De woorden aan het woord

Jeanette Winterson, Art & Lies, A Piece for Three Voices and a Bawd. Uitgeverij Jonathan Cape, Importeur Nilsson & Lamm, 216 blz., f42,50
TIJDENS EEN VAN ZIJN wonderbaarlijke reizen doet Jordan, de hoofdpersoon van Jeanette Wintersons roman Sexing the Cherry, de woordenstad aan. In de woordenstad schreeuwen de mensen naar elkaar op straat, stijgen hun stemmen op uit de hoofdenmassa en drijven kringelend omhoog naar de torenspits. Al die opstijgende woorden vormen een dikke wolk boven de stad, die op zijn tijd dan ook grondig moet worden gezuiverd van taal. Geregeld stappen mannen en vrouwen met ragebollen en boenders in luchtbalonnen om het dak van woorden te lijf te gaan dat onder de zon is gespannen. Dat is geen eenvoudige taak, want de woorden laten zich niet zomaar verwijderen. De oudste en koppigste vormen een dikke laag van woede. Bovendien worden de schoonmakers niet zelden venijnig aangevallen door kijvende zinnen.

De woorden die door de lucht slierten en aankoeken zijn ontsnapt aan een jeugdige groep bordeelbezoekers, aan een dominee die zich aan zijn moeder vergrijpt - te reinigen met wijwater - of aan twistende mannen. Sommige woorden ruzien in het luchtledige nog jarenlang door. De lucht wordt echter niet alleen vervuild door vloek en tweedracht, maar ook door verliefde zuchten, amoureus gefluister en rondzwevende liefdessonnetten.
Jeanette Winterson ziet zichzelf als zo'n vermetele ballonvaarder, daar is geen twijfel over mogelijk. Net als de fantastische schoonmakers in Sexing the Cherry probeert zij de vuile, sleetse woorden weg te poetsen om de lucht helder en blauw te krijgen en ziet zij in dat juist de taal van de liefde en de hartstocht een grote vervuiler is.
Zo hield zij een aantal jaren geleden in de Amsterdamse Balie een lezing onder de veelzeggende titel Talen van de liefde, waarin zij de kletscultuur van deze tijd hekelde, waarin zij zich schimpscheutend uitliet over de mensen die de woorden geen eigen betekenis weten te geven. De schrijver heeft de verheven taak de wereld, al is het maar kortstondig, van de kletscultuur te bevrijden, de lezer zicht te geven op ‘het wonder van de taal’. Hij of zij moet bovenal de taal van het verlangen zuiver spreken en schrijven. Of zoals Winterson in een interview naar aanleiding van haar tweede roman, The Passion, uitdrukte: 'Het is, denk ik, een van de taken van de schrijver om “grote” woorden als passie en liefde die van hun betekenis beroofd zijn, te redden.’
Maar juist op het gebied van de liefde, de passie, de grote emoties, zo laat Winterson niet na te benadrukken, is 'het wonder van de taal’ moeilijk te bereiken. Ontdekkingsreizigers kunnen verslag doen van hun omzwervingen, maar voor de verliefden, voor hen 'die via de bloedvaten reizen, die toevallig aankomen in de steden van het innerlijk’ is dat veel problematischer: 'Wij die welbespraakt waren merken dat het leven een vreemde taal is.’ Woorden als passie en extase, weet Winterson reeds in The Passion, 'we leren ze wel maar ze blijven plat op papier. Soms proberen we ze om te draaien, te ontdekken wat eronder zit, en iedereen heeft wel een verhaal te vertellen over een vrouw of een bordeel of een opiumnacht of een oorlog. We zijn er bang voor. We zijn bang voor passie en lachen om te veel liefde en hen die te veel liefhebben.’
Wintersons principiele beweringen over de grote gevoelens en de zuiverheid van de taal, ze klinken plechtig en edelmoedig, maar ook betrekkelijk vaag. Bovendien zijn dergelijke hoogstaande algemeenheden ook betrekkelijk irritant. Want natuurlijk gaat literatuur over liefde en al die andere menselijke, o zo menselijke zieleroerselen en uiteraard proberen schrijvers niet in sleetsheid te vervallen. En hoezo zijn passie en liefde van hun betekenis beroofd?
Eigenlijk weet Winterson zelf de grote gevoelens vooral in haar eerste boeken te 'redden’. Inderdaad, niet door ze zomaar plat op het papier te leggen, maar door verhalen te vertellen - 'I’m telling you stories. Trust me.’ Zoals het verhaal van de liefdesstad in Sexing the Cherry, die stad waarin liefde en al haar attributen - de vriendelijke glimlach, de gitaar of mandoline, het zingen - zijn verboden omdat er anders een liefdesplaag uitbreekt. Of zoals het verhaal van het hart van Vilanelle in The Passion, dat ze heeft verloren aan de schoppenvrouw. Om haar hart weer terug te krijgen in haar lege borst laat Winterson Vilanelle daadwerkelijk bij de voormalige geliefde inbreken. Het onvervangbare liefdesorgaan ligt daar, zorgvuldig in zijde gewikkeld, te kloppen in de kledingkast.
JEANETTE WINTERSON debuteerde in 1985 met Oranges Are not the Only Fruit, een geestig en lichtvoetig relaas over haar godsdienstwaanzinnige jeugd in een pinkstergemeente in Noord-Engeland. Er gingen honderdduizenden exemplaren van de hilarische jeugdgeschiedenis over de toonbank, zeker toen de BBC een driedelige televisiebewerking van het verhaal uitzond.
Daarna volgden twee onorthodoxe historische romans, The Pas sion (1987) en Sexing the Cherry (1990), waarin de hoofdgeschiedenissen speels worden omslingerd door een snoer van verhalen, sprookjes, parabels, mythen, aforismen, korte essayistische uitweidingen en fantastische anecdoten. Hoewel beide romans zich in het verleden afspelen, in de roerige tijd van Napoleons veroveringstochten en in de puriteinse jaren van Cromwell, wordt in beide volop grenzen overschreden, zoals die tussen waarheid en leugen, tussen werkelijkheid en fictie, tussen heden, verleden en toekomst, en tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid. Wintersons historische personages zijn fantasten, leugenaars, zakkenrollers en gokkers, die zich graag aan allerlei maskerades overgeven en zich als de andere sekse uitdossen.
Met haar drie eerste romans boekte Winterson een stormachtig succes: ze kregen maar liefst alledrie een literaire prijs, ze gingen als warme broodjes over de toonbank en werden over de hele wereld vertaald. Winterson zelf stond al snel bekend als de belangrijkste jonge Engelse schrijfster van het moment; haar werk werd vergeleken met dat van 'arrives’ als Gabriel Garcia Marquez, Italo Calvino, Milan Kundera en Virginia Woolf; haar literaire stem werd alom geprezen als een hoogst originele mengeling van ironie en romantiek, humor en hartstocht, eruditie en lichtvoetigheid.
HET IS NATUURLIJK prijzenswaardig dat Winterson niet de beproefde formule van haar historische romans is blijven volgen. In het voorwoord dat ze in 1991 voor een nieuwe druk van Oranges Are Not the Only Fruit schreef, maakt ze een stille belofte die ze zichzelf deed openbaar: als ze niet meer in staat is te experimenteren, frisse dingen te doen, zal ze stoppen - 'Het is de plicht van elke generatie schrijvers en kunstenaars om nieuwe wegen te vinden om de gebruikelijke omstandigheden van de menselijke conditie uit te drukken. Het opdienen van de lauwe resten van het diner van gisteren is makkelijk, voordelig en populair, (voor een tijdje). Het is ook verkeerd.’
In haar vierde roman, Written on the Body, liet Winterson aldus de imaginaire geschiedenissen, de fabels en parabels, de mythes en magie achterwege en presenteerde ze een realistischer verhaal. De inzet van de roman is echter des te gewaagder: de taal van het verlangen opnieuw te schrijven, de taal van de liefde van cliches te ontdoen. 'What you risk is what you value’, noteerde Winterson ergens in The Passion.
Het risico dat ze nam met Written on the Body liep helaas op een mislukking uit. In het boek laat zij een naamloze ik-figuur aan het woord die lyrisch zijn of haar liefde voor de beeldschone roodharige Louise beschrijft. Zijn of haar liefde - want de sekse van de ik laat Winterson vakkundig in het midden. De verkleedpartijen en vermommingen uit haar eerdere romans zijn naar het vertelperspectief getransponeerd, de verwarring over de sekserollen is in de structuur vervat, het geslacht van de ik is een lege plek in de tekst. Het is een aardig maar ook wat geforceerd experiment, dat als voornaamste bezwaar met zich meebrengt dat de verteller van de toch gepassioneerd bedoelde liefdesgeschiedenis zelf volledig uit het zicht blijft.
Een belangrijker probleem is echter dat Winterson in Written on the Body niet zomaar een heftige liefde heeft willen oproepen, maar een onderzoek naar de taal van de liefde zelf wil doen. De algemene noties die ze in De Balie te berde bracht, vonden veel te direct hun weg naar het papier. De omweg van de verbeelding wordt niet meer bewandeld, de omsingeling van de 'grote woorden’ door verhalen niet meer ondernomen. Het geworstel met de cliches - 'Ik hou van jou’ is altijd een citaat, geen zinsnede is sleetser, en ook die constatering is weer een gemeenplaats - levert vaak nogal gewilde bespiegelingen op: 'De cliches zorgen voor de problemen. Een scherp omlijnde emotie vraagt om een scherp omlijnde verwoording. Als mijn gevoel niet scherp omlijnd is, moet ik het dan liefde noemen? Liefde is zo angstaanjagend dat ik me gedwongen zie haar onder een afvalbak vol roze knuffeldieren te vegen en mezelf een wenskaart te sturen met de tekst “Gefeliciteerd met je verloving”. Maar ik ben niet verloofd, ik ben radeloos. Ik kijk wanhopig de andere kant op om ervoor te zorgen dat de liefde mij niet ziet. Ik wil de verwaterde versie, het slordige taalgebruik, de triviale gebaren. De doorgezakte fauteuil van de cliches.’
Al haar pretenties ten spijt, zit Wintersons zelf in Written on the Body te vaak in die doorgezakte fauteuil.
HET UNIVERSUM VAN Written on the Body is, zo oordeelden veel critici, te gewild literair. Winterson heeft te overbewust literatuur willen maken. In haar nieuwste roman Art & Lies bindt Winterson niet in. Integendeel, Winterson heeft stoutmoedig nog een stap verder gezet en de moedwilligheid van de literatuur, het artificiele karakter van kunst juist tot inzet gemaakt.
Het boek is een en al oproep tot overgave aan de kunst, aan de kunstmatigheid en aan de leugen, want alleen de kunst stelt ons in staat boven het grauwe, gemiddelde en zinloze bestaan uit te stijgen: 'There’s no such thing as autobiography there’s only art and lies.’
Zo wordt de lezer van Art & Lies direct op een dwingend motto van ene professor Bradley vergast: een kunstwerk is een wereld in zichzelf - onafhankelijk, compleet, autonoom - en om toegang tot die wereld te krijgen moet je de wetten ervan gehoorzamen en voor zo lang het duurt de overtuigingen, doelen en omstandigheden van de andere wereld van de werkelijkheid vergeten.
Hoe graag ik ook wilde, ik vond geen ingang tot de wereld van Art & Lies. Probeerde Winterson met Written on the Body een moderne versie van het Hooglied te schrijven, Art & Lies is zo mogelijk nog bijbelser. In hoogdravende bewoordingen, lyrische beschrijvingen, raadselachtige aforismen en breedsprakige pleidooien probeert Winterson het geloof in de kunst te prediken. De Kunst (als waarachtig evangelist strooit Winterson met hoofdletters: de Kunst, het Woord, het Zelf) is de plaats van 'questions and quests’, de plaats waar de vraag 'How shall I live?’ wordt gesteld, waar 'het Zelf’ zich kan verheffen, et cetera.
Met dat inzicht is niet zo heel veel mis, zo origineel is het ook niet, maar Wintersons bespiegelingen leveren veelal niet meer op dan pijnlijk holle orakeltaal: 'Het Woord is angstaanjagend. Het verleidelijke woord, het insinuerende woord, het woord dat de trillende hand naar de verboden sleutel leidt. Het Woord buiten de deur, het woord dat wacht tot het geopend wordt, het woord dat uit censuur tevoorschijn springt, het woord dat het doopvont splijt. Het Woord dat geen vrede brengt maar een zwaard. (…) Dag en nacht strekken zich uit voor het woord, honger en kou spotten ermee, maar het Woord zelf is dag en het Woord zelf is nacht. Het woord Honger het woord Kou. Ik kan mijn woorden niet eten maar ik doe het. Ik eet de stof, brood en ik neem het in, woord en stof, stof en woord, dagelijkse communie, gezegend.’
Halleluja, praise Jeanette Winterson.
Zeker, Winterson is in Art & Lies wederom een nieuwe weg ingeslagen, ze experimenteert er hevig op los. Wellicht is dat iets waar we hoe dan ook respect voor moeten opbrengen - 'What you risk is what you value.’
De structuur van het boek is ingenieus ontworpen. Zoals de ondertitel Piece for Three Voices and a Bawd al aangeeft, klinken er in het boek drie stemmen die zo nu en dan onderbroken worden door de (literaire) belevenissen van een achttiende-eeuwse lichtekooi. De stemmen die klinken zijn van Handel, een priester-arts van middelbare leeftijd, Picasso, een vrouwelijke schilder, en Sappho, een hedendaagse incarnatie van de klassieke Griekse dichteres. Wat de stemmen bindt, afgezien van de gemeenschappelijke gezwollen toon, is de plaats van handeling: na verloop van tijd blijkt dat ze zich in dezelfde treincoupe bevinden op weg naar zee.
ART & LIES IS geenszins een realistisch boek, de woorden zijn, om met Winterson te spreken, zelf aan het woord. Het is jammer dat Winterson het inzicht dat ze in The Passion formuleerde vergeten is: de 'grote’ woorden red je niet door ze plat op het papier te leggen. Ik heb in ieder geval heimwee naar de ironische, meer luchthartige Winterson van The Passion en Sexing the Cherry, de Winterson die het 'wonder van de taal’ wist te bereiken door verhalen te vertellen.
Misschien moet er een dappere ballonvaarder naar Winterson zelf vertrekken om de laag hardnekkig aangekoekte 'grote’ woorden weg te poetsen.