Rushdie over de val van de regering

De wraak van arm India

Iedereen gokte op een overwinning van premier Vajpayee (zie ‹De Groene Amsterdammer› van 15 mei). Maar de kiezers van India hebben de waarnemers voor aap gezet. Het economische succes van het land heeft de armen koud gelaten.

De val van de Indiase regering is een grote politieke verrassing die treffende herinneringen oproept aan de enige electorale schok van vergelijkbare omvang: de nederlaag van Indira Gandhi in 1977. Destijds was vrijwel het hele keurkorps der commentatoren er net als nu van overtuigd dat de zittende premier zou winnen; destijds werd de oppositie net als nu geen enkele kans toegedicht; destijds zetten de Indiase kiezers de politici en de media net als nu voor aap. Beide verkiezingen zijn hoogtepunten in de geschiedenis van de Indiase democratie. Een eigenzinnig electoraat dat niet doet wat algemeen wordt verwacht, is iets om te koesteren.

In de tweeëneenhalf jaar vóór de verkiezingen van 1977 had de autocratische noodregering van Indira Gandhi, die tot stand kwam nadat zij in 1975 was veroordeeld wegens verkiezingsfraude, zich schuldig gemaakt aan een hele reeks schendingen van de burger- en mensenrechten, waaronder gedwongen sterilisaties en vasectomieën.

De Nationale Democratische Alliantie (NDA), onder aanvoering van Vajpayees Bharatiya Janata Partij (BJP), was geenszins een dictatuur, maar haar leiders hadden geen oog voor de wandaden, in het bijzonder de slachtpartijen onder met name moslims, die werden begaan in de deelstaat Gujarat, waar de door de BJP geleide regering ervan wordt beschuldigd zelf de hand in de bloedbaden te hebben gehad. Het succes van de Congrespartij in Gujarat duidt erop dat de kiezers walgden van wat zij hebben gezien, net zoals de val van Indira Gandhi in 1977 een uitdrukking was van de nationale afkeer van de wreedheden van haar regering.

De oudste Indiase tegenstellingen zijn tijdens deze verkiezingen weer aan de oppervlakte gekomen, net zoals zij dat in 1977 deden. Evenals nu koos destijds een groot deel van de stedelijke bourgeoisie voor de regering, terwijl de verarmde Indiase massa’s, in het bijzonder de armen op het platteland, tegen de regering stemden. De Indiase strijd om de vraag wat centraal moet staan in het debat over de toekomst van het land is tot op zekere hoogte altijd een strijd geweest tussen de stad en het dorp. Tussen enerzijds het stedelijke, geïndustrialiseerde India dat de voorkeur genoot van zowel de naar het socialisme neigende eerste Indiase premier Jawaharlal Nehru als de vrijemarktarchitecten van «India Shining» (Stralend India), het nieuwe India waarin een buitengewoon succesvolle kapitalistische klasse de economie heeft hervormd. En anderzijds het agrarische, alledaagse India dat Mahatma Gandhi liefhad, het immense India van het platteland waar nog steeds driekwart van de bevolking woont en dat op geen enkele manier heeft geprofiteerd van de recente economische bloei.

Het is geen toeval dat de regeringscoalitie zwaar heeft verloren in zowel Andhra Pradesh als Tamil Nadu, juist de deelstaten die informatietechnologiegiganten als Microsoft hebben gepaaid om daar vestigingen te openen, waardoor slaperige, tweederangs steden als Madras, Bangalore en Hyderabad veranderden in technologische groeikernen. Want terwijl de rijken rijker werden, verslechterde het lot van de armen — zoals de boeren van Andhra Pradesh — jaar na jaar. De kloof tussen de Indiase rijken en armen heeft nooit breder geleken dan vandaag de dag, en de regering is in dat ravijn gevallen.

De alom aanwezige slogan «India Shining» van de NDA heeft net zo’n averechtse uitwerking gehad als de kreet «Garibi Hatao» (Verwijder de armoede) uit de tijd van Indira Gandhi, die door haar tegenstanders met succes werd omgevormd tot «Indira Hatao» (Verwijder Indira).

De zakelijke elite van India heeft zich gehaast de overwinning van de Congres partij te verwelkomen, en we zullen moeten afwachten hoe de regeringswisseling het vertrouwen van de markt beïnvloedt. Maar de Indiase bezitlozen hebben de aannames van de politieke en economische leiders van het land een zware slag toegebracht, en de les moet door alle partijen ter harte worden genomen: negeer het welzijn van de massa’s op eigen risico.

Ik heb twee prangende wensen voor het nieuwe tijdperk. De eerste is dat de discussies over «buitenlanderschap» voor altijd voorbij zullen zijn. Degenen onder ons die deel uitmaken van de Indiase diaspora en die er jaren voor hebben gevochten om Indiërs erkenning te laten ondervinden als volwaardige burgers van de samenlevingen waarin we ons hebben gevestigd en waarin onze kinderen zijn geboren en getogen, hebben de aanval op de Italiaanse afkomst van Sonia Gandhi buiten gewoon onplezierig gevonden. Nog onplezieriger waren de suggesties van de BJP dat haar kinderen, de kinderen van Rajiv Gandhi, ook «buitenlands» waren. Het een kan niet zonder het ander. Als Indiërs buiten India gezien moeten worden als burgers van hun nieuwe vaderland, moeten degenen die van India hun huis hebben gemaakt, zoals Sonia Gandhi zo’n veertig jaar geleden deed, met hetzelfde respect worden tegemoet getreden. Gelukkig hebben de kiezers laten zien dat de kwestie rond het «buitenlanderschap» hun niets kan schelen. Een leider van de BJP zei onmiddellijk na de afwijzing van zijn partij dat hij het een «schande» vond dat India door een buitenlander zou kunnen worden geleid. Dergelijke uitlatingen vormen een deel van de verklaring voor de nederlaag van de BJP. Zij zijn in wezen racistisch en er moet een eind aan komen.

Mijn tweede wens is dat de studie van de geschiedenis van India kan worden gered uit handen van de extremisten en ideologen. De door de vertrekkende regering ingezette politisering van het geschiedenisonderwijs — haar vastberadenheid om handboeken verplicht te stellen die een bekrompen, revisionistische, hindoe-nationalistische visie op de Indiase geschiedenis uitdragen, en haar bespotting van het werk van de grootste Indiase historici zoals professor Romila Thapar — was een van haar meest alarmerende initiatieven. Het leek er vaak op dat de BJP onze kijk op het verleden wilde beïnvloeden om onze passies in het heden te laten ontvlammen. De Congrespartij en haar bondgenoten kunnen de sfeer van koele rationaliteit herstellen waaraan de echte wetenschap behoefte heeft.

Hoe verrukkelijk het ook is om de democratie op zo’n grote schaal in actie te zien, het is niet nodig de nieuwe regering een onvoorwaardelijk welkom te bieden. De tijd zal uitwijzen of deze nieuwe coalitie zal standhouden of uiteen zal vallen. De Congrespartij zal de kunst van het regeren na de lange jaren in de politieke wildernis opnieuw onder de knie moeten krijgen, en Sonia Gandhi — die al heeft bewezen te kunnen vechten — zal moeten aantonen dat ze niet alleen maar de leiderszetel warm houdt voor haar zoon of dochter en dat ze niet louter een «kunstmatig politiek figuur» is, zoals de correspondent van The New York Times in Delhi schreef, maar een echte, samen brengende leider.

De tijd zal ook uitwijzen of de verslagen BJP in de oppositie de fluwelen handschoen van de matiging zal afwerpen die Atal Bihari Vajpayee haar tijdens haar machtsperiode opdrong, en zichzelf opnieuw zal opwerpen als een harde verdediger van het groeps belang. Als dat gebeurt, kunnen de komende jaren vol conflicten en geweld zijn.

Intussen moeten we maar genieten van dit zeldzame moment van hoop.

Vertaling: Menno Grootveld