De wording van een pragmatisch idealist

Toen hij begon, rukte nieuw links op. Bij zijn aftreden was nieuw rechts rijzende. Nederland veranderde ingrijpend van gezicht tijdens de publieke jaren van Wim Kok, die Marnix Krop nu belicht.

Wim Kok in het Catshuis in Den Haag. December 1999 © Friso Keuris / de Beeldunie

Wim Kok gaf Nederland vorm. Hij was architect met de allure van Joop den Uyl, Ruud Lubbers of Hans van Mierlo. Drie decennia domineerde hij de natie. Eerst veertien jaar als vakbondsvoorzitter, daarna drie jaar als oppositieleider, vervolgens vijf jaar als vicepremier en uiteindelijk nog eens acht jaar als minister-president. In alle rollen voegde hij zich naar de functie. Maar intussen bleef Kok ook trouw aan zichzelf.

‘Hij nam zijn opdrachten steeds zo serieus dat hijzelf soms nauwelijks meer te herkennen was’, schrijft biograaf Marnix Krop in het eerste deel van zijn biografische tweeluik. Gedwongen door de veranderende tijdgeest moest ook Kok, net als zijn voorgangers, afscheid nemen van oude wijsheden van de arbeidersbeweging en nieuwe posities zoeken. Zoals de reformistische marxist Drees na de bezetting diende te werken aan een nieuw soort plankapitalisme en de keynesiaan Den Uyl medio jaren zeventig werd geconfronteerd met de grenzen van de overheidsmacht, zo moest Kok zich er ineens rekenschap van geven dat de teloorgang van het communisme niet alleen een nieuwe wereldorde baarde maar ook een opnieuw ontketend kapitalisme. Hij sloot de ogen daar niet voor. ‘Met verantwoordelijkheid had Wim Kok een bijzondere relatie’, schrijft Krop.

Aanpassingsvermogen was onontbeerlijk in de dertig jaar dat Kok leiding gaf aan de sociaal-democratische vakbeweging en de partij. Tussen 1972 en 2002 veranderde Nederland immers ingrijpend van gezicht. Toen hij in 1972 voorzitter werd van de vakcentrale nvv, rukte nieuw links op. Toen hij in 2002 aftrad als premier, begon nieuw rechts aan een opmars. Het was Kok die fundamentele maatschappijkritiek, zoals het in de jaren zeventig heette, wist te combineren met praktische vakbondspolitiek. Het was Kok die de pvda in 1989, twaalf jaar na het kabinet-Den Uyl, weer aan het regeren kreeg. Het was Kok die in 1994 meewerkte aan een paradigmawisseling door de christen-democraten voor het eerst sinds het algemeen kiesrecht uit het centrum van de macht te manoeuvreren. En dat alles zonder grote woorden of theatrale gebaren. Kok was eerder saai en vaak ook chagrijnig, zij het zonder de artistieke valsheid die soms aan een slecht humeur kan kleven.

Toen hij eind september 1938 in Bergambacht werd geboren als kleinzoon van een rietsnijder en een touwslager en als zoon van een los-vaste timmerman, was Nederland in de ban van de crisis. Het was ook de tijd dat het socialisme twee sporen uitzette: belangenbehartiging én verheffing. Vader Kok geloofde in die dubbele strategie. Hij was lid van alle clubs die de ‘rooie familie’ rijk was. En dat in de Krimpenerwaard, een zwaar gereformeerde polder.

Zodra duidelijk werd dat Wim goed kon leren – dat was met name districtsbestuurder Jaap Roukema van de Bouwbond NVV opgevallen – werd alles op alles gezet om de slungelige jongen te laten studeren. Dankzij een beurs van de gemeente en een renteloze lening van de provincie kon Kok naar kasteel Nijenrode, waar het Nederlands Opleidingsinstituut voor het Buitenland was gevestigd. Een atypische studiekeuze. De kweekschool was een logischer route. Nijenrode was weliswaar geen plek voor louter kakkers, maar toch. Kok zat er niet mee. Solidariteit was niet zijn eerste zorg. Medeleerlingen hoefden er bijvoorbeeld niet op te rekenen dat ze bij hem, de beste van de klas, konden afkijken. Kok schermde zijn proefwerkblaadjes af voor anderen. Op Nijenrode flirtte hij zelfs met het liberalisme.

Maar niet voor lang. Op 22-jarige leeftijd werd hij lid van de pvda en kreeg hij een baan als economisch adviseur bij de Bouwbond in Amsterdam. Hij ging in West op kamers bij de oudste dochter van bondsbestuurder Roukema, met wiens jongere dochter Rita hij in 1965 zou trouwen. Werk en bestaanszekerheid – basislessen uit de crisisjaren dertig – bleven zijn ‘normerende waarden’. Extrovert gedrag en extravagantie waren hem vreemd. Of het moest zijn niet aflatende voetbalgekte zijn, eerst voor Feyenoord en later ook voor Ajax.

Bijna een kwart eeuw bleef Kok de vakbond trouw. Twaalf jaar na zijn entree bij de Bouwbond werd hij, pas 34 jaar oud, al voorzitter van het centrale nvv. Dat was een complexere functie dan voorheen. De jaren zeventig waren de jaren waarin van alles werd gepolitiseerd. Ook de klassenstrijd radicaliseerde. Voorzitter Arie Groenevelt van de Industriebond ijverde niet alleen voor betere arbeidsvoorwaarden, maar ook voor een ‘socialistische samenleving op basis van arbeidersdemocratie’. Buiten het nvv ging het er nog ruiger aan toe. De bonden werden zo brutaal links en rechts ingehaald dat ze soms het spoor bijster raakten. Zoals – om een spectaculair maar niet exclusief voorbeeld te noemen – in Rotterdam in 1970, toen arbeiders onder leiding van nota bene maoïsten met een ‘wilde’ staking tegen het nvv de hele haven plat legden.

Kok begreep deze tekenen des tijd. Binnen vier jaar na zijn entree in de top van het nvv bracht hij samen met zijn roomse evenknie Wim Spit de fusie met het katholieke nkv tot een goed einde. Als voorzitter voerde hij de nieuwe fnv naar de sterkste machtspositie die de vakbond ooit had gehad. Nimmer was de arbeidersbeweging zo nadrukkelijk aanwezig in de maatschappij als tijdens zijn nvv- en fnv-voorzitterschap.

In de Tweede Kamer voelde Kok zich niet thuis. Dat kwam goed uit. Hij gebruikte de oppositie om de PvdA weer ministeriabel te maken

De daadkracht die de fnv bij de fabriekspoorten veinsde, was overigens niet aan Kok zelf besteed. Knopen hakte hij liever niet of met tegenzin door. Die weifelachtigheid zou hem begin jaren negentig bijna de kop kosten, toen hij als vicepremier verstrikt raakte in de sanering van de arbeidsongeschiktheidswet. Als zijn vrouw Rita op het dieptepunt van de wao-crisis eind augustus 1991, toen hij op een vrijdagmorgen bijna huilend aan de keukentafel zat, niet had ingegrepen door alle helpers die er waren naar de ring te roepen, had Kok wellicht de handdoek in de ring geworpen en was hij nooit premier geworden. Het was sowieso vaak Rita die de grote lijnen uitzette.

Kok gaf de tijd liever de tijd. Om het in zijn eigen voetbaltermen te zeggen: hij liet de bal het werk doen. En dat liep goed af. De fnv viel in de jaren zeventig niet uit elkaar en wist nieuw talent in academische kring aan te boren. De fnv werd onder zijn leiding ook internationalistischer, zeker toen in Polen de vrije vakbond Solidariteit opdook en het communistische bewind onder druk ging zetten.

Zijn grootste tegenspeler was Chris van Veen, een ex-minister uit de Christelijk-Historische Unie die in 1974 voorzitter was geworden van het vno, het werkgeversverbond van Nederlandse ondernemingen. Toen hij er kwam, was het vno een veredelde sociëteit. De bazen leefden nog in de jaren vijftig, toen directe lijntjes naar de regering belangrijker waren dan maatschappelijke machtsvorming. Toen Van Veen tien jaar later wegging, was het vno een geolied verbond dat zich wel kon meten met de organisatiekracht van de arbeidersbeweging.

Met Van Veen sloot Kok in 1982 het Akkoord van Wassenaar: loonmatiging in ruil voor arbeidstijdverkorting ter wille van werkgelegenheid. De economische crisis was begin jaren tachtig zo geëscaleerd dat Kok besefte dat de winsten van de bedrijven omhoog moesten. Werk was belangrijker dan poen. Wassenaar veranderde het klimaat tussen werkgevers en werknemers. Kok had zich hiermee de pragmatische idealist getoond die hij volgens de biograaf was, een beginnend staatsman. Al zou een jaar later de grootste ambtenarenstaking uit de geschiedenis uitbreken, gericht tegen een salariskorting door het kabinet-Lubbers.

Het politieke leven van Kok kon beginnen. Na de parlementsverkiezingen van 1986 had Den Uyl zich teruggetrokken als pvda-leider. Kok nam de hamer over. De pvda was in het parlement op twee zetels na nog nooit zo groot geweest, maar tegelijkertijd ook machtelozer dan ooit. De panelen schoven, de luiken moesten open, schreven de partij-zielenknijpers die de ‘overwinningsnederlaag’ van 1986 analyseerden. Aan Kok die taak.

In de Tweede Kamer voelde Kok zich niet thuis. Dat kwam goed uit. Hij ging geen oppositie om de oppositie voeren, maar gebruikte de oppositie om de pvda weer ministeriabel te maken. Drie jaar later was hij vicepremier. In 1994 werd hij premier in een paars kabinet met d66, een partij waarmee de oude fnv’er helemaal niets had en die hij in 1989 met een ongebroken hart buiten het derde centrum-linkse kabinet-Lubbers had gehouden. Met de doelstelling van dit kabinet kon hij de cirkel van zijn eigen leven sluiten. ‘Werk, werk, werk en nog eens werk’, luidde het motto. De leuze werd een doorslaand succes. Zo’n succes dat Kok er in politieke zin aan onderdoor ging en het onderspit dolf tegen nieuwkomer Pim Fortuyn.

Omdat deel 1 van de biografie in 1994 ophoudt, moeten we tot 2022 wachten voordat we in deel 2 meer vernemen over Krops visie op deze paradox. Is dat bevredigend? Mijn antwoord: nee.

Behalve op bronnenonderzoek in tientallen meters archief en een diepgaande kennis van de naoorlogse sociaal-economische geschiedenis heeft Marnix Krop zijn biografie gebaseerd op zestien ‘diepgaande en methodische gesprekken’ met Wim Kok zelf en iets minder gesprekken met Rita Kok-Roukema en hun beider zoon Marcel.

Dat heeft een vracht aan materiaal opgeleverd. De selectie eruit is daarna geen sinecure. Omdat deze biografie de eerste van Wim Kok is, mag je van de auteur geen strenge beknoptheid verwachten. Krop moet primaire en secundaire geschiedschrijving bedrijven. Dat kost nu eenmaal ruimte. Maar de biografie van Kok had wel in één dikke pil van pakweg zevenhonderd pagina’s gekund. Als er een harde maar rechtvaardige (eind)redactie op het manuscript was losgelaten – en de uitgever hele of halve herhalingen had geschrapt die een auteur vaak niet ziet omdat die bij het schrijven, met al die bronnen rondom het toetsenbord, in een andersoortige wereld vertoeft – had het boek ingedikt kunnen worden.

Nu moeten we een paar jaar wachten op de apotheose van het leven van Kok, een leven dat zo nauw was verbonden met het naoorlogse Nederland dat in 2002 implodeerde tot een natie waar verongelijktheid het parool van consumptiemaatschappij-populisten zou worden.