De woestijnjaren van de sdap

Al voor de inval van de Duitsers voltrok zich binnen de Nederlandse sociaal-democratie een dramatische scheiding der geesten. Verzet, aanpassing, collaboratie - niets bleek de arbeiderszuil vreemd.

ANDERS DAN DE samenstelling ‘sociaaldemocratie’ doet vermoeden, was de band tussen socialisme en democratie niet altijd onverbrekelijk. Over de halfslachtige revolutiepoging van Pieter Jelles Troelstra in 1918 naar het voorbeeld van de radenrepubliek van Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht kunnen we kort zijn: die mislukte. Over de wonderbaarlijke uitredding van het Huis van oranje door toedoen van twee sociaal-democratische premiers (tijdens de Hofmans-affaire en de Lockheed-affaire) is het laatste woord nog niet gezegd. Dat geldt wellicht ook voor de uitspraak van enige PvdA-bestuurders in de jaren zeventig dat de Berlijnse muur 'historisch onvermijdelijk’ was. En het zou in elk geval moeten gelden voor het eerste oorlogsjaar, dat de minst verheffende maar tevens boeiendste episode uit de geschiedenis van de Nederlandse sociaal-democratie is geweest.
Nadat het Duitse leger de capitulatie had afgedwongen, voltrok zich binnen de leiding van de SDAP en de met haar verbonden organisaties een dramatische scheiding der geesten. Sommigen, zoals partijvoorzitter Koos Vorrink, waren meteen bereid tot verzet. Twee weken tevoren, op de laatste 1 mei-viering in Amsterdam, was Vorrink als een van de weinige sprekers fel van leer getrokken, niet alleen tegen Hitler maar ook tegen degenen die weigerden te geloven in een Duitse overvaltactiek. Nu het zover was, drukte hij als eerste zijn partijgenoten op het hart dat ze geen enkele illusie mochten koesteren: 'We moeten misschien voorjaren de woestijn in. ’
Anderen waren echter meteen bereid tot collaboratie. Bijvoorbeeld de waarnemend hoofdredacteur van Het Volk, Van overbeek, die de Duitse inval zo enthousiast begroette dat hij al gauw de bijnaam 'overloop’ verwierf. Zulke vrijwillige collaboratie was op zijn minst opmerkelijk in een partij die sinds 1933 op bijeenkomsten en in haar kranten, brochures en politieke verklaringen onophoudelijk had gewaarschuwd voor de agressieve bedoelingen van het nationaal-socialisme.
De beschouwingen en reportages over Duitsland die de schrijver Den Doolaard in de jaren dertig had geschreven voor Het Volk (later gebundeld in Het hakenkmis over Europa) lieten omtrent die bedoelingen geen twijfel bestaan. Den Doolaard nam in 1937 ontslag omdat zijn stukken 'te alarmerend en paniekverwekkend’ werden bevonden.
Had een deel van de confessionele pers haar lezers opzettelijk onwetend gehouden, voor de bladen van de Arbeiderspers gold daf beslist niet. Toch verlieten niet alleen individuele SDAP'ers vrijwillig het partijstandpunt uit 1937 dat 'socialisme en dictatuur onverenigbaar’ waren. Een deel van de maatschappelijke organisaties van de partij deed dat ook. geholpen door het Nederlandsche-Unievirus.
In de eerste maanden van de bezetting trachtten de grote partijen tot een gezamenlijke opstelling tegenover het Duitse gezag te komen. Het gras werd ze voor de voeten weggemaaid door de zelfverklaarde politieke vernieuwers Lindhorst Homan, De Quay en Einthoven, die een beweging stichtten onder de naam Nederlandsche Unie. Deze massabeweging (meer dan een miljoen leden) streefde J.H. Scheps een 'Nederlandsch socialisme’ na, gebaseerd op 'erkenning van de gewijzigde verhoudingen ’ en een 'nationale samenwerking op de allerbreedste grondslag’ (dat wil zeggen: een corporatieve staat). De Unie collaboreerde openlijk en stuurde aan op een fusie met de NSB en het Nationaal Front van Arnold Meijer. Het driemanschap werd voor een naoorlogs vuurpeloton behoed door de bezetter, die de beweging in december 1941 ophief.
HET GEDACHTENGOED van de Unie was niet uit nood geboren. Het bouwde voort op vooroorlogse ideeën, die een zekere aanhang hadden zowel in rechts-confessionele en fascistische kring als binnen de SDAP, met name onder religieus-socialisten. Zij putten inspiratie uit het Franse personalisme, dat zwaar tegen het fascisme aanleunde, alsmede uit het werk van de Belgische plansocialist en latere collaborateur Hendrik de Man. Vooraanstaande religieus-socialisten in de SDAP als Banning en De Jongh pleitten voor een organisch geordende samenleving waarin ieder zijn plaats kende, opheffing van verzuiling en klassenstrijd, en vervanging van de volkssoevereiniteit door een autoritair geleide democratie.
op het partijcongres van 1937 zei Banning dat een Duitse overheersing te prefereren was boven militair verzet, want dat leidde slechts tot verwildering. 'Komt er echter een dictatuur, ja zelfs een nazi-dictatuur, dan zeg ik: dat is geen ideaal, maar een dictatuur, ook als we dan niet platgeschoten zijn en als er dan niet een geestelijke verwildering door ons land is gegaan, dan is er nog een mogelijkheid van levens- en cultuurverniewing: aldus de personalistisch socialist aan de vooravond van de Holocaust.
De SDAP hief zichzelf zomer 1940 op. Liever dan een Duits dictaat af te wachten. organen als de Vara, Het Volk en het NVV namen echter een afwachtende houding aan, lieten zich gelijkschakelen en gingen kopje-onder in de collaboratie. Een voorman als W. H. Vliegen vond aanvankelijk dat de gebouwen en voorzieningen, met moeite door de achterban bijeengespaard, ten koste van alles behouden moesten blijven: Niet bedanken voor de krant, ook al ergert de inhoud, niet uittreden uit de Vara, niet bedanken, eer toetreden tot het Instituut voor Arbeidersontwikkeling.' Door zulke loyaliteit kon het NVV de spil worden van de gelijkschakeling van de arbeid en zouden uiteindelijk honderdduizend NVV'ers opgaan in het Nationaal Arbeids Front. Bij anderen had het personalistische virus zijn werk gedaan. De voorzitter van het Spoor- en Tramwegpersoneel, Joustra, verwelkomde het 'nieuwe tijdperk waarin gemeenschapszin en mensenwaarde zullen domineren:
Nog bonter maakte Vara-voorzitter De Vries het door in een toespraak te juichen over de 'maatschappelijke gemeenschap van hoger orde, die uit de weeen van deze kenteringstijd zal worden geboren', zo de toon zettend voor vijf jaar Vara-collaboratie. Het Volk voer onder Van Overbeek zo'n proDuitse koers dat directeur Van Veen juli 1940 zelfmoord pleegde. 'Deze krant is de onze niet meer', sprak Vorrink bij de crematie, maar de Rotterdamse rayondirecteur Scheffer diende hem van repliek in een brochure: 'Mogen wij dit geweldige culturele en materiële bezit der Nederlandsche arbeiders in de steek laten? Nee vrienden, dat mochten en mogen wij niet!'
IN HUN AANVANKELIJK moeizame en eenzame strijd tegen defaitisme en quasi-fascistische sentimenten in de eigen gelederen vonden mensen als Vorrink en Drees van meet af aan een medestander in de christensocialist Johan Scheps. Deze vrijzinnige Hagenaar had zich in 1931 bij de partij aangesloten en was sindsdien het land doorgereisd, met groot redenaarstalent de democratie, het socialisme en het evangelie verkondigend. De personalistische aberraties waren Scheps een gruwel en hij riep vanaf de eerste dag van d Duitse invasie op tot verzet. Toen hij via de Cineac-luidspreker op het Damrak de toespraak van De Vries had moeten aanhoren was hij 'des duivels: Hij bezocht vooraanstaande partijleden om te protesteren
organiseerde bijeenkomsten en schreef woedend brieven tegen de lamlendigheid en collabortiegeest, vooral bij Vara en NVV: 'Hetgeen in Nederland thans geschiedt, is doodgewone gelijkschakeling, gelijkschakeling, zoals men de in Duitsland gedaan heeft en zoals de Duitse Sociaal-Democraten dit hebben laten doen Hij meende bovendien dat ook socialisten het zwaard niet tevergeefs dragen en verkondigd dat gewapend verzet onvermijdelijk was.
ook toen de eerste verhoren en deportatie begonnen, bleef Scheps illegale bijeenkomste toespreken en brochures schrijven die hij m kenmerkende ijzeren-heinigheid met zij naam en adres ondertekende. Zijn beroemste brochure was Het misverstand, uitgebracht in oktober 1940. Hierin ranselde hij één voor één de tollenaars uit zijn geheiligde sociaal-democratische tempel; Ze waren voorbestemd om in smaad en schande ten onder te gaan want alleen 'de positieve weigering, de onver biddelijke en duidelijke positieve weigering, zal ons de overwinning schenken:
In 1944, een jaar na Vorrink, werd Scheps opgepakt en afgevoerd naar het kamp Amersfoort, maar tegen die tijd had zijn werk vruchten afgewerpen. Het is in niet geringe mat aan hem te danken dat in de voormalig SDAP al vroeg verzetskernen groeiden die een belangrijke rol zouden speler Johan Scheps overleed op 3 oktober vorig jaar, na een bijna levenslang en immer controversieel lidmaatschap van de SDAP en PvdA. 'De tragiek van de PvdA: zo sprak hij eens, 'is dat de democraten niet socialistisch en de socialisten niet democratisch zijn.