De wolf is een vreemdeling, de vreemdeling is een wolf.
De wolf is een gast, de gast is een wolf.
De wolf is een onbekende, de onbekende is een wolf.
De wolf is een eenling, de eenling is een wolf.
De wolf is een vluchteling, de vluchteling is een wolf.
De wolf is een gelukszoeker, de gelukszoeker is een wolf.
De buitenstaander is een wolf.
De engerd is een wolf.
De gek is een wolf.
De ander is een wolf.
De wolf is een wolf.

‘De sterkste heeft altijd gelijk’, schrijft La Fontaine in de fabel over de wolf en het lam. Het lam drinkt uit een beek, de wolf wil dat niet hebben, er ontspint zich een gesprek waarin de wolf het lam onterecht van alles kwalijk neemt. Uiteindelijk eet hij het lam op. Zo. Misschien had het lam eigenlijk wel een punt, maar dat maakt niet meer uit.‘La raison du plus fort est toujours la meilleure’, is de zin van La Fontaine in het Frans. ‘Raison’ betekent meer dan gelijk – er zit verstand in, rede, redenen, redeneren – een andere Nederlandse vertaling is: ‘Wie ’t sterkst is, is ook sterk in ’t redeneren.’

De Franse filosoof Jacques Derrida wijst in zijn werk vaak op de verbinding tussen macht en het oud-Griekse logos. ‘Logos’ is ook zo’n onvertaalbaar woord – het betekent woord, taal, rede, principe, gedachte, het denken zelf. Het is een vermogen, logos, dat in de filosofische traditie steeds als menselijk afgebakend wordt. Door mensen.

Logos, woord, rede, taal, raison, gelijk: het terrein van de mens. De wolf van La Fontaine is een mens; fabels gaan niet over dieren, de dieren beelden menstypen uit. Echte dieren hebben dat beïnvloed – met hun daden vormen ze voor een deel het beeld dat mensen van ze hebben – maar binnen de taal worden bepaalde eigenschappen uitvergroot en andere genegeerd. Het beeld dat zo ontstaat wordt herhaald totdat er een stereotype gevormd is.

De sterkste heeft altijd gelijk. Volgens Derrida slaat ‘sterkste’ hier op meer dan het afdwingen van een eigen gelijk. Wie de baas is, maakt de norm. Die norm dient als basis voor wat we allemaal als waar en rechtvaardig beschouwen, voor de wetten en de regels en de standaard. Wie afwijkt is een ander.

Een vreemdeling, een wolf.

De wolf is terug in Nederland, de mensen zijn in rep en roer. Is het wel een terugkeer, en wat is een wolf? – maar daar kom ik zo op. Ik wil het eerst nog even hebben over de taal.

Of eigenlijk logos. Of eigenlijk het politieke. Daarvoor moeten we nog wat verder terug de tijd in (dat is een van de mooie dingen van woorden: die stellen je in de gelegenheid in gesprek te gaan met de doden). Naar Aristoteles om precies te zijn, en zijn uitspraken over de politieke gemeenschap.

In de Politika schrijft Aristoteles dat de mens het enige politieke dier is. Andere dieren hebben stemmen (phonè) waarmee ze pijn en plezier kunnen uitdrukken, maar de mens is het enige dier met logos, rede, taal, en daarom als enige in staat een onderscheid te maken tussen goed en kwaad.

In een paar zinnen zegt Aristoteles veel. Hij trekt een grens tussen mensen aan de ene kant en alle andere dieren aan de andere kant. Wolven, lammeren, bijen, poezen, krokodillen, padden, haringen en slakken worden ‘dieren’. Daarmee trekt hij ook een grens om de taal. Taal is mensentaal. Andere dieren hebben alleen stemmen. Taal blijkt noodzakelijk te zijn voor politiek handelen – andere dieren zijn daar niet toe in staat – en voor het vormen van een politieke gemeenschap. Vier grenzen dus, als hekken om de dieren, de taal, het politiek handelen, de politieke gemeenschap. Dat staat netjes, die hekken. Mensen houden van hekken en grenzen, die geven een gevoel van zekerheid. Maar ze houden natuurlijk nooit alles tegen.

Dat brengt ons bij de wolf. Er wonen steeds meer wolven in Nederland. Hoeveel precies weten we niet, minstens vier families en elf enkelingen. Ze waren er lang niet. Rond 1800 kwamen er nog wolven voor in Nederland (en België: in 1830 leefden er rond Luik nog grote groepen). Aan het eind van de negentiende eeuw werd er nog eentje gezien, en daarna was het een tijd stil. Vanaf 2000 werden er af en toe weer wolven waargenomen, in de laatste zes jaar werden dat er steeds meer en in 2019 zijn er voor het eerst in eeuwen wolfjes geboren in ons land, op de Veluwe.

Wolven zijn niet uit Nederland verdwenen omdat ze hier niet konden gedijen. Ze zijn uitgeroeid, net als in andere delen van Europa. Na een tijdlang samen te hebben geleefd zoals mensen en grote predatoren op veel plekken ter wereld samenleven – met geven en nemen, met soms serieuze offers aan beide kanten – werd de wolf in de loop van de Middeleeuwen een vijand van de mens.

Mensen hadden het zwaar in die tijd, onder andere door de pest en de kleine ijstijd die oogsten deed mislukken. Met het toenemen van de schaarste werden wolven steeds meer concurrent van de mens, en in die tijd veranderden ook de verhalen die mensen elkaar over wolven vertelden. Oudere volksverhalen, maar ook de Noordse mythologie of de legende over het ontstaan van Rome, beschreven wolven op verschillende manieren. Soms waren ze tegenstander of roofdier, soms moeder of beschermer, soms vertegenwoordiger van de natuur, van een wilde wereld waar we ontzag voor hadden.

In de elfde eeuw begon de wolf op te duiken in religieuze verhalen. Monniken die zich door materiële zaken lieten afleiden werden afgebeeld als wolfmonnik. Niet lang daarna werd de Ysengrimus geschreven, een Latijns dierenepos waarin wolf Isengrim en vos Reinaert de hoofdrol speelden. Isengrim stond symbool voor corrupte monniken die ten onder gingen aan hun hebzucht, Reinaert voor de armen. Wij kennen de opvolger daarvan beter, Van den vos Reynaerde. Ook daarin komt de wolf Isengrijn terug, als vraatzuchtige en domme figuur.

Vanaf die tijd gaat het bergafwaarts met het imago van de wolf. In fabels zijn wolven wreed en hebberig. In sprookjes zijn ze vooral wreed, niet zo listig als vossen, maar wel dreigend, gevaarlijk. Ze komen het huis in, zoals bij de drie biggetjes, en kruipen zelfs in grootmoeders bed. Bij Dante is de wolf hebzuchtig, Shakespeare noemt slechteriken wolven.

‘Wolf, ga terug naar je eigen land.’ Maar dit is hun land. Dit hele continent is net zo goed van hen als van ons

In volksverhalen neemt ondertussen de populariteit van de weerwolf toe. Het is geen nieuw personage, die weerwolf, in de Griekse oudheid komt hij al voor, maar in de Middeleeuwen dringt de wolf in Europa het collectieve bewustzijn binnen. Vooral in Frankrijk, waar wolven net als vrouwen en katten verbrand worden als heksen.

Wolven stalen schapen en andere dieren van mensen, ze waren een echte tegenstander, lichamelijk of tenminste economisch. Maar het beeld van de wolf als vijand, dat ten grondslag ligt aan het uitroeien van de wolven in grote delen van Europa, ontstond in en door deze verhalen. Fabels en religieuze verhalen waarin monniken als wolven worden afgebeeld willen niet iets over dieren zeggen, maar het beeld dat ze van die dieren schetsen gaan mensen vervolgens wel met hen associëren. Er ontstond een narratief dat het doden van wolven legitimeerde en mensen er zelfs toe aanspoorde.

In de wetenschappelijke literatuur over de demonisering van de wolf wordt steeds gewezen op de rol van de kerk in deze beweging: de wolf en de weerwolf werden afgebeeld als afgezanten van de duivel, ze stelden ketters voor. En die associatie met de duivel is diep in onze cultuur gesleten. Waarschijnlijk hebben weinig andere dieren in de geschiedenis zo te lijden gehad onder negatieve beeldvorming. (Hoewel ratten, muggen en kakkerlakken ook niet echt een topreputatie hebben.)

Is uitroeien trouwens het goede woord? Of is het volkerenmoord? Soortmoord? Allebei? Wolven vormen gemeenschappen, ze hebben culturen die van plek tot plek verschillen. Ze zijn sociaal, slim, zorgen goed voor andere wolven, werken samen, bijvoorbeeld in de jacht. Etholoog Marc Bekoff en filosoof Jessica Pierce schrijven in Wild Justice dat ze rechtvaardigheidsgevoel hebben. Yason Badridze, een Georgische wolvenonderzoeker die in de jaren zeventig een paar jaar met een groep wolven optrok, schrijft over hun altruïsme en empathisch vermogen. Ze deelden hun eten met hem en redden hem toen hij werd aangevallen door een beer. Ze zorgden ook goed voor een oudere wolf in de groep die kreupel was en niet veel meer kon.

Wolven spreken met elkaar, door middel van geluid, aanraking, geur, oogcontact. Ze spreken niet overal dezelfde taal. Holly Root-Gutteridge, wolvenonderzoeker, onderzocht verschillen tussen de talen van Amerikaanse en Europese wolven. Groepen wolven die bij andere gemeenschappen in de buurt wonen nemen soms aspecten van hun taal over. Rode wolven doen op bepaalde plekken in Amerika het huilen van coyotes en Amerikaanse wolven na. Wat hun gehuil betekent weten we nog niet precies, het onderzoek daarnaar is nog maar net begonnen.

Dat het nog maar net begonnen is geldt voor veel onderzoek naar dierentalen. Dat komt doordat dieronderzoek de neiging heeft om bestaande vooroordelen over dieren te versterken. Onderzoekers zijn ook maar producten van hun omgeving. Voor alle dierentalen geldt dat er eeuwenlang werd aangenomen dat mensentaal de enige taal is – denk aan Aristoteles, en die was trouwens nog genereus in het duiden van wat dieren deden en konden; pas later in de filosofische traditie werden dieren machines. Omdat mensentaal werd gezien als de enige taal werden de talen van andere dieren niet onderzocht, want waarom zou je iets onderzoeken wat niet bestaat.

De Franse psycholoog Vinciane Despret onderzoekt dieronderzoekers. In haar boek Wat zouden dieren zeggen als we ze de juiste vragen stelden? bespreekt ze wolvenonderzoek onder het kopje ‘hiërarchie’. Om twee redenen: hiërarchie werd lang gezien als een centraal onderdeel van de wolvencultuur, en het beeld dat we hebben van wolvenhiërarchie heeft ons denken over menselijke sociale verhoudingen beïnvloed.

Volgens onderzoekers staat in een wolvengemeenschap een man centraal: de alfaman. Bij hem hoort de alfavrouw, die iets onder hem in rang staat. Daarna komen de bèta’s, enzovoort. Deze theorie, schrijft Despret, is gebaseerd op waarnemingen in dierentuinen en -parken. Wolven die elkaar niet kenden werden bij elkaar gezet in groepen, vaak met onvoldoende voedsel en onvoldoende ruimte – de wolven konden niet vertrekken. Deze wolven probeerden er het beste van te maken, zoals dierentuindieren dat altijd doen, en schikten zich, soms na strijd, in een bepaalde sociale situatie. Met een noodzakelijke hiërarchie heeft die echter weinig te maken. Dat bleek toen een van de wolvenonderzoekers in de jaren negentig wilde wolven ging volgen. Zij leefden ook samen in groepen, maar die waren gebaseerd op familieverbanden en zorg, in plaats van strijd.

De onderzoekers waren volgens Despret zo dol op dit systeem omdat ze ook menselijke machtsrelaties hiërarchisch opvatten. Zoals die tussen man en vrouw. Wat natuurlijk is wordt vaak als legitimatie gebruikt voor hoe het zou moeten zijn. Maar aan de verhoudingen tussen de wolven die bestudeerd werden was weinig natuurlijks. En natuur is zelf een begrip dat steeds opnieuw gedefinieerd wordt, afhankelijk van culturele verstandhoudingen op een bepaald moment.

De mannelijke dominantie in de wolvengemeenschap bleek een mythe, die zich voegde bij de rest van de hardnekkige verhalen die ons beeld van wolven bepalen.

Bij die hardnekkige verhalen hoort ook het idee dat wolven en mensen niet samen kunnen leven. De Finse historicus Heta Lähdesmäki schreef een artikel over de verhouding tussen wolven en mensen in Finland. Het lot van de wolven in Finland hangt momenteel aan een zijden draadje: er gaan veel stemmen op om ze uit te roeien.

Veel Finnen zien wolf-mensverhoudingen als een conflict, of zelfs een oorlog. Vaak noemen ze in discussies dat niet-hondsdolle wolven in de buurt van Turku in de negentiende eeuw drie keer een kind doodden. Ze vinden daarom dat het grootschalige doden van wolven aan het eind van die eeuw terecht is. Ook denken de meeste Finnen dat de wolf tot 1973 weg was uit Finland, sindsdien worden wolven mede onder invloed van de Europese regelgeving beter beschermd. Maar het archiefonderzoek van Lähdesmäki laat zien dat de wolven er wel degelijk waren. Ze werden door het grote publiek alleen vaak niet opgemerkt.

Lähdesmäki denkt dat de problemen tussen wolven en mensen van nu samenhangen met die interpretatie van het verleden. Wie denkt dat relaties met wolven altijd conflictueus waren en dat het uitroeien van alle wolven mogelijk is, heeft een andere houding naar wolven dan wie denkt dat wolven en mensen vroeger konden samenleven en dat de wolven er altijd waren.

Ons cultureel geheugen is selectief, schrijft Lähdesmäki, of het nu om passief of actief vergeten gaat. Maar daarin schuilt ook een belofte. Elk heden levert een nieuwe blik op, kan de betekenis die we toekennen aan eerdere gebeurtenissen wijzigen. Het verleden is niet eenduidig en wat vergeten is, kan opnieuw naar voren gebracht worden. Zo worden er momenteel veel vrouwen en niet-witte mensen de geschiedenis in geschreven.

Mensen houden van hekken en grenzen, die geven een gevoel van zekerheid. Maar ze houden natuurlijk nooit alles tegen

In het geval van de wolven en mensen in Finland zit de hoop in de minder vaak vertelde verhalen over het samenleven. Over wolven die mensen negeren en vermijden (wat het grootste deel van de wolven doet), over mensen die wolven en de verliezen die ze meebrengen accepteren omdat ze bij de wereld horen, bij de dingen die groter zijn dan wij, zoals ziekte en dood en kou. Dat accepteren wil niet zeggen dat het samenleven vanzelf gaat. Het levert juist problemen op. Dat geldt voor alle relaties – tussen mensen zal het samenleven ook nooit harmonieus zijn. Maar dat je dat kunt uitbannen is een illusie. Je kunt je beter oefenen in de moeilijkheid. De Amerikaanse wetenschapsfilosoof en bioloog Donna Haraway noemt deze houding staying with the trouble. Bij de problemen of moeilijkheden blijven. Een onderdeel daarvan is dat je jezelf niet boven de ander plaatst, maar begrijpt dat je deel uitmaakt van hetzelfde web.

Bij de problemen blijven, zoals in het leren leven met wolven, is als in Finland ook in Nederland niet alleen van belang voor die wolven. Veel van de grote crises van deze tijd – klimaatcrisis, coronapandemie, het uitsterven van soorten – hangen samen met menselijk uitzonderingsdenken, ook antropocentrisme genoemd. In dat wereldbeeld zijn mensen niet alleen speciale dieren, maar ook beter dan de andere dieren. Dat uitzonderingsdenken heeft ertoe geleid dat we de aarde en haar inwoners, waaronder mensen elders in de wereld, ongelimiteerd konden gebruiken voor ons gewin.

Om de problemen die daardoor veroorzaakt zijn te kunnen aanpakken moeten mensen zichzelf anders begrijpen, als deel van het geheel. Want zolang de uitzonderingspositie intact blijft, zullen we onszelf altijd boven de rest van de wereld blijven stellen. En dat blijft de vernietiging van de natuurlijke wereld mogelijk maken.

Bij de problemen blijven en jezelf als deel van een groter ecologisch web begrijpen is niet per se makkelijk of comfortabel. Integendeel. En met de ander – de wolf, de vreemdeling, de onbekende – leren leven betekent niet de ander inlijven of hetzelfde maken, maar diegene als ander tegemoet leren treden. Andere verhalen kunnen hierbij helpen.

‘Het is een kwestie van tijd voordat de wolf een kind aanvalt’, zei Caroline van der Plas van de bbb tegen de nos. ‘Roodkapje? Het is straks geen sprookje meer in Nederland.’

In The Bloody Chamber and Other Stories van Angela Carter staan drie wolvenverhalen. ‘Het is een noordelijk land; ze hebben koud weer, ze hebben koude harten’, begint The Werewolf. Oma is ziek, zegt een moeder tegen een meisje, en stuurt haar met een mand eten op pad. Ze heeft haar mes mee, want in dat koude land, waar de wolven uitgehongerd zijn, leren kinderen, ook meisjes, met een mes om te gaan.

Het duurt niet lang voor de wolf komt, met grote rode ogen. Elk kind zou sterven van schrik, schrijft Carter, maar niet dit bergmeisje. Ze hakt in één keer de linkervoet van het dier af. De wolf huilt van schrik en rent er op drie poten vandoor. Het meisje vouwt de voet in haar zakdoek en neemt hem in haar mandje mee. Oma blijkt nog steeds ziek. Ze heeft koorts. Als het meisje de poot uit haar mandje haalt is het een mensenhand geworden, met een wrat en een ring – het lijkt de hand van oma wel. Het meisje roept de buren om hulp. Zij herkennen in de hand de hand van een heks en stenigen de oude vrouw zonder tijd te verspillen.

In het volgende verhaal, The Company of Wolves, spelen verschillende weerwolven een rol. Maar dat zijn geen wolven, het blijken steeds mannen die vrouwen mishandelen, verkrachten en doden. Het verhaal daarna, Wolf-Alice, gaat over een meisje dat bij de wolven opgegroeid is. Ze is een buitenstaander in de mensenwereld, maar haar wolfachtigheid helpt haar ook om zichzelf te worden, om niet te hoeven voldoen aan de verwachtingen die er van een vrouw zijn.

Drie tegensprookjes: de grootmoeder is een wolf, het patriarchaat is een wolf, de zelfstandige vrouw is een wolf. Of misschien is de wolf drie keer niet het probleem. De grootmoeder is een weerwolf die haar kleinkind aanvalt, maar uit honger, ze is ziek geweest en zwak, en bovendien laat ze haar poot zo afhakken – het meisje kan de wolf goed aan. In het tweede verhaal zijn de wolven geen wolven, het zijn mannen, waar vrouwen zich door in de luren laten leggen, of die met geweld nemen wat ze denken dat hun toekomt. In het laatste verhaal is anders leven met wolven het begin van een nieuw soort menselijkheid.

Het zijn drie variaties op de boodschap van Roodkapje, die niet is dat een meisje alleen in het bos gevaar loopt, maar dat ze op haar maagdelijkheid moet passen. De wolven zijn niet het probleem, schrijft Carter, dat is het systeem waarin vrouwen bang worden gemaakt en kleingehouden. Verhalen bestendigen dat geweld en daarom hebben we andere nodig.

De Nederlandse kinderen hebben ondertussen minder te vrezen van wolven dan van politici als Van der Plas die de klimaatcrisis en het verlies van biodiversiteit niet serieus nemen en daarmee hun toekomst op het spel zetten.

De wolf is terug in Nederland. Of het nu een weer-wolf is, of een nog-steeds-wolf, of een altijd-al-geweest-wolf. De echte wolven zijn terug en de Nederlanders buigen zich in alle redelijkheid over de vraag of ze vermoord moeten worden. Hoe zouden we dat ook al weer noemen – uitroeien, moord, genocide, of gewoon vreemdelingenhaat? Wolf, ga terug naar je eigen land. Maar dit is hun land. Dit hele continent is net zo goed van hen als van ons. Nee hoor, zeggen de boeren, dit is ons land. Dit zijn onze dieren. Maar een eenzijdig contract is geen contract. En macht is niet hetzelfde als recht. Daar waarschuwde La Fontaine ons al voor.

Weten hoe we ons tot wolven moeten verhouden begint met begrijpen hoe ons idee over hen gevormd is. Het verleden speelt daar een rol in, net als de sprookjes die we nog steeds vertellen, maar er worden steeds nieuwe beelden aan toegevoegd. De wolvenfamilie op de Veluwe die voor de webcam langs loopt. Een jonge wolf omringd door fotografen, een andere jonge wolf die achter een fietser aan rent. Een dode pony met grote open wonden. Bebloede schapen in een veld. Die beelden maken deel uit van een groter narratief over de natuur, waarin de wolf een woest en gevaarlijk roofdier is. Net als dat andere begrip, natuur, is dat beeld van de wolf gevormd door onze cultuur en machtsverhoudingen. Een nieuwe houding aannemen vraagt om tegensprookjes, kritisch denken, het serieus nemen van dierentalen, soms om hekken, en vooral om het anders delen van de ruimte.

Minister Christianne van der Wal wil dat er in Nederland een dialoog over de wolf op gang komt. Waarschijnlijk bedoelt ze daarmee een mensendialoog, maar wolven zouden ook mee moeten kunnen praten. Net als de schapen, hoewel het de vraag is of ze dat willen – in 2020 doodden de wolven volgens Stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe 295 schapen. Maar mensen vermoordden er dat jaar volgens het cbs 685.300.

We zijn op allerlei manieren al met wolven in gesprek – door hekken en andere interventies in het landschap, tijdens ontmoetingen, door onze aanwezigheid. Die dialoog serieus voortzetten zal niet makkelijk zijn. Samenleven met anderen is niet makkelijk, en zal dat ook nooit worden. Maar blijf maar bij de problemen. Want je kunt zelf altijd het volgende probleem zijn. Voor de wolven is het ook niet zo eenvoudig om met ons te leven, met al die snelwegen, boskap en geweren.

De sterkste heeft niet altijd gelijk. Dit essay gaat over woorden en verhalen, maar die verwijzen naar de echte wolven, die eeuwenlang te lijden hebben gehad onder menselijk geweld. We zouden ze daarvoor onze excuses moeten aanbieden, als begin van een nieuw verhaal.

Eva Meijer is filosoof, schrijver, beeldend kunstenaar en singer-songwriter. Ze schreef veertien boeken, fictie en non-fictie. Dit essay is een bewerking van de Blamanlezing die ze op 26 februari 2021 uitsprak op het festival Woordnacht in Rotterdam