De wonderkinderen zijn total loss

AAN DE VOORAVOND van Kerstmis wisten bankiers uit de Verenigde Staten en Europa maar ternauwernood een wereldwijde financiële catastrofe af te wenden. De toezegging van 57 miljard dollar, het grootste steunpakket dat ooit door het IMF voor een land in elkaar is gezet, bleek onvoldoende om Zuid-Korea te stabiliseren. Het land dreigde in een acute liquiditeitscrisis terecht te komen. Als Zuid-Korea haar schulden niet meer had kunnen aflossen, zouden meer landen in Azië failliet zijn gegaan, met een door de financiële wereld zo gevreesde ‘systeemcrisis’ als resultaat.

Blijkens een reconstructie in de Financial Times belde de Amerikaanse minister van Financiën Rubin, voormalig vice-voorzitter van de raad van bestuur van beleggingsmakelaar Goldman, Sachs & Co, daarom persoonlijk met de presidenten van een aantal grote Amerikaanse banken om hen op te roepen hun bijna aflopende leningen aan Korea te verlengen. Nadat Bill Rhodes, vice-president van Citicorp, net als tijdens de Latijns Amerikaanse schuldencrisis van 1982 van vakantie was teruggehaald om de buitenlandse banken zo ver te krijgen dat ze ook meededen, kon het overgrote deel van de Koreaanse leningen worden doorgerold. Pas nadat het IMF en dertien westerse landen, waaronder Nederland, ook nog eens tien miljard dollar aan leningen aan Korea versneld hadden vrijgegeven, was de crisisdreiging van tafel. Voorlopig, want inmiddels wordt koortsachtig gewerkt aan een plan om aflossing van de Koreaanse schulden verder vooruit te schuiven tot tenminste maart. Niemand denkt meer dat deze crisis snel zal overwaaien.
IN EEN PAAR maanden tijd zijn de veelvuldig geprezen Aziatische wonderkinderen total loss geraakt. De Wereldbank noemde de economische ontwikkeling van de Aziatische tijgers tot voor kort een regelrecht mirakel. Nog geen drie maanden voor het uitbreken van de crisis in dit land prees het IMF Korea in haar jaarrapport om haar ‘indrukwekkende macro-economische performance’ en 'benijdenswaardige fiscale staat van dienst’. En ook Thailand, waar de Aziatische crisis op 2 juli vorig jaar met een devaluatie van twintig procent van de baht van start ging, werd aan de vooravond van de economische ineenstorting door het IMF geprezen vanwege haar 'opmerkelijke economische prestaties’ en 'gezond macro-economisch beleid’.
De economische ineenstorting van Zuidoost-Azië kwam als een donderslag bij heldere hemel. Het is geen wonder dat analisten, economen en internationale instanties bij het uitbreken van de crises in Thailand, Maleisië en de Filippijnen om strijd benadrukten dat er geen reden tot zorg was, omdat de fundamenten van deze economieën goed zijn. Die geruststellende woorden verdwenen als sneeuw voor de zon nadat op 24 juli talloze Aziatische munten instortten en vervolgens Indonesië en - begin oktober - zelfs Zuid-Korea in de problemen kwamen.
Eind oktober kelderden de beurskoersen wereldwijd met soms meer dan twintig procent. Steeds duidelijker wordt het dat de recessie in Japan ook niet zomaar overgaat. Sindsdien is er sprake van paniek. De omvangrijke hulpprogramma’s van het IMF blijken niet te werken en de vrije val van Aziatische munten en de beurskoersen is niet te stuiten. De kans dat Taiwan en Hongkong, waar de Peregrine Investment Bank al gesneuveld is, de dans ontspringen wordt steeds kleiner. Rond de jaarwisseling klonken voor het eerst bezorgde woorden uit China, waar de verwachte groei over 1997 officieel verlaagd werd van 10 naar 8,8 procent. Als de crisis zich tot deze landen uitbreidt, kunnen het IMF en de Oeso hun voorspellingen over de economische groei in de komende jaren in de prullenbak gooien.
HET KAN verkeren. Een halfjaar geleden betoogden deskundigen en internationale organisaties nog dat een nieuwe wereldwijde expansie in het verschiet ligt. Hier en daar werd zelfs gediscussieerd over de gevaren van te veel groei. Inmiddels verwacht het IMF dat de crisis in Azië in 1998 wereldwijd tot zeker 0,8 procent minder groei zal leiden dan eerder werd geraamd, terwijl de Oeso de groeiverwachting voor haar lidstaten in 1998 met 0,9 procent naar beneden bijstelde. Nieuwe neerwaartse correcties zullen volgen, want deze prognoses lopen achter bij de feitelijke ontwikkelingen en zijn daardoor te optimistisch. Zo kan zelfs de introductie van de euro minder vanzelf gaan spreken wanneer de groei in Europa onder invloed van de crisis in Azië daalt en belangrijke EU-lidstaten als Frankrijk en Duitsland daardoor over het maximaal toegestane financieringstekort van drie procent heen gaan. De Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties vindt daarom dat de Unie zich moet herbezinnen op het tijdschema voor de euro. Maar Sir Nigel Wicks, voorzitter van het Monetaire Comité van de EU, verklaarde begin januari in het Europees Parlement dat de crisis in Azië nauwelijks gevolgen voor Europa zal hebben, aangezien EU-lidstaten maar een klein deel van hun export in dat deel van de wereld afzetten.
OP ZICHZELF IS dat een juiste constatering, maar de Aziatische depressie kan ook allerlei indirecte gevolgen hebben. Als winsten van multinationals die direct in Aziatische landen geïnvesteerd hebben minder stijgen dan verwacht, kan dat leiden tot koersdalingen op de beurzen in de EU en de Verenigde Staten. Electrolux en Volvo hebben daar al voor gewaarschuwd. Wanneer Shell, Unilever en Philips volgende maand hun jaarcijfers over 1997 presenteren, zal daar vermoedelijk aan te merken zijn dat zij flinke investeringen in Indonesië hebben. Concurrenten van Aziatische bedrijven zullen het merken wanneer die hun instortende binnenlandse verkopen gaan compenseren met extra prijsverlagingen op exportmarkten. Terwijl zijn Europese collega’s nog bezig zijn met de vorige oorlog tegen het inflatiespook, denkt Greenspan, president van de Amerikaanse centrale bank, inmiddels hardop na over de desastreuze gevolgen voor de rente, de consumptie, de investeringen en exporten. En over een wereldwijde deflatie.
Het IMF beleeft intussen haar finest hour. Evenals eerder bij de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis van begin jaren tachtig en de Mexicaanse peso-crisis van drie jaar geleden hangt de wereld aan haar lippen. Regeringen, presidenten en parlementen van door economische rampspoed getroffen landen dansen naar haar pijpen. Met Indonesië, Zuid-Korea, Maleisië en de Filippijnen erbij worden nu in maar liefst 75 landen IMF-programma’s uitgevoerd. Zulke steunprogramma’s komen alleen onder zeer strikte voorwaarden tot stand. Het door het IMF voorgeschreven recept komt voor elk land dat in de problemen raakt op hetzelfde neer: hogere rente; drastische bezuinigingen; minder beperkingen op import; minder subsidies op primaire levensbehoeften; bevriezen of verlagen van de lonen; minder barrières voor buitenlandse investeerders om een belang in binnenlandse bedrijven te nemen, en ten slotte een verdergaande liberalisering van het grensoverschrijdend kapitaalverkeer.
De consequentie van veel van deze maatregelen is dat de crisis niet vermindert maar juist erger wordt. Dat geldt zeker ook voor de op geen enkele manier economisch te onderbouwen pro-cyclische eis aan de regeringen van Indonesië en Thailand dat zij in 1998 een begrotingsoverschot van één procent van het nationaal inkomen dienen te hebben. Het standaardantwoord van het IMF op dit soort kritiek is dat pijn lijden in eerste instantie onvermijdelijk is, maar dat het voorgeschreven bittere medicijn op de langere termijn heilzaam zal werken. Maar omdat de IMF-oekazes de huidige crisis in Azië niet afremmen, beginnen gerenommeerde mainstream-economen als Sachs (Harvard), Buiter (Bank of England) en Stiglitz (Wereldbank) het voorgeschreven beleidspakket te bekritiseren. Volgens Jeffrey Sachs, zelf als adviseur van regeringen in Polen, Bolivia en andere landen in Oost en Zuid nooit te beroerd voor een stevig bezuinigingspakketje, is de situatie uit de hand gelopen. In de Financial Times bekritiseerde hij de ongehoorde macht van het IMF: 'Het is absurd dat de kleine groep van duizend economen in 19th Street in Washington de economische levensomstandigheden dicteert aan 75 landen met ongeveer 1,4 miljard inwoners.’
Het door het IMF voorgeschreven beleid is niet alleen maar technocratisch en arrogant, het dient duidelijk definieerbare gevestigde belangen. Het Fonds is de spreekbuis en internationale zaakwaarnemer van de banken. Alle inzet is er dan ook op gericht een mondiale financiële crisis te voorkomen door ervoor te zorgen dat de leningen van westerse banken volledig worden terugbetaald. De zogenaamde hulpprogramma’s voor Aziatische landen zijn vooral steunoperaties om te voorkomen dat grote westerse banken omvallen. De hulp is gegarandeerd door - en dus in laatste instantie betaald door - de belastingbetalers.
DE VELE IMF-missives om meer marktwerking en een betere toegang voor westers kapitaal af te dwingen, zijn in het belang van internationale ondernemingen. Zoals uit de berichtgeving over op koopjes azende multinationals blijkt, hopen veel managers van grote bedrijven door de crisis in deze landen goedkope productiecapaciteit en marktaandelen te kunnen overnemen. Van de schrijnende sociale gevolgen voor de bevolking van de getroffen landen ligt het IMF niet wakker.
Zoals altijd betalen de gewone mensen de hoogste prijs voor de crisis. Vele miljoenen die nooit enige bemoeienis hebben gehad met aandelen of valutamarkten, worden nu het slachtoffer van prijsstijgingen, hogere rentebetalingen op in betere tijden afgesloten kredieten, bevroren of verlaagde lonen en massaontslagen. De Koreaanse vakbondsleden die zich op een spandoek afvroegen of IMF wellicht 'I’M Fired’ betekent, voelen de verhoudingen uitstekend aan.
VOLGENS DE MEEST gehoorde verklaring voor de crisis storten de Aziatische wondereconomieën in elkaar omdat de financiële sector in deze landen niet voldoende gemoderniseerd is en omdat te veel risicovolle leningen aan bedrijven zijn verstrekt, als gevolg van intensieve overheidsbemoeienis en een overdosis vriendjespolitiek. Het IMF en de regeringen van haar belangrijkste lidstaten, de Verenigde Staten voorop, eisen daarom minder overheidsbemoeienis en een grotere financiële en handelsopenheid van deze landen, opdat de internationale markten ongeremd hun werk kunnen doen. Dat is een ideologisch antwoord met grote gevolgen. De werkelijke oorzaken van de huidige ramp worden er niet door aangepakt maar er juist door verergerd.
De huidige crisis in Azië is een schoolvoorbeeld van overaccumulatie. Jaren achtereen konden de tijgers hoge groeicijfers scoren door de exporten steeds verder op te voeren en door dure technologie te importeren uit Japan en andere rijke landen. De binnenlandse markt bleef onderontwikkeld, aangezien de lonen omwille van de exportmarkten laag werden gehouden. In de hoop dat die hoge groei zou voortduren is de productiecapaciteit door de jaren heen steeds verder uitgebreid, gefinancierd door leningen en met op de indrukwekkende groei afgekomen buitenlands kapitaal.
Maar dit hele bouwwerk stort als een kaartenhuis in elkaar wanneer de groei tegenvalt of als het vertrouwen van de financiële markten om wat voor reden dan ook vermindert. Zelfs een kleine terugval van de verwachte economische groei kan al tot een kettingreactie van faillissementen van bedrijven en banken leiden: minder groei, dus toenemende twijfel over de toekomstige terugbetaling van leningen; buitenlands kapitaal dat zich snel verplaatst naar lucratiever oorden; devaluatie van de munt als gevolg van de kapitaalvlucht; een verhoging van de rente om de koers van de munt te steunen; nieuwe faillissementen, een verdere verdieping van de recessie, enzovoort.
Omdat in een kapitalistische economie elke onderneming op eigen houtje over investeringen beslist, kampen mondiaal veel economische sectoren met overcapaciteit en moordende concurrentie. Het IMF en de Wereldbank zetten de landen in Oost en Zuid consequent aan tot export-geleide groei, en ook de rijke landen willen allemaal zoveel mogelijk uitvoeren. Maar het is op de langere duur niet mogelijk dat álle landen in de wereld hun exporten blijven opvoeren, zoals we nu zien.
De crisis in Azië zou daarom het definitieve einde moeten betekenen van dit eenzijdige universele ontwikkelingsmodel. Pas dan kan ruimte ontstaan voor alternatieve economische en sociale projecten, waarin niet posities op exportmarkten maar het ledigen van de noden en behoeften van de bevolking in eigen land en regio centraal staan. Maar het IMF en de lokale politieke en economische elites voelen niets voor een andere logica en houden daarom krampachtig vast aan het failliete model.
FINANCIELE MARKTEN zijn notoir inefficiënt, worden gekenmerkt door korte-termijndenken en kuddegedrag en interesseren zich niet voor de macro-economische ontwikkeling van landen, laat staan voor duurzaamheid of sociale rechtvaardigheid. Het ligt daarom voor de hand om een grotere controle op grensoverschrijdend kapitaalverkeer te introduceren voor landen die op georganiseerde wijze hun financiële sector in crisis willen herstructureren. In plaats daarvan eist het IMF van de regeringen van Aziatische landen in crisis dat zij hun zwakke financiële sectoren verder opengooien door beperkingen op grensoverschrijdend kapitaalverkeer te verminderen en overnames van bedrijven en banken door buitenlands kapitaal makkelijker te maken.
Tot stabiliteit zal zulke verdergaande financiële liberalisering niet leiden, want de Aziatische crisislanden worden door zulke maatregelen nog meer tot speelbal van internationaal hot money. De crisis in Azië is juist begonnen in de landen die het meest openstaan voor buitenlands kapitaal. Elders in de wereld heeft men diezelfde ervaring. Tijdens een recente speech in Engeland verklaarde Gustavo Franco, president van de Braziliaanse centrale bank, dat de economie van zijn land kwetsbaarder was geworden door de liberalisering van de kapitaalmarkten, hoewel Brazilië was voorgehouden dat het tegendeel het geval zou zijn.
Paniek en crises verspreiden zich als een olievlek naar andere landen in de met elkaar verknoopte financiële markten. De schokgolf die nu door de geglobaliseerde wereldeconomie trekt, zal zeker niet de laatste zijn, want steeds meer landen liberaliseren en dereguleren het kapitaal- en handelsverkeer, vrijwillig of onder directe druk van internationale organisaties. Het IMF, de Wereldbank, de Oeso, de Wereldhandelsorganisatie (WHO) en straks ook de Multilateral Agreement on Investment (MAI) slopen nationale schokbrekers en ondermijnen systematisch de mogelijkheden tot regulering van en controle op speculanten, grote beleggers en multinationals. De huidige crisis in Azië is direct verbonden met het succes van deze globalisering, waaraan het recht van volkeren om zelf over hun leven te beslissen, alsmede sociale normen en menselijke waarden, ondergeschikt worden gemaakt.