd de publicatie van De Groene gestaakt. De bezetter had alle publicaties verboden zichzelf op te heffen, maar Rients Dijkstra – een linkse advocaat die tussen 1935 en zijn dood in 1970 de grote man was van De Groene, soms als hoofdredacteur en soms als (mede)eigenaar – verzon een list. Hij sprak met schuldeisers af dat hij wat rekeningen niet zou betalen en liet op die manier het blad failliet gaan, na nog een paar nummers waarin niets over politiek stond. Zo bleef De Groene, in tegenstelling tot veel andere vooroorlogse bladen, een collaboratieverleden bespaard en kon het heropgerichte blad in 1945 profiteren van de enorme leeshonger in een bevrijd land. De in de eerste naoorlogse jaren behaalde oplage van ongeveer veertigduizend is eerder noch later door De Groene geëvenaard.

Lifestyle is bij 'De Groene' onbekend. ‘Hoge’ cultuur jaagt de redactie geen angst aan

De terugloop van het aantal lezers in deze tijd lijkt mede het gevolg van enkele weinig populaire standpunten van het blad. De Groene was geporteerd voor de Indonesische onafhankelijkheid, op een moment dat veel Nederlanders in Soekarno nog een ‘Indische Mussert’ wilden zien. En het blad weigerde in de beginnende Koude Oorlog mee te gaan met de anticommunisten. De zogenaamde ‘Derde weg’ die De Groene in de Koude Oorlog wilde bewandelen – vooral de legendarische redacteur Sem Davids was van die lijn de vertolker – leverde het blad weinig vrienden op. De communistische cpn had aan weinig meer een hekel dan aan medestanders die zich niet wilden voegen naar de partijdiscipline – perfide knechten van het kapitaal waren het, die poseerden als vrienden van de arbeidersklasse. Sociaal-democratische kranten als Het Parool waren al even wantrouwend. In die krant werd vooral Simon Carmiggelt – nota bene ex-medewerker van De Groene – niet moe het weekblad ervan te beschuldigen een crypto-communistische spreekbuis van Moskou te zijn. Overigens was De Groene in 1956 wel het eerste Nederlandse blad dat de tekst van Nikita Chroesjtsjovs geheime rede publiceerde, waarin hij sovjetleider Stalin veroordeelde.

Groot begrip voor de Sovjet-Unie en communisme in het algemeen zou tot in de jaren tachtig een eigenaardigheid van het weekblad blijven, met constructieve artikelen over socialistische landen en marxistische maatschappij-analyses. Voor mensenrechten in de ussr of kritische noten bij het optreden van Mao en Pol Pot moest de lezer in deze jaren duidelijk ergens anders zijn. Voor verzet tegen de Vietnamoorlog, liefde voor Castro’s Cuba, het oplevende West-Duitse revanchisme, de linkse psychiatrie en andere hot topics van het toenmalige linkse levensgevoel was hij daarentegen bij De Groene aan het juiste adres. Al moet gezegd dat ook in deze jaren De Groene nooit een gestroomlijnd actie-orgaan is geworden, al hadden sommige linkse groeperingen en zelfs redacteuren misschien anders gewild.

Erg gezellig kan het in deze jaren op de redactie niet zijn geweest: Hartmans beschrijft in extenso een jarenlange, tot vete neigende strijd van de redacteuren Max Arian en Maarten van Dullemen tegen hun collega Wouter Gortzak, onder andere over de vraag of het blad wel links en radicaal genoeg is.

De Groene zoals we die heden ten dage kennen – weliswaar nog steeds links, voor zover dat begrip nog iets zegt, maar in essentie ondogmatisch en nog steeds open voor een brede waaier van opvattingen en theorieën – lijkt in 1985 begonnen, met het aantreden van Martin van Amerongen als hoofdredacteur. Onder deze excentrieke veelschrijver, afkomstig van het concurrerende weekblad Vrij Nederland, schudde De Groene veel van de dogmatische veren af, die in de jaren daarvoor steeds meer tot een dwangbuis waren geworden, en richtte zich weer veel meer op cultuur, ook, of zelfs met name, de ‘burgerlijke’.

Blijkbaar was het te veel gevraagd om van Hartmans te verlangen dat hij ook nog eens de hele Nederlandse persgeschiedenis onder de loep had genomen. Daardoor blijft onderbelicht hoezeer De Groene in het Nederlandse perslandschap van de afgelopen decennia opnieuw een witte raaf is geworden. Vanaf de jaren negentig werden veel redacties van Nederlandse kranten en andere bladen gekweld door twijfel aan het eigen functioneren, mede onder invloed van teruglopende oplagen en veranderingen in mediaconsumptie. Was men nog wel van deze tijd, vroeg men zich bij tot dan toe serieuze kranten en bladen af, stond een intellectualistische benadering niet te ver af van de belevingswereld van de lezer, werd van die lezer niet te veel gevergd?

Ook De Groene kreeg met die stemming te maken in de persoon van de in 1997 aangetreden hoofdredacteur Gerard van Westerloo, die ambitieuze plannen ontvouwde om van De Groene, waarin de breed opgezette beschouwing sinds jaar en dag een belangrijke plaats innam, met externe financiering een meer op reportage en modern levensgevoel gericht blad te maken dat met name ook vrouwen zou moeten aanspreken. Hoe dit streven binnen een jaar leidde tot het vertrek van Van Westerloo, die over zijn ontslag vernam toen hij nietsvermoedend van vakantie terugkeerde, vormt een van de meer pikante hoofdstukken in Geestdrift met verstand.

Inmiddels zijn andere, concurrerende weekbladen op de linkerflank, zoals Vrij Nederland en HP/De Tijd, verschrompeld tot websites, alle restyling en modernisering ten spijt. In de Volkskrant en de NRC, die aan het eind van de twintigste eeuw nog de weekbladen concurrentie hadden aangedaan met grote supplementen, werd cultuur steeds meer tot een onderafdeling van lifestyle, en artikelen steeds korter om de ‘leeslast’ te verminderen. Lichte kost ging overheersen.

In De Groene daarentegen staan, niet minder dan vroeger, lange artikelen over belangrijke onderwerpen die van de lezer een zekere inspanning vergen. Lifestyle is er een onbekend begrip. ‘Hoge’ cultuur jaagt – anders dan elders – de redactie geenszins schrik aan, evenmin als een intellectualistische benadering.

En nog altijd houden politiek en cultuur elkaar in de kolommen aardig in evenwicht. Hartmans citeert aan het einde van zijn boek de huidige hoofdredacteur, Xandra Schutte, die zegt dat de idealen van de ‘sociaal-liberale’ Groene in feite die van de negentiende-eeuwse Bildungsbürger zijn: ‘Het gaat om het opvoeden van de lezer, om het ontwikkelen en aanscherpen van diens politiek, filosofisch en cultureel besef.’ Dat had Jan de Koo in 1878 vermoedelijk niet anders verwoord, als hem die idealen destijds niet zo vanzelfsprekend waren voorgekomen.