De kroonjuwelen van de Verlichting

De wording van de verdraagzaamheid

Theologische debatten in de zestiende en zeventiende eeuw plaveiden de weg voor het idee van tolerantie, een van de kroonjuwelen van de Verlichting. Eind zeventiende eeuw groeide een kritische geest, die allerlei overtuigingen, ideeën en dogma’s met de ratio te lijf ging. Aan het verhaal over die «Radicale Verlichting» moet nu een nieuwe naam worden toegevoegd.

Hoe futieler het onderwerp, hoe groter dikwijls de woorden. In het nog altijd voortsukkelende debat over hoofddoekjes duikt herhaaldelijk het begrip Verlichting op. Zoals gebruikelijk lijkt iedereen die term anders te waarderen. Dat in een debat voor- en tegenstanders een andere invulling geven aan een bepaald begrip is niet opmerkelijk, maar hier is ook onder de tegenstanders van de multiculturele samenleving sprake van een welhaast Babylonische spraakverwarring. Paul Cliteur en Ayaan Hirsi Ali zien de Verlichting als de hoogst noodzakelijke oorlogsverklaring aan het obscurantisme en de intolerantie van de religie. Volgens andere critici van de «linkse kerk» als Bart Jan Spruyt, Andreas Kinneging en Joshua Livestro zette de Verlichting alle normen overboord en opende zij de deur voor een «alles-moet-kunnen»-mentaliteit en daaruit voortkomende verschrikkingen als het homohuwelijk, paaldansen en de acceptatie van hoofddoekjes — kortom, voor alles wat Joseph de Maistre omschreef als «de domme onverschilligheid die wij verdraagzaamheid noemen».

De Verlichting wordt dus zowel geprezen als aangeklaagd, en een centraal en omstreden begrip is daarbij «tolerantie». Voor de één is tolerantie iets waar men naar moet streven, voor de ander is het dikwijls een teken van zwakte. In beide gevallen wordt een duidelijke tegenstelling met het geloof gesuggereerd. Cliteur veroordeelt de gelovige omdat die intolerant is, Spruyt verafschuwt de ongelovige omdat die te tolerant zou zijn.

Op het eerste gezicht is daar wel iets voor te zeggen, aangezien vrijwel elke religie zich superieur acht aan andere, en het christendom eeuwenlang de meest intolerante godsdienst is geweest. Heidenen werden met geweld bekeerd en wie afweek van de leer liep kans te worden verbrand. In de zestiende en zeventiende eeuw werd Europa geteisterd door gruwelijke godsdienstoorlogen, waarbij men in naam van dezelfde God elkaar de hersens insloeg. Tegenwoordig echter werpt het overgrote deel van het christendom zich op als pleitbezorger van verdraagzaamheid en naastenliefde.

Wat is de oorzaak van deze omslag geweest? Dit is de centrale vraag in Perez Zagorins How the Idea of Religious Toleration Came to the West. In het verleden zijn op deze vraag vaak twee antwoorden gegeven. Om te beginnen is de groei van de religieuze onverschilligheid en het scepticisme vaak gezien als oorzaak van de toegenomen verdraagzaamheid. Als het geloof minder belangrijk wordt, is er ook weinig reden om mensen daarvoor te martelen of te vermoorden. Het tweede antwoord luidt dat het vooral een kwestie was van politieke opportuniteit. Na de godsdienstoorlogen van de zestiende en zeventiende eeuw was Europa dusdanig uitgeput dat de wereldlijke en geestelijke autoriteiten inzagen dat men het wat rustiger aan moest doen, en dat men zich wellicht moest neerleggen bij religieuze pluriformiteit. Dit kwam de welvaart ten goede en het voorkwam geldverslindende oorlogen.

Volgens Zagorin zijn deze antwoorden op z’n minst onvolledig. Op langere termijn speelde het groeiend scepticisme wel een rol, maar tot in de twintigste eeuw was dit een zaak van een heel kleine elite, terwijl de verdraagzaamheid van de kerken al veel eerder ontstond. Bovendien hoeft scepsis ten aanzien van godsdienst helemaal niet tot tolerantie te leiden, en kunnen rabiate atheïsten christenen gaan vervolgen.

Ook het idee van politieke opportuniteit verklaart niet afdoende waarom de verdraagzaamheid toenam. De Augsburgse religievrede van 1555 en het Edict van Nantes uit 1598 waren weliswaar pogingen om de religieuze strijdbijl te begraven, maar deze overeenkomsten waren vrij instabiel en hielden niet lang stand. In Duitsland kwam pas in 1648 een einde aan het bloedvergieten, terwijl in Frankrijk het Edict van Nantes in 1685 weer werd herroepen. In beide landen was dus tijdelijk een bestand bereikt, net zoals in het middeleeuwse Spanje christenen en moslims elkaar een tijdlang niet naar het leven stonden, maar dat betekende niet dat het idee van verdraagzaamheid en vreedzame coëxistentie tussen de verschillende religies wortel had geschoten.

Het ontstaan van het idee van religieuze verdraagzaamheid, van godsdienstig en levensbeschouwelijk pluralisme was een veel geleidelijker en langduriger proces. Zagorin laat zien dat vanaf de zestiende tot aan het einde van de zeventiende eeuw een reeks van denkers het concept van tolerantie heeft ontwikkeld. Wat onder anderen Erasmus, Sebastian Castellio, Dirk Coornhert, Hugo de Groot, John Milton, John Locke en Pierre Bayle gemeen hadden, was dat hun pleidooien voor verdraagzaamheid niet waren ingegeven door scepticisme of door pragmatische overwegingen. Het was juist de bezorgdheid om de eigen godsdienst die deze gelovige denkers tot de overtuiging bracht dat intolerantie en religieuze vervolging funest waren. Op deze wijze plaveiden allerlei theologische debatten in de zestiende en zeventiende eeuw de weg voor het idee van tolerantie, dat meestal wordt gezien als een van de kroonjuwelen van de Verlichting.

Zagorin besluit zijn boek met een hoofdstuk over twee laat-zeventiende-eeuwse filosofen, Locke en Bayle, die vaak worden gezien als wegbereiders voor de Verlichting van de achttiende eeuw. De laatste jaren wordt echter steeds duidelijker dat de tijd van Voltaire en Diderot, die lange tijd gold als het hoogtepunt van de Verlichting, eigenlijk de periode was waarin eerder, en radicaler, geformuleerde ideeën ingang vonden bij een breder publiek. Reeds in het laatste kwart van de zeventiende eeuw ontstond een esprit de critique, een tegendraadse mentaliteit en een neiging om allerlei overtuigingen, ideeën en dogma’s tegen het licht te houden en met de ratio te lijf te gaan. Dit verhaal over de zogenoemde «Radicale Verlichting», dat onder meer wordt verteld door Margaret Jacob en Jonathan Israel, begint veelal bij Descartes, en ook de namen van Hobbes, Spinoza, Locke, Toland en Bayle duiken herhaaldelijk op.

Aan dit rijtje heeft Siep Stuurman, die aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit de Jean Monnet-leerstoel bekleedt, onlangs de naam toegevoegd van François Poulain de la Barre. De waarheid gebiedt te zeggen dat toen ik Stuurmans boek over deze mij volstrekt onbekende Fransman zag liggen, ik enigszins argwanend was. De man zou immers niet alleen in de jaren zeventig van de zeventiende eeuw enkele feministische traktaten hebben geschreven, ook zijn radicale ideeën over gelijkheid schenen invloed te hebben uitgeoefend op erkende Verlichtingsfilosofen als Locke, Montesquieu en Rousseau. Dat is een beetje alsof er ineens een achttiende-eeuwse schilder wordt ontdekt die al helemaal in impressionistische stijl werkte. Een moment vreesde ik dat dit boek een hoog Anthony Marbot-gehalte had — naar de volstrekt fictieve Engelse romantische dichter van wie Mozart-biograaf Wolfgang Hildesheimer een levensbeschrijving publiceerde, die aanvankelijk door tal van deskundigen uitbundig werd geprezen — maar in de veronderstelling dat Harvard University Press niet zomaar alles uitgeeft, schafte ik het toch aan. Bovendien bleek ik bij thuiskomst Poulain wel degelijk in andere boeken tegen te komen, zij het meestal slechts in een voetnoot en vrijwel altijd louter als auteur van het uit 1673 daterende De l’égalité des deux sexes. In de enkele jaren geleden verschenen potsierlijke Spinoza-biografie van Margaret Gullan-Whur komt hij trouwens voor onder de naam Boulain de la Barre (waarbij uiteraard ook het jaartal van zijn bekendste boek onjuist is vermeld).

En het moet gezegd: dit is een prachtig en waardevol boek. Over het leven van Poulain (1647-1721) heeft ook Stuurman niet veel kunnen vinden, en een portret is niet boven water gekomen, maar wel heeft hij diens overige werk getraceerd en bovendien is hij er bijzonder goed in geslaagd de man te plaatsen in het intellectuele klimaat van zijn tijd.

Poulain kwam uit een welgestelde bourgeoisfamilie. Als jurist bij het parlement van Parijs behoorde zijn vader tot de laagste rang van de noblesse de robe, de kaste van ambtenaren die de kern vormde van de steeds absolutistischer wordende staat.

Toen Poulain één jaar was, brak de Fronde uit, de opstand van de feodale aristocratie en een deel van de lokale parlementen tegen de centralistische politiek van kardinaal Mazarin. Nadat de adellijke frondeurs door de bourgeoisie in de steek waren gelaten, werden de opstandelingen verslagen en betekende dit het einde van de politieke macht van de ouderwetse krijgsadel. Er ontstond een nieuwe bovenlaag van hofadel en noblesse de robe, die een nieuwe cultuur ontwikkelde waarin de cultus van de honnête homme een belangrijke rol speelde. In de cultuur van honnêteté stonden zaken als zelfbeheersing, gematigdheid, beschaafde omgangsvormen en literaire smaak centraal. Persoonlijke verdienste werd belangrijker dan afkomst. In vergelijking met de cultuur van de oude feodale adel kon worden gesproken van een zekere verzachting of feminisering van de omgangsvormen, terwijl in deze periode tegelijkertijd vrouwen zich voor het eerst manifesteerden als schrijver en de eerste salons ontstonden. Binnen deze elite werden vrouwen steeds meer geaccepteerd als gesprekspartner.

Poulain groeide op in dit milieu, dat bovendien sterk werd beïnvloed door de filosofie van Descartes en het jansenisme, een beweging van vrome katholieken die terug wilden naar de pure, niet-gecorrumpeerde kerk van de kerkvaders. Op elfjarige leeftijd ging Poulain theologie studeren aan de uiterst conservatieve Sorbonne. De dorre scholastiek begon de knaap tegen te staan en al spoedig bekeerde hij zich tot het cartesianisme.

Descartes had in zijn werk geen plaats ingeruimd voor een sociaal-politieke theorie, en het is op dit terrein dat Poulain zijn belangrijkste bijdrage leverde. Met betrekking tot het werk van Descartes bestaan nogal wat misverstanden, waarvan Stuurman er in zijn boek enkele uit de weg ruimt. Zo toont hij aan dat het, anders dan door sommige feministes is beweerd, onzinnig is om te stellen dat Descartes op grond van een strikte scheiding tussen lichaam en geest tot een wetenschapsopvatting kwam die abstract, quasi-objectief en zogenaamd «mannelijk» was. Om te beginnen vormden bij Descartes lichaam en geest een twee-eenheid, en bovendien heeft hij nooit gesteld dat de geest mannelijk en het lichaam vrouwelijk was. De geest heeft geen sekse, en in intellectueel opzicht zijn man en vrouw gelijk.

Poulain werkte deze notie verder uit en kwam tot de conclusie dat de verschillende posities van man en vrouw niet het gevolg zijn van natuurlijke verschillen maar cultureel zijn bepaald. Hij ging dus, om in de termen van het feministisch discours te spreken, niet uit van sekse maar van gender. Als oorzaken van de ongelijkheid van man en vrouw zag hij eigenbelang, vooroordelen en domheid. Om die te bestrijden, kwam hij vanzelf terecht op het terrein van de godsdienst en de politiek. Omdat de samenleving waarin Poulain leefde werd gekenmerkt door nog tal van andere vormen van ongelijkheid, die evenmin «natuurlijk» waren, was zijn sociale filosofie in potentie uiterst revolutionair.

Tussen 1673 en 1675 publiceerde Poulain drie boeken over de ongelijkheid tussen man en vrouw. Aangezien zijn ideeën niet geheel uit de lucht kwamen vallen en pasten in de reeds enige tijd gevoerde Querelle des femmes, werden die boeken vrij goed verkocht. Van de opbrengsten kon hij echter niet leven, en uit het feit dat slechts één van die werken een in die tijd gebruikelijke opdracht aan een machtige beschermheer heeft, valt af te leiden dat zijn opvattingen als te radicaal werden gezien. Noodgedwongen werd Poulain daarom dorpspastoor in Noord-Frankrijk. In 1686, kort na de sme en emigreerde hij naar Genève, waar hij tot zijn dood zou leven een emigreerde hij naar Genève, waar hij tot zijn dood zou leven en werken.

De generatie waartoe Poulain, evenals Locke en Bayle, behoorde, voegde aan het rationalisme van Descartes een psychologisch element toe, namelijk een diepgevoelde afkeer van onderdrukking en onrechtvaardigheid en de hartstochtelijke drang deze zaken aan de kaak te stellen en te bestrijden. Poulain past naadloos in het beeld dat Zagorin van deze denkers schetst, aangezien ook hij allesbehalve een atheïst was. Na zijn vertrek naar Genève schreef hij vrijwel uitsluitend nog over theologie, waarbij hij een rationalistisch christendom voorstond. Net als bij Spinoza leidde de bijbel kritiek van Poulain tot opvattingen die door de autoriteiten als zeer ondermijnend werden ervaren. Daarmee is Poulain dus een typische representant van de Radicale Verlichting.

Hoewel direct bewijs in dergelijke gevallen meestal ontbreekt, weet Stuurman aannemelijk te maken dat de denkbeelden van Poulain, die weliswaar radicaal waren maar toch aansloten bij een bredere intellectuele ontwikkeling, invloed hebben gehad op algemeen erkende Verlichtingsdenkers als Locke, Montesquieu en Rousseau. Onmiskenbaar is zijn invloed op Louis de Jaucourt, die in Genève les van hem had gekregen. Deze Jaucourt is bij het grote publiek minder bekend, maar hij was het «werkpaard» van Diderot en D’Alembert en schreef meer dan 25 procent van de tekst van hun vermaarde Encyclopédie.

Het boeiende aan het boek van Stuurman is niet alleen dat hij in feite een nieuwe naam heeft toegevoegd aan de intellectuele landkaart van de Verlichting, maar ook dat hij er nog eens op wijst dat de grenzen van dit fenomeen veel wijder en vooral veel vager zijn dan doorgaans wordt aangenomen.

Perez Zagorin

How the Idea of Religious Toleration Came to the West

Princeton University Press, 371 blz., € 36,50

Siep Stuurman

François Poulain de la Barre and the Invention of Modern Equality

Harvard University Press, 361 blz., € 44,50

_______________________

R.W.B. Lewis

Dante Alighieri

De keiharde biografische gegevens over Dante (1265-1321) passen wellicht op een half A4’tje. Vandaar dat Lewis zich in deze beknopte levensbeschrijving vooral baseert op Dantes dichtwerk en brieven, en op Florentijnse kroniekschrijvers. Van de biograaf van Harry Mulisch zouden we het niet pikken als hij zich beperkte tot De ontdekking van de hemel en een handvol krantenknipsels, maar bij een auteur van rond 1300 zullen we het ermee moeten doen. Ondanks deze beperkingen heeft Lewis een boeiend boekje geschreven, dat kan dienen als inleiding bij het werk van een auteur wiens invloed op de wereld literatuur moeilijk kan worden overschat.

Balans, 183 blz., € 17,95

Marijke Carasso-Kok (red.)

Geschiedenis van Amsterdam, deel 1

Tijdens Dantes jeugd telde Florence tachtigduizend inwoners, waarmee het na Parijs de tweede stad van Europa was. In dezelfde tijd ploeterden langs de boorden van de Amstel wat boeren, vissers, schippers en ambachtslieden in het veen. De ondertitel van dit eerste deel van een nieuwe, vijfdelige Geschiedenis van Amsterdam, luidt dan ook terecht «Een stad uit het niets». In dit prachtig uitgegeven boek beschrijven tal van specialisten hoe een onaanzienlijke nederzetting zich tot aan 1578 ontwikkelde tot een stad die in staat was een rol te spelen op het wereldtoneel. Er is niet alleen veel aandacht voor de stedenbouwkundige, economische en politieke ontwikkelingen, ook het rijke godsdienstige leven wordt uitgebreid beschreven.

sun, 540 blz., € 39,50

Bettina Spaanstra-Polak

Het symbolisme in de Nederlandse schilderkunst 1890-1900

Toen dit boek 49 jaar geleden voor het eerst verscheen, was het een van de eerste wetenschappelijke studies over de Nederlandse moderne kunst. Alvorens uitgebreid in te gaan op het werk van schilders als Toorop, Thorn Prikker, Der Kinderen, Roland Holst en een reeks navolgers beschrijft de auteur een aantal voor het symbolisme belangrijke thema’s, zoals de tegenstelling tussen de femme fatale en de femme fragile, het noodloot, de dood en allerlei maatschappijkritische noties. Ook de relatie met de literatuur en de muziek komt aan bod, terwijl het Nederlandse symbolisme in een internationaal, vooral door Frankrijk gedomineerd, kader wordt geplaatst. Aan de oorspronkelijke, ongewijzigde, tekst is nu een katern met kleurenillustraties toegevoegd.

Thoth, 508 blz., € 39,90

Hans Renders

Gevaarlijk drukwerk

Tot de iconen van het verzet behoort al sinds jaar en dag uitgeverij De Bezige Bij, waarvan de eerste publicatie, in april 1943, ook al zo’n icoon was: Jan Camperts gedicht De achttien doden. De Bezige Bij was tijdens de bezetting niet de enige clandestiene uitgeverij, maar wel de grootste en tevens de meest politieke. Waar veel clandestiene uitgeverijtjes met hoogst esthetische uitgaven tegemoetkwamen aan de bij veel bibliofielen voorkomende neiging tot escapisme waren de publicaties van De Bezige Bij eerder opruiend of humoristisch bedoeld. In dit schitterend uitgegeven boek heeft Hans Renders alle Bij-uitgaven uitvoerig beschreven, en geven de talloze illustraties een duidelijk beeld van de wijze waarop de uitgeverij de moed er in trachtte te houden. Bijzonder fraai is bijvoorbeeld de door Karel Links getekende Moffenspiegel, die in september 1944 verscheen.

De Bezige Bij, 254 blz., € 34,90 (gebonden)

Jeremy Bowen

Zes dagen

Een oorlog die direct te maken had met de vorige was het gewaagde en briljante offensief waarmee de na de Tweede Wereldoorlog gestichte staat Israël zijn omringende vijanden uitschakelde. Egypte, Jordanië en Syrië hadden geen boodschap aan het westerse schuldgevoel dat de stichting van Israël mogelijk had gemaakt, en waren vast van plan de joden de zee in te drijven. In 1948 en 1956 was dat mislukt, en in juni 1967 besloot Israël geen nieuwe poging af te wachten en versloeg in zes dagen tijd zijn buurlanden en bezette grote stukken land. Die bezette gebieden vormen nog altijd de inzet van het conflict met de Palestijnen, zodat veel van het huidige bloedvergieten valt terug te voeren op die zes dagen in juni 1967.

Balans, 380 blz., € 17,50

Sjoerd van Tuinen

Sloterdijk

Zijn boeken prijken in vele kasten en op vele koffietafels. Gezien hun omvang en de adembenemende vlucht die Sloterdijks ideeën nemen is het echter de vraag of veel van die verkochte boeken ook daadwerkelijk worden gelezen. Hoewel de humor die Slo terdijk in interviews tentoonspreidt ook in zijn boeken niet ontbreekt, wordt die dikwijls toch aan het zicht onttrokken door de enorme wolken van concepten, beelden en metaforen. Met dit boekje heeft Sjoerd van Tuinen een nuttige en handzame inleiding geschreven op het werk van de bijzonder originele en interessante denker. Na deze rustige en verantwoorde uiteenzetting krijgt de lezer vanzelf zin zich over te geven aan het wilde denken en dito schrijven van de meester zelf.

Klement/Pelckmans, 184 blz., € 19,50

Marc Dierikx

Uit de lucht gegrepen

Ook de vliegtuigen van Fokker namen lange tijd een hoge vlucht, tot daar in 1996 een einde aan kwam. Ondanks luide protesten — waarbij chauvinisme hand in hand ging met het idee dat Nederland als industrieland voorgoed had afgedaan — besloot de regering dat het na 4,2 miljard gulden aan overheidssteun welletjes was. Uit dit boek, dat de naoorlogse geschiedenis van de vliegtuigfabriek beschrijft, blijkt dat het bedrijf nooit in staat was de eigen broek op te houden. Allerlei belangen binnen het bedrijfsleven, de overheid en de TU Delft maakten dat eindeloos geld werd gepompt in dit zogenaamde paradepaardje van de Nederlandse industrie. Een verbijsterend verhaal van weifelende politici en zichzelf overschattende ondernemers, die weigerden onder ogen te zien dat Nederland te klein was voor een volwaardige, zelfstandige vliegtuigindustrie.

Boom, 324 blz., € 19,50

Samuel P. Huntington

Wie zijn wij?

Zelfoverschatting is niet het monopolie van Nederlandse vliegtuigbouwers: de oorlog in Irak laat zien dat ook Amerikanen er wat van kunnen. Volgens Samuel Huntington lijden de Verenigde Staten niettemin al geruime tijd aan een ernstige identiteitscrisis. De vlaggenzee waarmee na 11 september 2001 uiting werd gegeven aan het Amerikaanse patriottisme heeft daar geen wezenlijke verandering in gebracht. Huntington onderzoekt de teloorgang van de Amerikaanse identiteit, die vrijwel uitsluitend nog bestaat uit de Stars and Stripes, en tracht aan te geven hoe die versterkt zou kunnen worden. Bovendien formuleert hij een antwoord op de vraag hoe Amerika zich ten opzichte van de wereld moet opstellen — een antwoord waarin isolationisme, religieuze bevlogenheid en de anglo-protestantse cultuur een rol spelen.

Ambo, 416 blz., € 26,95