De wittebroodsweken van de palestijnse politie

Op hun 62 vierkante kilometer vrijstaat mag een heuse Palestijnse politie de orde bewaken. De vriendelijke oud-vrijheidsstrijders kijken de andere kant op als ze worden gejend door Israelische toeristen.

JERICHO - Tijdens de donkere dagen van de bezetting reed je in een half uur van Jeruzalem naar Jericho. Ten gevolge van de vrede duurt de reis nu twee keer zo lang. Op een paar kilometer afstand van de laagste stad ter wereld inspecteert een Israelische soldaat tergend langzaam de Palestijnse reisdocumenten.
Zigzaggend tussen de betonblokken bereiken we het tweede Israelische checkpoint. Als de taxi een paar centimeter over de streep rijdt, blaft een soldaat tegen de chauffeur dat hij aan de zijkant van de weg moet gaan staan. Machteloos en binnensmonds vloekend volgt de chauffeur het bevel op. Na een kwartier mag hij verder rijden.
Voor de Palestijnse grenspost staan tientallen auto’s. Een plaatselijke imam heeft de dienstdoende agenten zojuist een doos baklava geschonken. Iedere automobilist wordt uitgenodigd voor een stukje gebak. De eigenaar van het cafetaria aan de overkant zet stoelen neer. Niemand heeft haast, Jericho is het einde van de rit. Oostwaarts murmelt de Jordaan, in het westen doemt een ongenaakbaar bergmassief op. Even ten noorden van de oase bevindt zich de volgende Israelische wegversperring. Tweeenzestig vierkante kilometer vrijheid.
SINDS TWEE WEKEN bewaken een paar honderd lieve, oude mannen de orde in Jericho. Ze lenen hun petten uit aan wie maar wil en leggen uit hoe een Kalasjnikov werkt. Ze laten zich geduldig fotograferen met kinderen op hun schoot. Ze kuieren door het stof van Jericho, bezoeken familieleden en regelen het verkeer met een kefiya om de schouders. In de jaren zestig vormden ze de steunpilaar van het gewapende Palestijnse verzet. Nu, dertig jaar later, mogen de goedlachse Bromsnorren hun loopbaan afbouwen in Jericho.
De bevolking van Jericho spreekt vol trots over het Palestijnse leger. Rabin noemt ze hardnekkig agenten. Zelf noemen ze zich fedayeen, vrijheidsstrijders die bereid zijn hun leven op te offeren voor het goede doel. Het meest lijken ze nog op veldwachters.
Een jaar geleden kwam de PLO met de eerste ontwerpen voor het uniform van de politie. Na langdurig overleg werd besloten dat het groen moest worden, met een toefje camouflage. Het schoeisel is er bij ingeschoten, geen enkel paar schoenen is hetzelfde. Sneakers, cowboylaarzen, kistjes, puntschoenen (volgens Palestijnen handig om kakkerlakken mee te vermorzelen) en slippers. Er hoeft toch niet gerend te worden.
De angst van de Israelische bevolking voor een zwaarbewapend Palestijns leger op 35 kilometer afstand van Jeruzalem bleek ongegrond. De bevrijding van Jeruzalem laat nog even op zich wachten, zeker als die vanuit het oosten moet komen.
De Palestijnse politie mag dan zeer aandoenlijk zijn, de manier waarop de Israelische media de afgelopen weken - met Ha Arets als uitzondering - de spot hebben gedreven met de eerzame veteranen, is ronduit neerbuigend. De meeste berichten zijn verzonnen. Zo zouden Palestijnse agenten een auto hebben gestolen in de joodse nederzetting Gush Katief, midden in de Gazastrook. In Jericho zou het Israelische leger voedselbonnen en sloffen sigaretten hebben uitgedeeld aan de straatarme agenten.
MOHAMED SHAKER wordt er moedeloos van. Hij is de persvoorlichter van de Palestinian Security Forces, zoals de politie officieel heet. ‘Het klopt dat de agenten al drie maanden geen salaris hebben ontvangen. Maar van de Israeli’s hebben we echt niets gehad, bovendien zouden we het geweigerd hebben. De bevolking van Jericho zorgt dat we genoeg te eten krijgen, benzine voor onze jeeps en auto’s krijgen we op de pof. Ter gelegenheid van het slachtfeest hebben we allemaal een bonus gekregen van vijftig dollar, afkomstig van een weldoener. Met Israel zijn vrijwel alle banden verbroken. Ze hebben de infrastructuur van Jericho 27 jaar systematisch verwaarloosd. Kort voor hun vertrek hebben ze alle reserveonderdelen van de telefooncentrale meegejat, bezit van de gemeente Jericho.’
Shaker werd geboren in Bir Zeit, een dorpje op de westelijke Jordaanoever. Hij woonde in Amman, Beiroet en Irak. Sinds 1969 heeft hij Bir Zeit niet meer bezocht. Jericho mag hij niet verlaten. Zijn stokoude moeder wachtte hem een week geleden op bij de Allenbybrug. Pas na de voor oktober geplande verkiezingen in de bezette gebieden krijgt de Palestijnse politie de vereiste reisdocumenten. Shaker is doodmoe, de hoorn ligt van de haak. Het slachtfeest is volkomen langs hem heen gegaan. Hij heeft zichtbaar moeite met zijn nieuwe baan. Van oorsprong is hij econoom.
Het eerste wapenfeit is reeds genoteerd. Shaker kan blij zijn. Een koene Palestijnse agent ontwapende drie kolonisten die geld wilden wisselen in Jericho. Het Israelische leger sloot de stad prompt voor 24 uur af, onder het voorwendsel dat het Palestijnse politiekorps tijd nodig had om zich te organiseren en zo tevens op de hoogte kon worden gebracht van de voorwaarden van het Gaza-Jericho-akkoord. Volgens het akkoord mogen kolonisten wapens bij zich dragen als ze de twee ministaatjes bezoeken.
De kolonisten hebben niets te zoeken in Jericho. De eeuwenoude Vrede-over-Israel synagoge van Tell Sultan, even buiten de stad, wordt de laatste weken echter opvallend veel bezocht. Israelische vlaggen wapperen op het dak, over het balkon hangen opgeschoten Amerikaanse jeshiva-studenten, geinspireerd door het verlichte gedachtengoed van wijlen rabbijn Meir Kahane. Het vertrouwde beeld van gebreide keppels en Uzi’s. Er stopt een bus Israelische toeristen voor de synagoge. Voor zes shekel (vier gulden) kopen ze een toegangsbewijs. De Palestijnse soldaat bij de ingang wordt geen blik waardig gegund. Gelaten ondergaat hij de provocaties.
Ali Shahwan, de eigenaar van het complex, kijkt knarsetandend toe. In 1942, tijdens het Engelse mandaat, kocht Shahwan de grond en het gebouw. De verdieping boven de synagoge werd door de familie gebruikt als winterverblijf. In 1982 werd de synagoge geconfisqueerd door het Israelische leger. Al twaalf jaar probeert Shahwan het gebouw terug te krijgen, gesteund door een Israelische, een Palestijnse en een Amerikaanse advocaat. Het gebouw met de grond is vier miljoen dollar waard. De synagoge mag wat hem betreft in gebruik blijven, als hij het bovenhuis maar terugkrijgt. Even later vertellen de bewoners uit het belendende vluchtelingenkamp dat de synagoge nooit is geconfisqueerd, maar dat Shahwan de synagoge ooit heeft verkocht aan de Israeli’s.
DE SPOREN VAN DE Israelische bezetting zijn overal zichtbaar. Het ziekenhuis van Jericho verkeert in een erbarmelijke staat. De muren vertonen scheuren, de verf bladdert en naast de enige douche bevindt zich een dampend toilet. Zevenentwintig jaar lang is er geen geld gestoken in het ziekenhuis. Japan heeft beloofd het gebouw op te knappen en wil medische apparatuur schenken.
Dokter Hamad Kabia rookt onafgebroken Israelische sigaretten van het merk Time. Een bekertje voor urinemonsters fungeert als asbak. Kabia schenkt ons koude limonade in, trots vertelt hij dat de Palestijnse politie het ziekenhuis een tweedehands ijskast heeft geschonken. Kabia: 'Ik heb gehuild toen de Palestijnse vlag op het ziekenhuis werd gehesen, ik heb gehuild toen de eerste Palestijnse soldaat voor het ziekenhuis post vatte.’
Dokter Kabia is twee keer gevlucht, in 1948 en 1967. Oorspronkelijk komt hij uit Haifa. Met de familie die daar nog woont, wil hij niets meer te maken hebben. Verbitterd bromt hij dat het Israeli’s zijn geworden, Palestijnse joden. Een paar weken geleden heeft hij zijn laatste maandsalaris (duizend shekel) gehad van de Israelische overheid; nu wacht hij op zijn eerste salaris van de PLO.
Gisteren is er een Palestijnse agent opgenomen in het ziekenhuis. Hij vertoonde verschijnselen van uitdroging en had last van astma, merkwaardig gezien het woestijnklimaat van Jericho. Kabia is blij dat hij iets terug kan doen. Verder zit het wel goed met de volksgezondheid in Jericho. 'Het is hier in ieder geval beter dan in Tel Aviv’, smaalt Kabia, 'wij hebben tenminste geen aids of geslachtsziekten. Meestal krijgen we slachtoffers van slangebeten en wespe- of schorpioenesteken.’
Enkele minuten later draagt een radeloze boer zijn doodzieke kind naar binnen. Vanmorgen kreeg het plotseling stuipen en vertoonde zijn hele lichaam donkerrode vlekken. Na een snelle diagnose krijgt het kind een zoutinfuus toegediend. De man is buiten zinnen. Het ziekenhuis kost 600 shekel per dag (450 gulden), de man verdient 1200 shekel per maand. Hij heeft twaalf kinderen, moet hij die nu laten creperen? De dokter vertelt ons later dat het kind het waarschijnlijk niet lang zal maken.
TER ERE VAN HET slachtfeest en de komst van de politie wordt er die dag een groot feest gegeven in Jericho. Honderden bussen met Palestijnen uit Jeruzalem, Hebron, Nablus, Bethlehem en Ramallah versperren alle toegangswegen. Tegen zonsondergang zit het verkeer in Jericho muurvast en kan je over de hoofden lopen. Een eenzame Palestijnse agent met een rood aangelopen hoofd probeert orde te scheppen in de chaos. Meewarig wordt hij aangestaard door theedrinkende collega’s op een terrasje.
Jericho is een verlichte stad, gezegend met slijterijen. Om het historische moment te beklinken, kopen we twee flesjes kosjer Maccabi-bier. We wandelen door het centrum, dat in een grote vrijmarkt is veranderd. Binnen een oogwenk zijn we ingesloten door zes welpen van Hamas. 'Waarom drinken jullie bier?’ vraagt de grootste van het stel brutaal.
Hij is gekleed in een militair uniform en draagt een klapperpistool. 'Waarom niet’, antwoorden we. 'Het is verboden’, bromt de heilsoldaat. 'Sinds wanneer is Jericho een islamitische staat?’ protesteren we. De slungel dreigt de Palestijnse politie te alarmeren, die zal ons beslist in het gevang gooien. De jongen wurmt zich door de lange rij wachtenden voor het Palestijnse politiebureau maar wordt hardhandig teruggeduwd. Een oudere man blaft hem toe dat iedereen samen met de hoofdcommissaris op de foto wil, het geeft geen pas om voor te dringen.
Uiteindelijk komt er een stokoude veldwachter aangesloft. Hij heeft jarenlang in Tunis gewoond. Nieuwsgierig neemt hij ons op en vraagt wat er aan de hand is. We vertellen hem erg blij te zijn met de autonomie en de aanwezigheid van de Palestijnse politie. Volgens oud-Europees gebruik hebben we daarom een fles bier opengetrokken. De oude baas lacht: 'Wat mij betreft is het goed, maar houd het wel bij een biertje.’ 'Twee’, smeken we. 'Goed dan, twee’, grijnst hij. Waren we toch bijna de eerste gevangenen in het onafhankelijke Jericho geworden. De kwajongens druipen af.
ACHTER DE RECEPTIE van het Hisham Palace staan twee fietsen geparkeerd. Het enige hotel in Jericho had de residentie moeten worden van Arafat, maar de onderhandelingen tussen de eigenaar en de PLO zijn vastgelopen. De eigenaar doet niet mee aan de feestvreugde buiten. Hij is verbitterd en teleurgesteld. Hij veegt zijn bord chommous schoon met een pita en vraagt of we willen overnachten. Voor honderd shekel (65 gulden) mogen we de bruidssuite hebben. We hebben meer belangstelling voor de rijwielen. Misschien kan hij in juni zijn slag slaan, als Arafat naar Jericho komt. Zakenmensen en journalisten mogen de president voor het bescheiden bedrag van 20.000 dollar begeleiden op zijn triomfantelijke terugkeer naar Palestina, lunch inbegrepen. Een woordvoerder van Arafat verzekerde dat het een redelijk bedrag was, overeenkomstig de tarieven van president Clinton en andere westerse leiders. Het kan geen kwaad het precieze tijdstip van de intocht op te vragen alvorens men incheckt bij het Hisham Palace - data zijn niet heilig in het Midden-Oosten.
Twee vliegtuigen van de Israelische luchtmacht scheren over Jericho. Om de haverklap zoeven er Israelische jeeps door de vrijstaat. Een overtreding van het akkoord, waarin staat dat ze samen met de Palestijnse politie moeten patrouilleren. Hopelijk zijn het kinderziekten. Voor de Palestijnse politie zullen de wittebroodsweken spoedig voorbij zijn. Dat de liefste agenten van de wereld een mooie oude dag mogen hebben.