Afscheid van de Oriënt - Pankaj Mishra over de ruïnes van het imperialisme

De woeste uit het oosten

De Indiase schrijver Pankaj Mishra neemt het stokje over van de antikoloniale intellectuelen uit de vorige eeuw. ‘De kindertijd van Azië is voorbij.’

Op een winteravond in 1887 bezocht tsaar Alexander III de opera in Sint-Petersburg. In de loge naast hem nam een opvallende figuur plaats. Hij had een dunne baard, helblauwe ogen en ging gekleed in een lang gewaad en een tulband. Toen het doek omhoog was gekomen, stond de oosterse vreemdeling op, draaide zich richting Mekka en riep luid ‘Allah-akbar’ door de zaal. Wie zo’n stunt nu uithaalt, krijgt direct vier beveiligers op zijn nek, maar het verbaasde publiek in Petersburg liet hem zijn gang gaan toen de man vervolgens het avondgebed deed.

De opera-schreeuwer in kwestie was Jamal ud-Din al-Afghani (1838-1897): journalist, con man, agitator en sleutelfiguur van de negentiende-eeuwse politieke islam. Al-Afghani was een sjiitische Pers, maar gaf zich uit voor soennitische Afghaan. Zijn hele leven zwierf hij door Azië, Europa en het Midden-Oosten, gedreven door een dubbele missie: de islamitische wereld losweken uit de klauwen van westers imperialisme en de islam moderniseren. Met die agenda probeerde hij in het gevlij te komen bij koningen, sjahs en emirs. Hij richtte geheime genootschappen op, was de mentor van islamitische radicalen en schreef voor communistische tijdschriften gedurende een verblijf tijdens het fin-de-siècle in Parijs. In 1887 kwam al-Afghani in Moskou terecht, waar hij vergeefs hengelde naar een audiëntie bij de tsaar. Hij wilde Rusland ervan overtuigen ten strijde te trekken tegen de Britten in Centraal-Azië. In dat machtsspelletje konden de volken van Perzië tot Bengalen zich ontworstelen aan westerse invloeden, zo hoopte al-Afghani. Het gesprek met Alexander III, dat op niets uitliep, kreeg hij pas na zijn actie in het operagebouw.

Medium mishra

Hoewel al-Afghani in de hoogste politieke kringen verkeerde, behoort zijn naam tot de marges van de geschiedschrijving. Precies dat was de reden voor Pankaj Mishra om de levensloop van deze stokebrand als uitgangspunt te nemen voor zijn boek Op de ruïnes van het imperialisme: De opstand tegen het Westen en het nieuwe Azië. Met dit werk heeft de Indiase schrijver en journalist Mishra dezelfde reputatie verworven als al-Afghani: die van een intellectuele guerrillastrijder met een afkeer van westerse overheersingsdrang. Maar waar al-Afghani als buitenstaander de koloniale wereldorde bekritiseerde, wordt Mishra omarmd door de mondiale intellectuele elite. The New Yorker, The New York Review of Books, The Guardian – allemaal nemen ze graag zijn stukken af. Dankbaar vervult hij daar de rol van ontmaskeraar van het hoogmoedige idee dat de wereld langzaam één grote liberale democratie wordt.

Zelf moet Mishra glimlachen om de vergelijking tussen hemzelf en een antikoloniale intellectueel van honderd jaar geleden, die tekeerging tegen de vulgariteit en het materialisme van de westerlingen. ‘Ik heb niet zozeer sympathie voor al-Afghani‘s ideeën, als wel empathie met zijn missie. Hij vroeg zich af hoe het Oosten moest moderniseren, zonder slaafs het Westen te kopiëren. Ik stel me dezelfde vragen over deze tijd’, vertelt Mishra in zijn werkstudio in Archway, een wijk in Noord-Londen. Het is een sobere ruimte in een oud fabriekspand. Op de vloer ligt een bonte verzameling oosterse tapijten, tegen de wanden staan goed gevulde boekenkasten. De kamer is onverwarmd, en dat is te voelen op de koude wintermiddag waarop ik Mishra spreek. Zelf lijkt de schrijver, gestoken in een dikke trui, gewatteerd jack en wollen sokken, er geen last van te hebben. Hij woont de helft van het jaar hier in Londen, met vrouw en kind. De rest van de tijd brengt hij door in Mashobra, een dorpje in de Indiase Himalaya, of op reis. Na ons gesprek moet hij direct naar het vliegveld, voor een rondreis door Iran.

Wie wil weten waar Pankaj Mishra voor staat, moet het geruchtmakende essay lezen dat hij in 2011 schreef voor The London Review of Books. Daarin bespreekt hij het boek Civilisation van Niall Ferguson, dat de veelzeggende ondertitel The Rise and Demise of the British World Order and the Lessons for Global Power draagt. Mishra vergelijkt Ferguson met de Europese conservatieven die begin twintigste eeuw vreesden voor de ondergang van de koloniale wereldorde en ‘het witte ras’. Hij verwijt Ferguson koloniale excessen weg te poetsen en terug te verlangen naar de tijd waarin Europese vlaggen nog fier boven overzeese bezittingen wapperden. Ferguson reageerde woedend, het opstootje vulde wekenlang de brievenrubriek van de LRB en Mishra vestigde definitief zijn reputatie als tegenstem van neocons die nog in westerse superioriteit geloven.

‘Dat de wereld buiten Europa een geheel eigen intellectuele traditie heeft, wordt nog nauwelijks erkend’

Mishra begon zijn opmars tot eigentijdse anti-imperialist als reizend verslaggever in het booming India van de jaren 1990. Hij tekende zijn ervaringen op in zijn bekroonde debuut Butter Chicken in Ludhiana: Travels in Small Town India (1995). Het nieuwe India met zijn woekerende urbanisering en groeiende middenklasse blijkt een onbarmhartig oord voor een fijngevoelige ziel als hijzelf, met een liefde voor Proust en Thomas Mann en beperkte materiële aspiraties. Maar juist dat maakt Mishra’s oordeel scherp. Haarfijn laat hij zien hoe geld in India een middel is geworden om je aan de samenleving te onttrekken. Veel roepies betekent een auto met geblindeerde ruiten, een huis in een ommuurde wijk en een voorkeursbehandeling aan het overheidsloket.

Wereldwijde bekendheid kreeg Mishra met The Tempations of the West: How to Be Modern in India, Pakistan and Beyond uit 2006. Het boek verscheen terwijl de oorlogen in Irak en Afghanistan in volle gang waren. Het viel op wegens de genuanceerde kijk op de cultuurstrijd tussen het Westen en ‘de rest’. Moderniteit, zo toonde dit reisverslag van Mishra, is geen kant- en-klaar recept dat vanuit het Westen aan de rest van de wereld kan worden voorgeschreven. Ook religieus extremisme, preoccupatie nummer één in het post-9/11-tijdperk, is oneindig veel complexer dan de ‘haat jegens westerse cultuur’ waarmee deze bedreiging vaak werd afgedaan, zo laat The Tempations of the West zien. De radicale islam, hindoe-extremisme, de Pakistaanse jihad – Mishra toont ze als een wilde mix van lokale politieke grieven, een fundamentalistische kijk op geloof en geleende westerse ideologieën.

Ook Op de ruines van het imperialisme gaat over de culturele verhoudingen tussen Oost en West. Het boek schetst de intellectuele verzetsstrijd tegen de westerse dominantie die vanaf het einde van de negentiende eeuw in Azië werd gevoerd. Tegelijkertijd voegt het boek een hoofdstuk aan deze geschiedenis toe. Hoewel Mishra dit werk ‘deels historisch essay, deels intellectuele biografie’ noemt, zit er een stevige polemiek in verborgen. ‘Het koloniale tijdperk mag dan formeel ten einde zijn, in de geschiedschrijving is Azië nog maar nauwelijks zelfstandig’, zegt Mishra tijdens ons gesprek. ‘Dat de wereld buiten Europa een geheel eigen intellectuele traditie heeft, met een rijk palet van denkers, die onderling weer vele dwarsverbanden hebben, wordt nog nauwelijks erkend.’

‘Als scholier had ik een portret van Lenin aan mijn muur en las ik allerhande sovjetblaadjes’

Mishra’s boek opent met de slag bij Tsushima in mei 1905, waarbij de Russische vloot in één klap werd vernietigd door de Japanners, die zich de imperiale ambities van de westerse mogendheden hadden aangemeten. In Europese geschiedenisboekjes is deze zeeslag – ‘Wereldoorlog nul’ – doorgaans niet meer dan een voetnoot, maar destijds was het een klaroenstoot die de onderworpen volken in Azië deed opveren. ‘Voor het eerst sinds de Middeleeuwen had een niet-Europees land een Europese macht verslagen in een grote oorlog’, schrijft Mishra met dezelfde triomf die destijds werd gevoeld. Op een basisschooltje in de Chinese provincie Hunan leerde een knaap luisterend naar de naam Mao Zedong liedjes te zingen over deze historische mijlpaal. Een jonge Mustafa Kemal, later bekend als Atatürk, reageerde uitgelaten van vreugde. In Zuid-Afrika schreef de jonge advocaat Mohandas Gandhi verheugd over deze ‘klap in het gezicht’ van de Europese mogendheden.

Tsushima was ook een opsteker voor de intellectuelen die Mishra in Op de ruïnes van het imperialisme aan de vergetelheid ontrukt. Behalve de illustere al-Afghani voert hij Liang Qichao (1873-1929) op: ‘China’s eerste iconische moderne denker’, die vurig pleitte voor modernisering van zijn land om zo zijn plaats op het wereldtoneel op te eisen. Qichao was ervan overtuigd dat westerse democratie niet paste in de Chinees-confuciaanse traditie. Het land kon zich beter ontwikkelen tot een strakke autocratie. Zijn ideeën zouden later van grote invloed op Mao zijn. De derde denker die een hoofdrol speelt in Mishra’s boek is de Indiase dichter Rabindranath Tagore (1861-1941). Ook Tagore vond dat het Aziatische continent een andere richting moest kiezen dan de westerse overheersers het probeerden op te duwen. Weg dus met de metropool, de natiestaat en de grootschalige industrie. Voor het Oosten gold wat hem betrof een ideaal van sociale harmonie, spiritualiteit en kleine zelfstandige plattelandsgemeenschappen.

Medium al afghani

Hoewel Mishra’s ‘denkers die Azië opnieuw uitvonden’ het gezicht waren van de intellectuele revolte tegen het Westen waren ze tegelijkertijd schatplichtig aan de gehate imperialistische overheersers. Mishra legt uit: ‘Tagore groeide op in een anglofiel gezin, dat rijk werd in de Britse opiumhandel. Al-Afgahni bracht vele jaren in Europa door en Qichao reisde als een Chinese Tocqueville door de Verenigde Staten om daar de democratie te bestuderen. Wat deze denkers delen is dat ze beten in de hand die ze gevoed had. Hun recepten voor de modernisering van Azië waren een combinatie van het verwerpen en het selectief kopiëren van westerse ideeën. Zo bepleitte al-Afghani naar goed Europees voorbeeld protectionisme van interne markten, en was Qichao een groot voorstander van massa-onderwijs.’

Ook Mishra’s intellectuele coming of age liep via westerse denkers. ‘Als scholier had ik een portret van Lenin aan mijn muur en las ik allerhande sovjetblaadjes, die in de jaren zeventig volop werden verspreid in India’, vertelt hij. Zijn liefde voor het marxisme verruilde Mishra voor een affectie voor de intellectuele cultuur van de Amerikaanse East Coast, toen hij als student in de half vergane bibliotheek van de heilige stad Varanasi op het werk van de Amerikaanse journalist Edmund Wilson stuitte. In de zwierige Wilson vond Mishra zijn rolmodel. Wilson was een boegbeeld van dezelfde New Yorkse tijdschriften die nu Mishra’s platform zijn. Hoewel ze een generatie schelen, legden ze dezelfde weg af: van gretig marxisme naar een meer gematigd links-zijn. Ook Wilson stak zijn kritiek op westerse bemoeienis in Azië niet onder stoelen of banken. Hij was een fel tegenstander van de Amerikaanse Koude-Oorlogpolitiek en de oorlog in Vietnam.

Het bestuderen van de denkers die het imperialisme bekritiseerden, is meer dan een academisch tijdverdrijf voor Mishra. ‘Ik zie een parallel tussen het tijdperk van al-Afghani, Qichao en Tagore en de huidige tijd. Net als de periode 1880-1914 stonden de afgelopen twee decennia in het teken van rappe mondialisering en technologische verandering, die vanuit het Westen als een olievlek over de wereld gaan’, zegt hij. ‘En net als toen zet het de verhoudingen tussen verschillende delen van de wereld op scherp. De vraag “hoe wil Azië modern zijn?”, de vraag die Aziatische intellectuelen zichzelf een eeuw geleden stelden, is opnieuw relevant.’

Maar er is één verschil. Volgens Mishra worden vanuit Azië nauwelijks alternatieve manieren aangedragen om een maatschappij vorm te geven. ‘Een hedendaags evenbeeld van al-Afghani, Qichao of Tagore ontbreekt. Zij wezen het Westen af als een kwalijke buitenlandse invloed. Hun ideeën legden de basis voor politieke experimenten die de twintigste eeuw van Azië kenmerkten: de islamitische revolutie in Iran, het maoïsme in China, het nehruviaanse socialisme in India. Na de val van de Muur zijn we in een unipolaire wereld beland, waarin het kapitalisme de laatste ideologie is die op enthousiasme kan rekenen’, zegt Mishra, die een vleugje End of History à la Fukuyama laat doorklinken. ‘In veel ontwikkelende landen hebben de elites het kapitalisme volledig omarmd.’

Kon het Westen de rest van de wereld in 1919 nog als een lastig kind wegsturen, een eeuw later zou zoiets potsierlijk zijn

Dat gebrek aan alternatieven is vooral een intellectueel tekort, meent Mishra. Ook hier haalt het kapitalisme in zijn ogen een slinkse truc uit. ‘Het is tegenwoordig veel lastiger voor een Aziatische intellectueel om eigenstandig een gedachtegoed te ontwikkelen. De westerse politieke en economische instituties zijn overal aanwezig. En als denker word je al snel opgenomen in het internationale kringetje schrijvers en essayisten dat in dezelfde tijdschriften publiceert en elkaar tegenkomt op literaire festivals van New York tot Jaipur. Je boeken worden verkocht als “kosmopolitisch” of als “wereldliteratuur”. De tragiek is dat ook intellectuelen en kunstenaars een product zijn. Ik ben zelf onderdeel van dit systeem, ik weet het. Maar ik probeer het in ieder geval nog aan de kaak te stellen.’

Met zijn kritische houding neemt Mishra het stokje over van een vorige lichting denkers die het Westen een spiegel voorhielden, de generatie van denkers als Edward Said en de historici van de zogeheten ‘subaltern’ traditie, die Azië als ‘vergeten continent’ een eigen geschiedenis wilden geven. Het cruciale verschil tussen Mishra en zijn voorgangers is dat hij opgroeide zonder herinnering aan het kolonialisme. Iemand als Edward Said was een rolmodel van de postkoloniale filosofie. Dat label is lastig op Mishra te plakken. Hij beschrijft een wereld waar eigenlijk nog geen goed woord voor is. Een wereld waarin vrije markt en consumentisme gretig worden gekopieerd maar de rest van het westerse pakket (culturele pluriformiteit, democratie) steeds minder kan bekoren. Je hoeft maar te kijken naar Poetins euraziatische fantasieën, het succes van China’s staatsgeleide kapitalisme of de hernieuwde populariteit van het hindoenationalisme in India om te zien dat Europa en de VS nauwelijks nog als lichtend voorbeeld gelden.

Het grootste gevaar in zo’n wereld is stug volhouden dat Europa en Amerika het gelijk in petto hebben als het gaat over politiek en economie. En dat is precies wat het Westen in Mishra’s ogen doet: zich gedragen als een provinciaal die denkt dat zijn dorp de maat der dingen is, terwijl de wereld rap verandert. Dat zoiets explosieve gevolgen kan hebben, is ook een les die Mishra heeft verpakt in Op de ruïnes van het imperialisme. Daarvoor moeten we terug naar zijn beschrijving van de Vredesconferentie van Parijs in 1919, het moment waarop op de ravage van de Eerste Wereldoorlog een nieuwe wereldorde kon worden gebouwd.

‘Versailles’ is vooral de geschiedenis ingegaan als het moment waarop de geallieerden Duitsland de duimschroeven aandraaiden. Maar ook voor Aziatische naties was het een keerpunt. De doctrine van zelfbeschikking die de Amerikaanse president Woodrow Wilson verkondigde, voedde de hoop dat dit een moment zou worden waarop Azië haar vrijheid grotendeels terug zou krijgen. Het draaide uit op een bittere teleurstelling. Ling Qichao trok naar Parijs als vertegenwoordiger van China in de verwachting dat zijn land zou worden gecompenseerd voor zijn inzet voor de geallieerden. Hij kreeg nul op het rekest. De ongeschoolde arbeider Nguyen Ai Quoc, die later onder de naam Ho Chi Minh de Vietcong zou aanvoeren, huurde een pandjesjas voor een audiëntie met de westerse politici. Hij wilde vragen om autonomie in Frans-Indo-China maar kwam niet verder dan de drempel. Mohandas Gandhi, ook aanwezig, constateerde dat er niks terechtkwam van de Britse belofte om India meer zelfstandigheid te gunnen. Geen van de Europese machten bleek bereid afstand te doen van zijn wingewesten. Deze ‘vernedering van Azië’ voedde de achterdocht en haat tegen het Westen, zo laat Mishra zien. Zij echode door in de verbetenheid waarmee de imperiale machten werden bevochten tijdens de koloniale oorlogen van de twintigste eeuw.

Kon het Westen de rest van de wereld in 1919 nog als een lastig kind wegsturen, een eeuw later zou zoiets potsierlijk zijn. ‘De kindertijd van Azië is voorbij’, zoals de titel luidt van een recent artikel dat Mishra schreef voor persdienst Bloomberg. Eenmaal volwassen geworden, kampt het Oosten met een waslijst van nieuwe problemen: extreme vervuiling, schrijnende sociale tegenstellingen en corruptie en machtsmisbruik. Maar voor denkers als Mishra is het duidelijk dat het antwoord daarop niet uit de koker van de voormalige koloniale overheerser komt. Welke rol het Westen ten opzichte van ‘de rest’ zal gaan spelen deze eeuw moet blijken. Van die onzekerheid maakt Mishra gebruik. Klinkende titels als Op de ruïnes van het imperialisme doen het goed omdat ze appelleren aan de angst, zoals verwoord in 1919 door de dichter Paul Valery, die Mishra graag citeert: ‘Zal Europa worden gereduceerd tot wat het in werkelijkheid is – een uitsteeksel van het Aziatische continent?’


Beeld: (1) Pankaj Mishra. ‘De vraag “hoe wil Azië modern zijn?” is opnieuw relevant’ (Ulf Andersen / Getty Images). (2) Jamal un-Din al-Afghani