De wondere wereld van

Ik kan het cliché niet meer horen, dat het een ramp is als er een schrijver in de familie huist. Het zijn altijd schrijvers zelf die het zeggen – afgelopen week David Vann in de krant – en ze zeggen het altijd met te veel eigenliefde. Wat nou ramp, maak jezelf niet belangrijker dan gerechtvaardigd. Jij maakt er ook maar een verhaal van.

Het is geen ramp dat ik de bloknoot van mijn moeder in mijn tas stop. Mijn moeder weet heel veel dingen niet meer, maar kan nog wel schrijven. Ik vraag me af hoe dat werkt, in haar hoofd. Waarom ze die dingen opschrijft. Ik had Mokusei! van Cees Nooteboom uit mijn boekenkast gepakt, ik herinner me dat daarin iets staat over het geheugen van het lichaam. Dat het lichaam zich pijn herinnert, verdriet. Een gevaarlijk boek, Mokusei!, ik kan er beter niet te lang in lezen. Voordat ik de bewuste passage vind, heb ik allemaal al weer andere passages gelezen.

Of ik nog klachten had, vroeg de tandarts van de week.

Nee, zei ik, naar eer en geweten.

Pas toen ik mijn mond had geopend en zij begon met de boel aan te raken met haar tangetje, en de rechteronderkant naderde wist ik weer dat ze daar niet mocht komen. Mijn mond herinnerde het zich.

Waarom lachen mensen als ze je de vreselijkste dingen zeggen? Ach, zegt u, ongemak, verlegenheid. Nee, dat is het niet. Het is pure dommigheid, of sadisme, maar ik denk toch pure dommigheid. Mijn moeder moet verhuizen omdat het tehuis waar ze woont tegen de vlakte gaat. Ja, over rampen gesproken. Samen met mijn zus staar ik naar de plattegrond van haar nieuwe optrekje, kleiner dan waar ze nu zit. Haar linnenkast kan niet mee, toilettafel idem. En het bureau? Misschien kunnen we een deel van de boekenkast uitsparen, zeg ik, en dan het bureau daarin schuiven.

Een lid van het verzorgend personeel kijkt met ons mee.

Ik heb gehoord dat het heel erg tegenvalt, zegt ze, lachend.

Dat wát tegenvalt? vraag ik. En haal die lach van je gezicht. Dat laatste zeg ik niet.

De ruimte, zegt ze. Het valt echt erg tegen.

Ik zal het nu niet erger maken dan door te schrijven dat ze nog steeds lacht. Maar ze lacht nog wel, dus.

Ik ga buiten even een sigaretje roken, zegt m’n zus.

Ik doe met je mee, zegt de lachende verzorgster.

We hebben net een middag gehad over ‘de wondere wereld van de dementie’. De eerste keer dat tegen me werd gezegd dat mijn moeder Alzheimer had, dacht ik: o gelukkig, ze is niet dement. Toen mijn vader thuiskwam van de dokter met de mededeling dat hij een tumor in zijn lichaam had, dacht ik: o gelukkig, hij heeft geen kanker.

Een van de ontroerendste dingen op de begrafenis van Theo van Gogh vond ik dat zijn zussen hem ‘rond’ noemden. Hij had een opstapje nodig om zijn fiets te kunnen bestijgen. Ze zeiden het zo lief, net als dat de hond helemaal naar zijn aftershave rook als die bij hem was geweest.

Wie knuffelt mijn moeder nog? M’n zus, die zit daar niet mee. Ik durf het niet zo goed, terwijl we toch dezelfde opvoeding hebben gehad.

Maar je hebt dus zen-dementerenden, dolers en evenwichtzoekers, in die wondere wereld. Het slechtst ben je af als je evenwicht zoekt, maar je niet meer goed kunt bewegen.

Houd oogcontact, was het devies. Creëer een prettige sfeer. In een kamer die kleiner is dan een studentenhok.

De eerste keer dat ik m’n dochter ophaalde van de crèche en alle peuters bijeengedreven zag op een ‘speeldoek’ dacht ik: vluchtelingen, Irak. Maar toen was de Golfoorlog nog gaande.

M’n moeder keek me aan. Heb ik nog vragen?

Nee mam, je hebt geen vragen.

In haar bloknootje staat: Beneden zijn 10.00 uur. Volgende blaadje: E. (mijn zus) gaat naar Berlijn. Eronder een streep en: Hoe was het in Berlijn.

Volgens de verzorgers vertoont mijn moeder ‘façadegedrag’.

Stel je de wondere wereld voor als mensen geen façadegedrag meer vertonen.

M’n moeder schrijft: Ze gaan kijken naar een ander huis voor mij. Want hier moet ik weg. Dat zal nog niet heel erg meevallen. Maar ja, ik geef mij maar over. En ja wie weet valt het wel mee. En zij hebben het beste met mij voor. Als J. was blijven leven, was dit nooit gebeurd. En wie weet, wat de toekomst mij zal brengen. Misschien is mijn leven niet zo lang meer. Ik ben ook al 80 jaar geweest. En eens komt het einde. Maar het is mijn eigen schuld. Ik laat het toe. En daar was J. al zo ongerust over. Hij kan mij niet meer helpen. Ik moet het zelf doen.

‘Zelf doen’ heeft ze onderstreept.

M’n zus komt weer binnen, alleen.

‘Ze vinden me op jou lijken mam’, zegt ze tegen m’n moeder, lachend.

En tegen mij: ‘Ja ik heb ze al gezegd: m’n zus is wat serieuzer.’

Vroeger noemde ze me nog gewoon sacherijnig.