De woestijn tegen de stad

EGYPTE LEEFT AL drie jaar in de ban van de strijd tegen de radicale islamitische beweging. Sinds de staat in 1992 de uitdaging aannam, is het oorlog in Egypte. De laatste tijd zijn er steeds meer aanwijzingen dat de strijd in het voordeel van de regering is beslist. In de afgelopen jaren zijn de islamitische bolwerken in Cairo en Opper-Egypte de een na de ander overmeesterd. De recente nederlaag van de islamitische beweging in Malawi - een district van de provincie Minya in Opper-Egypte - sluit waarschijnlijk een islamitische omwenteling in Egypte uit.

Toch kunnen Egyptenaren geen krant opslaan of ze worden geconfronteerd met bloedige foto’s van neergeschoten leden van de islamitische beweging. Inmiddels kijkt ook niemand meer op van de beelden van in kooien opgesloten, bebaarde mannen die luid tegen hun proces protesteren. Zelfs de recente aanslag op president Hosni Moebarak in Addis Abeba kwam niet als een verrassing.
De keiharde onderdrukking van de islamitische beweging wordt door Hasan al-Alfi, de in juni 1993 aangestelde minister van Binnenlandse Zaken, voorgesteld als een ‘totale oorlog’ tegen de barbarij, als het opsporen en uitschakelen van terroristen. De regering greep dan ook dankbaar de recente gebeurtenissen in Japan en Oklahoma aan om het misdadige karakter van dit soort bewegingen in een internationaal kader te plaatsen. Zo verklaarde Hasan al-Alfi op de onlangs in Cairo gehouden conferentie over bestrijding van de internationale misdaad dat er 'duidelijke internationale relaties bestaan tussen drugshandelaren, handelaren in wapens en terroristische elementen’. Eerder had Moebarak al verklaard dat het respect voor mensenrechten de oorlog tegen het terrorisme niet mocht hinderen.
Hoewel het aantal slachtoffers in geen verhouding staat tot wat er in Algerije gebeurt, is dat de afgelopen jaren sterk gestegen. De Egyptische Vereniging voor de Rechten van de Mens heeft berekend dat in 1994 bijna driehonderd mensen omkwamen bij directe gevechten tussen de radicalen en het regime. Dit jaar zullen de cijfers waarschijnlijk hoger liggen, alleen al door het aantal slachtoffers in Malawi. In dit relatief kleine gebied lieten alleen al gedurende de eerste vijf maanden van dit jaar 125 islamisten het leven.
Westerse kritiek op de manier waarop de regering de 'oorlog’ voert, ligt gevoelig. Ibrahim Da'da, hoofdredacteur van Egyptes grootste dagblad Akhbar al-Yawm, beschuldigde onlangs westerse mensenrechtenorganisaties van samenwerking met de CIA en de radicale islamitische beweging. 'Hoe anders’, vroeg hij zich af, 'is de plotselinge steun voor de islamitische beweging te verklaren, en weten ze zoveel details over martelingen?’ Niet minder kritisch uitte de secretaris-generaal van de linkse Tajammu Partij, Rif'at al-Sa'id, zich over de eenzijdige westerse belangstelling voor mensenrechten. Hij moet zich al jaren omringen door veiligheidsagenten omdat hij op de hitlist van de radicalen staat, en is verontwaardigd dat niemand zich bekommert om zijn rechten.
In de discussies over de radicalel islamitische beweging wordt meestal uitgegaan van het inherent gewelddadige karakter van de islam. Zelden nemen commentatoren de context in beschouwing. Bijvoorbeeld dat de beweging grotendeels een revolte is van de provincie tegen de (hoofd)stad, een opstand van buitengeslotenen tegen de incrowd. In culturele zin kleinsteeds puritanisme tegen het kosmopolitisme van de stad.
Hierbij dringt zich de vergelijking op met opvattingen van de socioloog avant la lettre Ibn Khaldun (1337-1406) over de cyclische werking van de islamitische geschiedenis. Aan de hand van de totstandkoming van de Almoravidische en de Almohadische rijken uit de elfde en twaalfde eeuw in Marokko concludeerde hij dat uit de woestijn afkomstige, puriteinse stammen de islamitische geschiedenis voortdrijven. Door de decadente cultuurcentra te veroveren - waar de bevolking 'gewend was aan luiheid en een gemakkelijk leventje’ - wisten zij nieuwe, krachtige staten te stichten. Eenmaal zelf ten prooi aan de vadsigheid van de stadscultuur raakten ze in verval, om op hun beurt veroverd te worden.
Het levensverhaal van de profeet Mohammed vormt het archetype van dit proces. Nadat hij 'emigreerde’ (de hijra) uit het ongelovige Mekka en zich vestigde in Medina, bouwde hij daar de macht op waarmee hij later het decadente Mekka innam. Ook heden ten dage is dit patroon nog terug te vinden. In de Vereniging van Moslims in de provincie Asyut in Opper-Egypte bijvoorbeeld. De leider van de groep. Shukri Mustafa, trok zich in navolging van de profeet met zijn aanhang terug in de bergen, met als doel om daar een zuivere islamitische maatschappij op te bouwen en vervolgens de ongelovige maatschappij te veroveren.
Een ander terugkerend patroon is de klassieke noord-zuidtegenstelling, die parallel loopt aan die tussen arm en rijk. Dit patroon gaat niet alleen mondiaal op, maar ook binnen Egypte zelf. De islamitische beweging is in het zuiden sterk vertegenwoordigd en verzet zich tegen het rijkere noorden, waar de macht is gevestigd. In deze noord-zuidtegenstelling speelt zowel schuldgevoel en verantwoordelijkheidsbesef van het noorden tegenover het zuiden een rol, als de angst dat het zuiden zal oprukken om de rijkdom van het noorden op te eisen. Het resultaat is dat de westerse en zuidelijke elites elkaar vinden in de strijd tegen de zeloten uit de woestijn. De Egyptische staat werpt zich daarbij op als voorpost van de beschaving. En ook seculier links en de liberalen, die door de islamitische beweging in de armen van de staat worden gedreven, zien zichzelf als zodanig.
Wat beide elites nader tot elkaar brengt, is het gevoel dat de puriteinen erin zijn geslaagd om geleidelijk door te dringen in de beschavingscentra. De jama'at al-islamyya (islamisten) hebben zich na de massale trek van de zuidelijke bevolking naar het noorden in de volkswijken van Cairo gevestigd, van waaruit ze de regering direct kunnen treffen. In Europa heerst grote angst dat ze samen met de asielzoekers de kwetsbare centra van de beschaving binnendringen om die te ondermijnen. De bomaanslag op het Wereldhandelscentrum in New York, waarbij de Egyptische Omar Abd al-Rahman zou zijn betrokken, was de spectaculaire actie die dit cultuursyndroom zowel in Egypte als in het Westen versterkte.
HET GEWELDDADIGE karakter van de radicale islamitische beweging is vooral te verklaren uit de traditie van bloedwraak in het zuidelijke Opper-Egypte. De sociale relaties van de arme bevolking worden daar in sterke mate bepaald door de macht van de feodale grootgrondbezitters. De staat heeft er weinig invloed, en dus worden geschillen vaak onderling beslecht via bemiddeling van gezaghebbende figuren in de gemeenschap of, als dat niet lukt, door de bloedwraak of tha'r. Zolang de traditionele elite haar gezag kon handhaven door een conservatieve vorm van islam uit te dragen, bleef het geweld beperkt tot familieveten, maar nu de bloedwraak verweven is geraakt met een ideologische beweging, wordt het geweld ook ingezet voor politieke doeleinden.
Ironisch genoeg waren het de socialistische hervormingen van de seculiere president Nasser in de jaren zestig die de impuls gaven tot deze verandering. Een van de belangrijkste resultaten was dat de armen hun zonen naar de pas opgerichte universiteit van Opper-Egypte in Asyut konden sturen. De studenten ontwikkelden al gauw een tegencultuur waarin ze hun protest tegen de armoede verwoordden. Vaak gingen zij vervolgens werken in de Golfstaten, waardoor hun economische positie in de jaren zeventig en tachtig sterker werd. Zij konden nu eigen moskeeen bouwen, die behalve als centra van onderwijs en sociale voorzieningen ook dienden als haarden van verzet tegen de verhoudingen op het platteland. Deze onafhankelijke, niet door de staat gecontroleerde volksmoskeeen spelen een essentiele rol in de radicale beweging. Ze bieden de islamisten de ruimte om zich te organiseren en eigen imams aan te stellen, die een egalitaire, puriteinse interpretatie van de islam uitdragen, met duidelijke politieke implicaties.
DE CULTURELE tegenstellingen tussen het noorden en zuiden voeden ook nog eens het sociale radicalisme van de beweging. Cairo is van oudsher het centrum van de Egyptische cultuur, en daar bevinden zich ook de nationale media. Die media spreken uit naam van de hele natie, maar vertolken in feite alleen de stem van de Caireense elite, wier mission civilisatrice zij uitvoeren. Het zuiden beschikt niet over kanalen om een eigen geluid te laten horen; er bestaan geen Opper-Egyptische kranten en televisiezenders. De bewoners worden door de noorderlingen dan ook als achterlijk en dom beschouwd, zoals blijkt uit de vele moppen die over hen de ronde doen.
Deze sociaal-culturele scheidslijnen spelen ook een belangrijke rol binnen de islamitische beweging zelf. Zo zijn de leden van de gematigde Moslim Broederschap veelal afkomstig uit Beneden-Egypte en behoren zij over het algemeen tot de welgestelden. Dat impliceert ook twee verschillende politieke strategieen binnen de islamitische beweging: de radicalen zijn uit op een harde confrontatie met de staat, en de Broederschap wil de maatschappij geleidelijk islamiseren door maatschappelijke instellingen over te nemen.
In ideologisch opzicht onderscheidt de radicale beweging zich van de Moslim Broederschap door haar gebruik van het begrip takfir: de tegenstander wordt voor ongelovig verklaard omdat hij zich niet houdt aan de islamitische wet en geen islamitische staat invoert. De vraag of de maatschappij als geheel als ongelovig moet worden beschouwd, is een belangrijke bron van geschillen tussen de verschillende radicale groeperingen. Dit is niet slechts een academische kwestie, want er vloeien verschillende strategieen uit voort. Als de maatschappij als geheel ongelovig is, zal een langdurig islamiseringsproces moeten voorafgaan aan de vestiging van een islamitische staat. Zo ontleende de Vereniging van Moslims van Mustafa Shukri de bijnaam Takfir wa-l-Hijra aan haar strategie om zich in de hijra ('emigratie’) terug te trekken op grond van haar aanname dat de hele Egyptische maatschappij takfir (ongelovig) was.
Worden daarentegen alleen de politieke leiders als ongelovigen beschouwd, dan is de vervanging van die leiders voldoende om hervormingen van bovenaf door te voeren. Dit is voor de staat de gevaarlijkste situatie, want dan richt de jihad zich tegen de politieke kopstukken. Volgens de belangrijkste ideoloog en theoreticus van de Jihad-groep, Abd al-Salam Faraj, is de Jihad tegen afvallige heersers een van de belangrijkste plichten van een moslim. In zijn traktaat De verborgen plicht schrijft hij: 'Als de religieuze plichten van de islam niet in hun geheel kunnen worden uitgevoerd zonder de steun van een islamitische staat, dan is de totstandkoming van die staat ook een religieuze plicht. Als zo'n staat niet kan worden verwezenlijkt zonder oorlog, dan is deze oorlog ook een islamitische plicht.’
De oprichting van de Jihad-groep aan het eind van de jaren zeventig vormde het hoogtepunt van de radicalisering onder het bewind van Sadat. De toetreding van Abd al-Salam Faraj en de legerofficier Ubud al-Zommor was genoeg om de Egyptische regering nachtmerries te bezorgen: een militante ideologie, gekoppeld aan het organisatietalent en de militaire expertise in legerkringen. Uiteindelijk zouden Ubud al-Zommor en Khalid Islambouli (eveneens officier) in 1981 tijdens een militaire parade Sadat vermoorden.
Sadats opvolger Moebarak stond dus voor de taak een antwoord te geven op de islamitische uitdaging. De officiele strategie bestond uit het tegen elkaar uitspelen van de verschillende stromingen binnen de islamitische beweging. Zo mocht de Moslim Broederschap deelnemen aan het democratiseringsproces, terwijl de radicale beweging werd onderdrukt. De regering hoopte zo de druk van de ketel weg te nemen.
De Broederschap heeft haar positie echter versterkt door het strijdtoneel te verplaatsen naar de beroepsorganisaties in Egypte. In snel tempo won de Broederschap de verkiezingen van de Orde van Advocaten, de Landelijke Artsenorganisatie en de Landelijke Ingenieursorganisatie. Overheidsmaatregelen om die overnametactiek aan banden te leggen, hebben het gezag van het regime alleen maar verder ondermijnd, terwijl de Broederschap zich kon opwerpen als verdediger van de democratie. Zo verklaarde een van de Broederschapsleiders, Sayf al-Islam Hasan al-Banna, nu tevens deken van de Orde van Advocaten, dat 'de repressieve maatregelen waaraan de beroepsorganisaties blootstaan, in strijd zijn met vrijheid en democratie’. Hij stelde 'dat de leden van de beroepsorganisaties het recht hebben om zich te organiseren zoals ze dat willen, zonder dat de staat zich daarmee mag bemoeien.’
Het onvermogen van het regime om een creatief beleid te ontwikkelen blijkt uit de terugkeer van de radicale islamitische beweging in de tweede helft van de jaren tachtig. Toen de Cairenen in 1987 voor het eerst weer werden opgeschrikt door aanslagen op twee ex-ministers en een journalist van het weekblad al-Musawwar, was het duidelijk dat de aan de jihad-groep gelieerde beweging weer was opgestaan. In 1992 ontaardde de confrontatie in een ware oorlog: bomaanslagen op toeristen, politici en intellectuelen. Dit alles met als doel het regime te ontwrichten. In het licht van de genoemde culturele tegenstellingen is het niet verwonderlijk dat het eerste slachtoffer de provocerende satiricus Faraj Foda was. Ook Nagib Mahfoez, het symbool van de Caireense culturele hegemonie, die met zijn Nobelprijs voor de literatuur internationale erkenning had gekregen, was een doelwit.
De regering antwoordde door allereerst de islamitische bolwerken in Cairo te overmeesteren. In december 1992 drong een grote troepenmacht de wijk Imbaba binnen en arresteerde zeshonderd 'terroristen’. Vervolgens werden de volksmoskeeen overgenomen door de regering, die er gezagsgetrouwe imams aanstelde. Maar de aanslagen bleven plaatsvinden. In 1993 werden er in Cairo autobommen tot ontploffing gebracht. Aanslagen op de minister van Gezondheid, op premier Atif Sidqi en op Hasan al-Alfi bewezen dat de beweging niets aan kracht had verloren.
In het voorjaar van 1994 bracht de politie de 'totale oorlog’ ook naar Opper-Egypte en slaagde er zo in om de logistieke steun voor de beweging vanuit het zuiden te onderbreken. Ook hier was het voornaamste doel de overmeestering van de volksmoskeeen. De inname van de al-Rahma moskee in Asyut aan het begin van de campagne vormde het keerpunt. Voor het eerst bleek hoezeer de overheid haar greep op verschillende delen van Opper-Egypte was kwijtgeraakt. In Dairoet, een wijk van Asyut, was er inmiddels een radicaal-islamitische infrastructuur opgebouwd, waar de politie en andere overheidsinstanties nauwelijks meer invloed hadden. In de stad Malawi en de omringende dorpen - een agglomeratie met een miljoen inwoners - hadden elf verschillende jama'at geleidelijk hun bases opgebouwd en de overheidsbemoeienis geheel verdrongen door een alternatief dienstennetwerk.
Het is onwaarschijnlijk dat de regering na het uitschakelen van de islamitische bolwerken van alle problemen zal zijn verlost. Tot nu toe is alleen de politie efficienter en Egypte repressiever geworden. Zolang de regering haar mission civilisatrice niet serieus neemt en de zuidelijke regio’s niet ontwikkelt en grotere zelfstandigheid geeft, zal het geweld aanhouden. Hoewel het de islamisten niet is gelukt de regering omver te werpen - daarvoor is de radicale beweging te regionaal van aard; de bevolking van Beneden-Egypte heeft geen boodschap aan haar ideologie - kan de stemming snel omslaan als het regime er niet in slaagt haar imago van corruptie en incompetentie af te schudden. En dan kan de woestijn alsnog de stad veroveren.