De woorden en de dingen

In de film Arrival, waarin een linguïste de rol van verlosser krijgt als zij de bedoelingen van aliens kan doorgronden, kwam ik een oude bekende uit mijn studietijd tegen: de Sapir-Whorf-hypothese. Het is de veronderstelling dat er een verband is tussen taal en denken, in die zin dat taal je perceptie bepaalt. Dat de aliens in Arrival een andere tijdsbeleving hebben, weerspiegelt zich in hun niet-lineaire schrift. Als ze zich eenmaal hun taal heeft eigen gemaakt, vervalt ook voor de linguïste – prachtrol van Amy Adams – het verschil tussen verleden, heden en toekomst.

Wij, jaren-tachtigradicalen, waren gek op de Sapir-Whorf-hypothese, omdat we er de wereldveranderende potentie van inzagen. En omdat wij westerlingen nog wat zouden kunnen leren van inheemse volkeren, natuurlijk. De Hopi-indianen zouden meer respect hebben voor de natuur, omdat zij werkwoorden hadden voor verschijnselen waar wij alleen maar zelfstandige werkwoorden voor hebben, zoals onweer, lawaai, storm. En omdat wij tijdsbeleving uitdrukken in telbare eenheden, zoals dagen, minuten, gaan we er zo zuinig en gespannen mee om.

Wij zijn onze taal. Dat was het idee.

Ik kan er nu de draak mee steken, dat ligt op de loer merk ik, maar zo gauw ik denk aan een snel inburgerend begrip als ‘voltooid leven’ denk ik: nee. Voor we het weten denken we echt dat ons leven een product is dat op zeker moment afgerond is. Of als ik lees hoe Patrick Kluivert opnieuw de fout inging.

‘De lul!’ hoor ik vanachter de krant tegenover me.

‘Een mens’, zeg ik. ‘Oké. Een zwak mens.’

‘Komt dicht in de buurt van de definitie van een lul.’

Ik zou willen dat er iets bestond tussen lul en mens in.

Het denken over taal en denken nam destijds met mij een hoge vlucht. De taal werd een complot, gesmeed door strategisch opererende mannen. Ik schreef er een scriptie over die ten overstaan van mijn medestudenten werd afgekraakt door de docent. Hoe ik er in godsnaam bij kwam dat er ervaringen zijn die ons onbekend zijn (lees: weggemoffeld worden) omdat we gevangenen van onze taal zouden zijn. Of ik wel eens van het principe van uitdrukbaarheid had gehoord.

Het zijn lastige discussies, omdat je simpelweg niet met bewijzen kunt komen. Het niet-bestaande valt immers niet onder woorden te brengen. Een beetje hakkelend hoogstens.

We hadden een goed gesprek over het fascistoïde ­karakter van het principe van ­uitdrukbaarheid

Veel later las ik een essay van Jaap van Heerden die een vergelijkbare poging deed om te onderzoeken of de psychologie een nieuw gevoel kan ontdekken. Hij concludeerde – na geschampt te zijn langs varkensrazernij bij de Gururumba, een volksstam in Australisch Nieuw-Guinea waarvan de leden van tijd tot tijd ten prooi vallen aan een voor ons ongekend type razernij waarbij iedere vorm van zelfbeheersing wordt verlaten en enige dagen als gevaarlijk wild wordt geleefd in het oerwoud – dat oud of nieuw er eigenlijk niet toe doet, aangezien gevoelens worden ‘gepositioneerd in een modelmatige ruimte krachtens dimensies van positieve of negatieve activatie’.

Bummer.

Mijn werkstuk miste zijn uitwerking niet op het denken van een werkgroepgenoot, die een zwart colbertje droeg en in zijn vrije tijd oude auto’s naar Afrika reed. We hadden een goed gesprek over het fascistoïde karakter van het principe van uitdrukbaarheid, en de volgende dag – een ongekend zonnige dag voor die epoque – belde hij op om te vragen of ik zin had mee naar het strand te gaan. Er zat een enorme langharige hond op de achterbank. Op het strand ging het colbertje uit, en in razend tempo de rest. Het strand bleek een naaktstrand.

Ik kan nog steeds niet uitdrukken waaraan ik ten prooi viel op dat moment, terwijl het een oerervaring is die het vrouwenbestaan kleurt. Het bevindt zich in die grote grijze schemerzone van mee- en tegenwerking, tussen ‘ik wil de lulligste niet zijn’ en ‘flikker op’. Onder het mom van jolijt word je ergens in gemanoeuvreerd door iemand die zich tot dan toe manifesteerde als een kameraadschappelijke vrijbuiter.

‘In het Portugees bestaat een term voor zo’n type man’, zei een vriendin vorige week, toen we het over een vergelijkbaar incident hadden. ‘Het betekent zoiets als: hij heeft in zijn kast één pak hangen waarmee hij de wereld in trekt.’

Zouden Portugese vrouwen dan ook sneller weten met wie ze te maken hebben? Of moeten ze zó vaak op hun hoede zijn dat er een woord voor in het leven is geroepen? De volgende dag check ik nog even over welk woord we het hier precies hebben. De vriendin weet het niet precies meer, het klinkt als ‘malandou’.

‘Het komt voor bij Pessoa’, zegt ze.

O, denk ik ontgoocheld. Dan is het misschien toch geen woord, maar dichterlijke vrijheid.

Wat wij zien van de dingen zijn de dingen, relativeerde hij.

Waarom zouden wij het één zien als er iets anders was?