Terug naar de landkaart

De wraak van de geografie

Mensen en ideeën beïnvloeden gebeurtenissen, maar de geografie bepaalt ze grotendeels, nu meer dan ooit. Om de naderende problemen te begrijpen wordt het tijd dat we de Victoriaanse denkers onder het stof vandaan halen die de materiële wereld het best kenden. Een journalist die de hele aardbol heeft bereisd leidt ons naar de reliëfkaart – en biedt een handleiding voor de volgende conflictfase.

TOEN UITZINNIGE DUITSERS twintig jaar geleden de Berlijnse Muur neerhaalden, symboliseerde dat veel meer dan alleen het overschrijden van een willekeurige grens. Het zette een intellectuele cyclus in gang waarin alle kloven, geografisch en anderszins, werden beschouwd als overbrugbaar; waarin ‘realisme’ en ‘pragmatisme’ slechts pejoratief werden gebruikt, en waarin het humanisme van Isaiah Berlin of de appeasement van Hitler in München werd aangeroepen om de ene internationale interventie na de andere te lanceren. Op die manier deelden het gewapende liberalisme en het democratie promotende neoconservatisme van de jaren negentig dezelfde universalistische aspiraties.
Maar helaas, wanneer de angst voor München ertoe leidt dat men te veel hooi op zijn vork neemt, dan is het resultaat Vietnam – of in het huidige geval, Irak.
En zo begon de rehabilitatie van het realisme, en daarmee een volgende intellectuele cyclus. ‘Realist’ is nu iets eervols, ‘neocon’ iets bespottelijks. De Vietnam-analogie heeft de München-analogie verslagen. Thomas Hobbes, die de morele voordelen van de angst verheerlijkte en anarchie beschouwde als de grootste bedreiging voor de maatschappij, heeft Isaiah Berlin links ingehaald als de filosoof van de cyclus van dit moment. De focus ligt nu minder op universele ideeën dan op specifieke verschillen, van etniciteit tot cultuur tot religie.
Als je dit tien jaar geleden zei werd je weggehoond als ‘fatalist’ of ‘determinist’. Vandaag word je bejubeld als ‘pragmaticus’. En dat is het belangrijkste inzicht van de afgelopen twee decennia: dat er ergere dingen in de wereld zijn dan extreme tirannie, en in Irak hebben we die dingen zelf veroorzaakt. Terwijl ik nota bene een voorstander van de oorlog ben geweest.
Dus nu zijn we gelouterd en zijn we allemaal realisten geworden. Of dat willen we graag geloven. Maar realisme is meer dan alleen tegen een oorlog in Irak zijn waarvan we inmiddels weten dat hij een mislukking werd. Realisme betekent inzien dat internationale verhoudingen worden bepaald door een somberder, beperktere realiteit dan die die binnenlandse zaken stuurt. Het betekent orde hoger waarderen dan vrijheid, omdat de laatste pas belangrijk wordt als de eerste is gecreëerd. Het betekent je concentreren op wat de mensheid verdeelt en niet op wat haar verenigt, zoals de hogepriesters van de globalisering het zouden willen. Kortom, realisme gaat over het herkennen en aanvaarden van die krachten die wij niet kunnen controleren en die het menselijk handelen inperken – cultuur, traditie, geschiedenis, de meer akelige golven van hartstocht vlak onder het vernislaagje van de beschaving. Voor realisten leidt dit tot de hamvraag in buitenlandse aangelegenheden: wie kan wat doen tegen wie? En van al de onverkwikkelijke waarheden waarin het realisme is geworteld, is de meest botte, ongemakkelijke en meest deterministische van allemaal: de geografie.
Wat er in wezen gaande is in de recente terugkeer van het realisme is de wraak van de geografie in de meest ouderwetse betekenis. In de achttiende en negentiende eeuw, vóór de komst van de politicologie als een academische specialisatie, was de geografie een eervolle, zij het niet altijd geformaliseerde, discipline waarin politiek, cultuur en economie vaak werden begrepen in relatie tot de reliëfkaart van de wereld. In de Victoriaanse en Edwardiaanse tijd vormden gebergtes en de mensen die daaruit voortkomen daarom de eerste orde van de realiteit; ideeën, hoe verheffend ook, waren slechts van de tweede orde.
MAAR ALS WE de geografie omhelzen wil dat niet zeggen dat we haar accepteren als een onverbiddelijke kracht waar de mensheid machteloos tegenover staat. Het dient er eerder toe dat we de menselijke vrijheid en keuzevrijheid enigszins temperen met een bescheiden aanvaarding van het lot. Dat is juist op dit moment belangrijk, omdat de globalisering de relevantie van de geografie alleen maar groter heeft gemaakt. Massacommunicatie en economische integratie verzwakken vele staten en leggen een hobbesiaanse wereld bloot van kleine, onhandelbare regio’s. Daarbinnen doen lokale, etnische en religieuze bronnen voor identiteitsvorming zich opnieuw gelden, en aangezien ze zijn verbonden met specifieke soorten terrein kunnen ze het best worden begrepen met behulp van de geografie. Breuken in de aardkorst veroorzaken aardbevingen, en de politieke toekomst zal volgens eenzelfde geografische logica worden bepaald door conflicten en instabiliteit. De ontreddering als gevolg van de economische crisis van dit moment maakt het belang van geografie alleen maar groter: sociale structuren en andere menselijke creaties verzwakken, waarna de natuurlijke barrières op de aardbol overblijven als de enige beperking.
Dus moeten ook wij terug naar de landkaart, en met name naar wat ik de ‘splinterzones’ noem van Eurazië (Europa en Azië bij elkaar). We moeten de denkers herontdekken die het landschap het best kenden. En we moeten hun theorieën updaten voor de wraak van de geografie in onze tijd.

ALS JE DE INZICHTEN van de geografie wilt begrijpen, dan moet je die denkers eruit pikken waar liberale humanisten de kriebels van krijgen – die auteurs die vonden dat de landkaart vrijwel alles bepaalde en dat de mens nauwelijks invloed had op de ontwikkelingen.
Een van die denkers is de Franse historicus Fernand Braudel, die in 1949 The Mediterranean and the Mediterranean World in the Age of Philip II publiceerde. Door de demografie en de natuur zelf een plek in de geschiedenis toe te kennen hielp Braudel de geografie de plaats terug te geven die haar toekomt. In zijn betoog leiden permanente krachten in de natuur tot duurzame historische ontwikkelingen die politieke gebeurtenissen en regionale oorlogen bepalen. Braudel meende bijvoorbeeld dat de arme, kwetsbare grondsoorten aan de Middellandse Zee, in combinatie met een onzeker klimaat met veel droogte, de oude Grieken en Romeinen aanspoorden tot veroveringen. Met andere woorden: we houden onszelf voor de gek als we denken dat we ons lot in eigen hand hebben. Om de huidige problemen van klimaatverandering, opwarming van de poolgebieden en schaarste van natuurlijke bronnen als olie en water te begrijpen, moeten we Braudel herontdekken, die ontwikkelingen interpreteert op basis van wat er in het landschap, de natuur, gebeurt.
Zo moeten we ons eveneens opnieuw storten op de blauw-water-strategie van Alfred Thayer Mahan, een Amerikaanse zeekapitein en schrijver van The Influence of Sea Power Upon History, 1660-1783. Mahan zag de zee als de grote ‘gemeenschappelijke grond’ van de beschaving en meende dat macht op zee altijd de beslissende factor was geweest in mondiale politieke conflicten. Het was Mahan die, in 1902, de term ‘Midden-Oosten’ muntte voor het gebied tussen Arabië en India dat specifiek van belang was voor marinestrategie. Mahan zag de Indische en de Stille Oceaan als de scharnierpunten van de geopolitieke toekomst, omdat ze een maritieme natie de kans boden de macht te grijpen rond de hele buitenrand van Eurazië en daardoor de politieke ontwikkelingen tot diep in Centraal-Azië te beïnvloeden. De ideeën van Mahan helpen verklaren waarom de Indische Oceaan in de 21ste eeuw de spil van de geopolitieke concurrentiestrijd zal zijn – en waarom zijn boeken tegenwoordig worden verslonden door Chinese en Indiase strategen.
Op dezelfde manier beschouwde de Nederlands-Amerikaanse geostrateeg Nicholas Spykman de zeegrenzen van de Indische en Stille Oceaan als de sleutels tot overheersing in Eurazië en als de natuurlijke middelen om de macht van Rusland op het land te beteugelen. Voor hij stierf, in 1943, terwijl de Verenigde Staten vochten tegen Japan, voorspelde Spykman de opkomst van China en als gevolg daarvan de noodzaak voor de VS om Japan te verdedigen. En zelfs toen de Verenigde Staten vochten voor de bevrijding van Europa waarschuwde Spykman dat het ontstaan van een geïntegreerde Europese macht na de oorlog uiteindelijk problematisch zou worden voor de VS. Zo vooruitziend is het geografisch determinisme.
Maar wie ons wellicht het best wegwijs kan maken in de wraak der geografie is de vader van de moderne geopolitiek zelf – Sir Halford J. Mackinder – die niet beroemd is door een boek maar vanwege één enkel artikel, The Geographical Pivot of History, dat begon als een lezing in 1904 voor de Royal Geographical Society in Londen. Mackinders werk is het archetype van de geografische discipline, en hij vat het thema daarvan mooi samen met: ‘De mens en niet de natuur initieert, maar het is de natuur die hoofdzakelijk regeert.’
Zijn stelling is dat Rusland, Oost-Europa en Centraal-Azië de ‘spil’ zijn waaromheen het lot van het wereldrijk draait. In een later boek zou hij naar dit deel van Eurazië verwijzen als het ‘heartland’. Het wordt omringd door vier ‘marginale’ regio’s van de Euraziatische landmassa die, niet toevallig, corresponderen met de vier grote religies, aangezien het geloof voor Mackinder ook in de eerste plaats een functie van de geografie is. Er zijn twee ‘moessonlanden’: een in het oosten dat voor het grootste deel tegenover de Stille Oceaan ligt, het thuisland van het boeddhisme; het andere in het zuiden tegenover de Indische Oceaan, het thuisland van het hindoeïsme. De derde marginale regio is Europa, begrensd in het westen door het water van de Atlantische Oceaan en het thuisland van het christendom. Maar de meest fragiele van de vier marginale regio’s is het Midden-Oosten, thuisland van de islam, ‘verstoken van vocht door de nabijheid van Afrika’ en overwegend ‘dun bevolkt’ (dat wil zeggen in 1904).
Die Euraziatische kaart en de gebeurtenissen die zich er aan het einde van de twintigste eeuw op afspelen, zijn het onderwerp van Mackinder. De openingszin is al een voorbode van de grote reikwijdte ervan:

Wanneer historici in de verre toekomst zullen terugkijken op de eeuwen die we nu achter ons laten, en ze in verkleinde vorm zullen zien, zoals wij vandaag de Egyptische dynastieën zien, zal het heel goed kunnen dat zij de laatste vierhonderd jaar beschrijven als het Columbiaanse tijdperk, naar Columbus, en zeggen dat het kort na 1900 eindigde.

Mackinder verklaart dat, terwijl het middeleeuwse christendom ‘in een smalle regio was opgesloten en werd bedreigd door barbarisme van buitenaf’, in het Columbiaanse tijdperk – het Tijdperk der Ontdekkingen – Europa expandeerde tot over de oceanen en nieuw land veroverde. En zo zullen we aan het begin van de twintigste eeuw ‘opnieuw te maken krijgen met een gesloten politiek systeem’, en deze keer is dat er een van ‘wereldwijde omvang’.

Elke explosie van maatschappelijke krachten zal niet wegsterven en oplossen in de onbekende ruimte en barbaarse chaos die eromheen ligt, maar worden weergalmd vanaf de andere kant van de aardbol, waardoor zwakke elementen in het politieke en economische organisme van de wereld zullen versplinteren.

Mackinder zag in dat Europese imperiums geen ruimte meer hadden om te expanderen, waardoor ze hun conflicten tot mondiale conflicten maakten. Hoe vaag dan ook, hij voorzag daarmee de omvang van de twee wereldoorlogen.
Mackinder zag de Europese geschiedenis als ‘ondergeschikt’ aan die van Azië, want hij zag de Europese beschaving als niet meer dan het gevolg van de strijd tegen een Aziatische invasie. Europa, schrijft hij, werd alleen maar het culturele fenomeen dat ze nu is dankzij haar geografie: een ingewikkelde reeks gebergtes, dalen en schiereilanden; begrensd door ijs in het noorden en een oceaan in het westen; tegengehouden door zeeën en de Sahara in het zuiden; en geplaatst tegenover het reusachtige, bedreigende vlakke land van Rusland in het oosten. Dit ingesloten landschap werd overspoeld door een opeenvolging van nomadische, Aziatische binnendringers uit de naakte steppes. De unie van Franken, Goten en Romeinse provincialen tegen die binnendringers legde de basis voor het moderne Frankrijk. Op dezelfde manier hadden andere Europese machten hun oorsprong in, of in elk geval gedijden ze op, hun confrontaties met Aziatische nomaden. Het was de veronderstelde slechte behandeling door de Seljuk-Turken van christelijke pelgrims in Jeruzalem die zou hebben geleid tot de Kruistochten, die Mackinder beschouwt als het begin van de collectieve moderne geschiedenis van Europa.
Hoewel het werd beschermd tegen vele plunderende menigtes door bossen en moerassen viel Rusland in de dertiende eeuw desondanks ten prooi aan de Gouden Horde van de Mongolen. Deze binnendringers decimeerden Rusland en veranderden het vervolgens. Maar omdat het grootste deel van Europa niet zo’n vernietiging kende, kon het zich opwerpen als de politieke stuurhut van de wereld, terwijl Rusland grotendeels de toegang tot de Europese Renaissance werd ontzegd. Als het ultieme op het land gebaseerde imperium, met weinig natuurlijke bescherming tegen binnendringers, zou Rusland voor altijd weten hoe het was om bruut te worden veroverd. Als gevolg daarvan zou het tot in de eeuwigheid geobsedeerd blijven door het uitbreiden en behouden van territorium.
Essentiële ontdekkingen van het Columbiaanse tijdperk, schrijft Mackinder, versterkten de harde feiten der geografie alleen maar. In de Middeleeuwen waren de volkeren van Europa grotendeels aangewezen op het land. Maar toen de zeeroute rond Kaap de Goede Hoop naar India werd gevonden, kregen Europeanen opeens toegang tot het hele gebied langs de rand van zuidelijk Azië, om maar te zwijgen van strategische ontdekkingen in de Nieuwe Wereld. Terwijl West-Europeanen ‘de oceanen bestreken met hun vloten’, vertelt Mackinder, was Rusland zich op even indrukwekkende wijze aan het uitbreiden op het land: het ‘rees op uit zijn noordelijke wouden’, controleerde de steppen met zijn Kozakken, trok Siberië in en zond boeren uit om op de zuidwestelijke steppen tarwe te zaaien. Het was een bekend verhaal: Europa versus Rusland, een liberale zeemacht (zoals Athene en Venetië) tegen een reactionaire landmacht (zoals Sparta en Pruisen). Want de zee biedt niet alleen kosmopolitische invloed doordat ze toegang geeft tot verre havens, maar levert bovendien de ongerepte grensveiligheid die democratie nodig heeft om wortel te schieten.
In de negentiende eeuw, schrijft Mackinder, vergrootten de komst van stoommachines en het graven van het Suezkanaal de mobiliteit van de Europese macht op zee rond de zuidelijke buitenrand van Eurazië, op het moment dat spoorwegen hetzelfde begonnen te doen voor de macht op het land in het Euraziatische centrum. Zo werden de lijnen uitgezet voor de strijd om heerschappij over Eurazië, waardoor Mackinder komt tot zijn stelling:

Als we dit beknopte overzicht van de grotere stromen der geschiedenis in ogenschouw nemen, wordt dan niet duidelijk dat geografische relaties van blijvende betekenis zijn? Is niet de spil van de wereldpolitiek dat enorme gebied van Euro-Azië dat niet bereikbaar is voor schepen, maar dat in de Oudheid open lag voor de nomaden te paard, en dat vandaag op het punt staat te worden bedekt door een netwerk van spoorwegen?

Net zoals de Mongolen bonsden op de poorten – en die vaak neerhaalden – tot de marginale regio’s rond Eurazië, zou Rusland nu dezelfde veroveraarsrol spelen, want, zoals Mackinder schrijft, ‘de geografische grootheden in de berekening zijn meer meetbaar en meer bijna constant dan de menselijke’. Vergeet de tsaren en de commissarissen in spe in 1904 – zij zijn te verwaarlozen in vergelijking met de diepere tektonische krachten van de geografie.
Het determinisme van Mackinder bereidde ons voor op de opkomst van de Sovjet-Unie en haar enorme invloedssfeer in de tweede helft van de twintigste eeuw, en ook op de twee wereldoorlogen die eraan voorafgingen. Per slot van rekening waren, zoals de historicus Paul Kennedy opmerkt, die conflicten een strijd om Mackinders ‘marginale’ regio’s, die liepen van Oost-Europa tot het Himalaya-gebergte en nog verder. De containment-strategie van de Koude Oorlog was bovendien in hoge mate afhankelijk van bases langs de periferie van het Midden-Oosten en de Indische Oceaan. In feite hebben de machtsuitbreiding van de VS naar Afghanistan en Irak en de huidige spanningen met Rusland rond het politieke lot van Centraal-Azië en de Kaukasus de stelling van Mackinder alleen maar bekrachtigd. In de laatste alinea van zijn artikel laat Mackinder zelfs het spookbeeld opdoemen van Chinese veroveringen van het ‘spilgebied’, waardoor China de dominante geopolitieke macht zou worden. Zie maar hoe Chinese migranten nu in demografische zin delen van Siberië opeisen terwijl Ruslands politieke controle over zijn oostelijke gebieden wordt overbelast. We kunnen ons nogmaals het gelijk van Mackinder voorstellen.
De wijsheid van het geografisch determinisme houdt stand over de kloof van een eeuw heen omdat ze inziet dat de belangrijkste gevechten van de mensheid niet worden gevoerd om ideeën maar om controle over territorium, met name het hart en de buitenrand van Eurazië. Natuurlijk zijn ideeën van belang, en ze omspannen de geografie. Maar toch heeft het een zekere geografische logica waar bepaalde ideeën postvatten. Communistisch Oost-Europa, Mongolië, China en Noord-Korea grensden allemaal aan de grote macht op het land van de Sovjet-Unie. Het klassieke fascisme was een overwegend Europese aangelegenheid. En het liberalisme cultiveerde zijn diepste wortels in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, wat in essentie zowel eilandstaten als zeemachten zijn. Je kunt makkelijk een hekel hebben aan een dergelijk determinisme, maar je kunt het niet zomaar verwerpen.

OM TE KUNNEN onderscheiden waar de veldslag der ideeën toe zal leiden, moeten we Mackinder lezen vanuit het perspectief van onze eigen tijd en zijn ideeën vertalen naar het heden. Tenslotte kon Mackinder niet voorzien hoe een eeuw van veranderingen het belang van de geografie in de wereld van vandaag zou herdefiniëren, en vergroten. Eén schrijver die dat wél deed is Paul Bracken, hoogleraar aan Yale University, die in 1999 Fire in the East publiceerde. Bracken schetst een conceptuele landkaart van Eurazië die wordt bepaald door de ineenstorting van tijd en afstand en het opvullen van lege ruimtes. Dat idee brengt hem ertoe een ‘crisis van ruimte’ uit te roepen. In het verleden fungeerde een schaars bevolkte regio als een veiligheidsmechanisme. Maar dat is niet meer het geval, stelt Bracken, want als er steeds minder lege ruimte overblijft, zal de ‘eindige omvang van de aarde’ steeds meer tot instabiliteit leiden. En zoals ik heb geleerd op het Command and General Staff College van het Amerikaanse leger ‘leidt de afname van hetzelfde bij elkaar opgeteld tot ingrijpende verandering’.
Een van de krachten die de kaart van Eurazië doen krimpen is de technologie, met name de militaire toepassingen ervan en de groeiende macht die ze toebedeelt aan staten. In de vroege Koude Oorlog waren Aziatische legers vooral sjokkende, zware troepen wier primaire doel de nationale consolidatie was. Ze richtten zich naar binnen. Maar toen de nationale welvaart groeide en de computerrevolutie uitbrak, ontwikkelden Aziatische legers van het olierijke Midden-Oosten tot de tijgereconomieën van de Stille Oceaan volwaardige, militair-civiele postindustriële complexen, met raketten en glasvezel en satelliettelefoons. Deze staten werden ook in bureaucratisch opzicht eendrachtig, zodat hun legers zich naar buiten konden richten, naar andere staten. Geografie in Eurazië werd niet een kussen, maar een gevangenis waaruit onmogelijk te ontsnappen was.

NU IS ER EEN ‘ononderbroken keten van landen’, in de woorden van Bracken, van Israël tot Noord-Korea, die ballistische raketten en vernietigende wapenarsenalen aan het ontwikkelen zijn. Een kaart van de reikwijdte van de raketten van die landen laat een aantal elkaar overlappende cirkels zien: niet alleen is niemand veilig, maar je kunt je makkelijk voorstellen dat er een 1914-achtige kettingreactie optreedt die leidt tot een algehele oorlog. ‘De verspreiding van raketten en massavernietigingswapens in Azië is als de verspreiding van de revolver in het Amerikaanse Oude Westen’, schrijft Bracken – een goedkope, dodelijke gelijkmaker van staten.
De andere kracht achter de wraak van de geografie is bevolkingstoename, die de kaart van Eurazië zelfs nog claustrofobischer maakt. In de jaren negentig zagen vele intellectuelen de achttiende-eeuwse Engelse filosoof Thomas Malthus als een overdreven deterministisch denker omdat hij de mensheid beschouwde als een soort die slechts reageerde op zijn fysieke omgeving, en niet als een groep onafhankelijke individuen. Maar naarmate de jaren verglijden, en de prijzen van energie en voedsel op de wereld fluctueren, krijgt Malthus meer respect. Als je door de sloppenwijken van Karachi of Gaza dwaalt, die massa’s boze lompengelovigen insluiten – vooral jonge mannen – kun je makkelijk de conflicten rond schaarse hulpmiddelen zien waarvan Malthus voorspelde dat ze zouden komen. In de dertig jaar dat ik vanuit het Midden-Oosten heb bericht, heb ik het gebied zien uitgroeien van een grotendeels rurale samenleving tot een rijk van bloeiende megasteden. In de komende twintig jaar zal de populatie van de Arabische wereld vrijwel verdubbelen, terwijl de grondwatervoorraden slinken.

EEN EURAZIË van uitgestrekte stedelijke gebieden, van elkaar overlappende reikwijdtes van raketten en van sensatie beluste media zal een continent zijn van voortdurend opgefokte mensenmassa’s, die worden gedreven door geruchten die met de snelheid van het licht worden overgebracht van de ene Derde Wereld-megalopool naar de andere. Behalve over Malthus zullen we dus ook veel horen over Elias Canetti, de twintigste-eeuwse filosoof van de massapsychologie: het verschijnsel dat een menigte mensen hun individualiteit opgeven voor een bedwelmend collectief symbool. Het is allereerst in de steden van Eurazië dat de massapsychologie de grootste geopolitieke invloed zal hebben. Jammer genoeg zijn ideeën wél van belang. En juist door de compactheid van de geografie zal ze een optimale broedplaats vormen voor gevaarlijke ideologieën en kanalen waarlangs die zich kunnen verspreiden.
Dit alles vraagt om ingrijpende aanpassingen van Mackinders theorieën over geopolitiek. Want als de kaart van Eurazië krimpt en volloopt met mensen, dan maakt dat niet alleen de kunstmatige regio’s van gebiedsstudies overbodig, maar haalt het ook een streep door Mackinders onderverdeling van Eurazië in een specifieke ‘spil’ en aangrenzende ‘marginale’ zones. Militaire steun van China en Noord-Korea aan Iran kan Israël aanzetten tot militaire acties. De Amerikaanse luchtmacht kan het door land ingesloten Afghanistan aanvallen vanaf Diego Garcia, een eiland midden in de Indische Oceaan. De Chinese marine en die van India kunnen hun macht uitbreiden van de Golf van Aden tot de Zuid-Chinese Zee – vanuit hun eigen regio en langs de hele buitengrens van het gebied. Kortom, in strijd met Mackinder: Eurazië is aangepast tot een organisch geheel.
De nieuwe naadloosheid van de kaart is mooi zichtbaar in de Pakistaanse buitenpost Gwadar. Daar, op de Indische Oceaan, vlak bij de Iraanse grens, hebben de Chinezen een spiksplinternieuwe diepzeehaven gebouwd. De grondprijzen schieten omhoog, en er wordt over dat nog steeds slaperige vissersstadje gesproken als het nieuwe Dubai, dat op een dag dorpen in Centraal-Azië verbindt met de ontluikende middenklasse-vleespotten van India en China door middel van pijpleidingen, supertankers en de Straat van Malakka. De Chinezen hebben ook plannen voor het ontwikkelen van andere havens in de Indische Oceaan met het doel olie per pijpleiding rechtstreeks te transporteren naar westelijk en centraal China, zelfs als er mogelijk een kanaal en een landbrug worden aangelegd over de Thaise Kra Isthmus. De Indiërs, bang dat ze worden overvleugeld door de Chinezen, zijn hun eigen zeehavens aan het uitbreiden en halen de banden aan met zowel Iran als Birma, waar de Chinees-Indiase rivaliteit het hevigst zal zijn.
Die inniger wordende connecties transformeren het Midden-Oosten, Centraal-Azië en de Indische en Stille Oceaan tot één groot, uitgestrekt continuüm, waarin de smalle en kwetsbare Straat van Malakka de Fulda Gap van de 21ste eeuw zal zijn. Het lot van het islamitische Midden-Oosten en dat van islamitisch Indonesië zijn daardoor onscheidbaar aan het worden. Maar het zijn geografische connecties, en niet religieuze, die er het belangrijkst zijn.
Deze nieuwe kaart van Eurazië – strakker, meer geïntegreerd, en drukker – zal nog instabieler zijn dan Mackinder dacht. In plaats van centrale gebieden en marginale zones die zelfstandigheid impliceren, zullen we een reeks van binnen- en buitenkernen hebben die met elkaar zijn versmolten door massapolitiek en gedeelde paranoia. Een groot deel van Eurazië zal uiteindelijk zelfs net zo claustrofobisch zijn als Israël en de Palestijnse gebieden, waarbij de geografie alles regeert en er geen manoeuvreerruimte bestaat. Hoewel het zionisme de kracht van ideeën aantoont, is de strijd om land tussen Israëliërs en Palestijnen een kwestie van ultieme geografische bepaaldheid. Dit is ook de toekomst van Eurazië.
Het vermogen van staten om ontwikkelingen te controleren zal verzwakken, in sommige gevallen zelfs worden vernietigd. Kunstmatige grenzen zullen afbrokkelen, meer doordringbaar worden waarna alleen rivieren, woestijnen, bergen en andere blijvende geografische feiten resteren. De fysieke kenmerken van het landschap zouden de enige betrouwbare gidsen kunnen zijn die we nog hebben om de vorm van toekomstige conflicten te begrijpen. Zoals slenken in de aardkorst fysische instabiliteit veroorzaken, zijn er streken in Eurazië waar zich eerder conflicten zullen voordoen dan in andere. Die ‘splinterzones’ dreigen te imploderen, te exploderen of een kwetsbaar evenwicht te vinden. En het wekt geen verwondering dat ze vallen binnen die instabiele kern van Eurazië: het Midden-Oosten, het uitgestrekte tussenstation tussen de Mediterrane wereld en het Indische subcontinent dat alle primaire verschuivingen in de mondiale machtspolitiek laat zien.
Voor Mackinder was deze binnenkern de instabiele regio bij uitstek. Maar toch zag hij, schrijvend in een tijd dat er nog geen oliepijpleidingen en ballistische raketten waren, deze regio als intrinsiek onzeker, geografisch gesproken, maar ook als iets van secundair belang. Door een eeuw technologische vooruitgang en bevolkingsexplosie is het Midden-Oosten niet minder onzeker geworden maar drastisch relevanter. Waar Eurazië op dit moment het eerst uit elkaar zou kunnen vallen is in de diverse splinterzones van het Midden-Oosten.

HET INDISCHE subcontinent is zo’n splinterzone. Het wordt aan de landzijdes gedefinieerd door de harde geografische grenzen van het Himalaya-gebergte in het noorden, de Birmese jungle in het oosten en de ietwat zachtere grens van de rivier de Indus in het westen. De grens die westwaarts gaat bestaat uit drie delen: de Indus; de grillige rotsen en ravijnen die tegen de kale woestenij van Centraal-Azië aan liggen, waar de Pasjtoen-stammen wonen, en ten slotte de granieten, met sneeuw bedekte bergmassieven van de Hindu Kush die Afghanistan zelf doorsnijden. Omdat deze geografische obstakels niet samenvallen met wettelijke grenzen, en omdat de buren van India nauwelijks functionerende staten zijn, moeten we de huidige politieke indeling van het subcontinent goed in de gaten houden. Dat wordt scherp zichtbaar wanneer je naar die land-grenzen toe gaat en eromheen loopt, waarbij in mijn ervaring de officiële grenzen het zwakst zijn – een verzameling tafels waar chagrijnige bureaucraten je bagage inspecteren. Vooral in het westen is de enige grens die die naam waard is de Hindu Kush, zodat ik denk dat nog tijdens ons leven de hele schijn van ordening in Pakistan en zuidoost-Afghanistan zou kunnen inzakken en er vage delen van India overbijven.
In Nepal bestuurt de overheid nauwelijks het platteland, waar 85 procent van zijn bevolking leeft. Ondanks het aura dat het Himalaya-gebergte het land geeft, woont bijna de helft van alle Nepalezen in het vochtige, klamme laagland langs de vrijwel niet gecontroleerde grens met India. Als je door dit gebied rijdt, lijkt het in vele opzichten niet te onderscheiden van de Ganges-vlakte. Als de maoïsten die nu Nepal besturen niet de bevoegdheden van de staat kunnen vergroten, zou de staat zelf wel eens in het niets kunnen oplossen.
Hetzelfde gaat op voor Bangladesh. Meer nog dan Nepal mist dat land een geografische beschutting die de staat afgrenst. Ik maakte onlangs een busreis en wat ik uit het raam zag was hetzelfde vlakke waterlandschap van padievelden en kreupelhout aan beide kanten van de grens met India. De grensposten zijn ongeorganiseerde, krakkemikkige toestanden. Deze artificiële vlek op het Indische subcontinent zou opnieuw een metamorfose kunnen ondergaan, onder invloed van de stormachtige krachten van de regionale politiek, moslimextremisme, en de natuur zelf.
Net als in Pakistan heeft in Bangladesh geen enkele regering, militair of civiel, ooit ook maar in de verste verte goed gefunctioneerd. Er zijn al miljoenen vluchtelingen uit Bangladesh illegaal de grens met India overgestoken. Met 150 miljoen mensen – een populatie groter dan die van Rusland – op elkaar gepropt op zeeniveau, is Bangladesh kwetsbaar voor de kleinste klimaatschommelingen, om maar te zwijgen van de veranderingen als gevolg van de opwarming van de aarde. Simpelweg door de geografische ligging van het land zouden tientallen miljoenen mensen in Bangladesh kunnen worden overspoeld door zout water, wat de moeder van alle humanitaire hulpacties noodzakelijk zou maken. Ondertussen zou de staat zelf kunnen instorten.
Natuurlijk is de grootste nachtmerrie op het subcontinent Pakistan, waarvan het disfunctioneren het directe gevolg is van het complete gebrek aan geografische logica van het land. De Indus zou een soort grens moeten zijn, maar Pakistan zit schrijlings op de rivier en bestrijkt beide oevers, net zoals de vruchtbare Punjab-vlakte wordt doorsneden door de Indiaas-Pakistaanse grens. Alleen de Thar-woestijn en de moerassen in het zuiden dienen als natuurlijke grenzen tussen Pakistan en India. En hoewel dat ontzagwekkende barrières zijn, zijn ze onvoldoende om een staat te begrenzen die is samengesteld uit ongelijksoortige, geografisch bepaalde, etnische groepen – Poenjabi’s, Sindhi’s, Baluchi’s en Pasjtoens – die de islam onvoldoende bijeen heeft kunnen houden. Al de andere groepen in Pakistan hebben een hekel aan de Poenjabi’s en het leger dat ze besturen, net zoals de groepen in voormalig Joegoslavië een hekel hadden aan de Serven en hun leger. Pakistans raison d’être is dat het land een thuisland moet bieden aan subcontinentale moslims, maar daarvan wonen er 154 miljoen, bijna evenveel als de hele bevolking van Pakistan, over de grens in India.
In het westen zijn de rotsmassa’s en ravijnen van Pakistans noordwestelijke grensprovincie, tegen Afghanistan aan, uiterst poreus. Van al de keren dat ik de Pakistaans-Afghaanse grens ben overgegaan, deed ik dat niet één keer legaal. In werkelijkheid zijn de twee landen onscheidbaar. Aan beide zijden wonen de Pasjtoens. De grote strook land tussen de Hindu Kush-bergen en de Indus-rivier is in wezen Pasjtoenistan, een entiteit die dreigt te verrijzen als Pakistan uit elkaar zou vallen. Dat zou vervolgens leiden tot de ondergang van Afghanistan.
De Taliban vormen de laatste incarnatie van Pasjtoens nationalisme. Het leeuwendeel van de gevechten in Afghanistan van dit moment speelt zich af in Pasjtoenistan: zuidelijk en oostelijk Afghanistan en de tribale gebieden van Pakistan. In het noorden van Afghanistan, voorbij de Hindu Kush, is minder gevochten; dat gebied zit midden in de wederopbouw en smeedt nauwere banden met de voormalige sovjetrepublieken in Centraal-Azië, bewoond door dezelfde etnische groepen die het noorden van Afghanistan bevolken. Hier bevindt zich de ultieme wereld van Mackinder, van bergen en mensen, waar de feiten van de geografie dag in, dag uit worden bevestigd, tot ongenoegen van de door de VS geleide troepen – en van India, van wie het lot en de grenzen gijzelaars zijn van wat er allemaal gebeurt in de nabijheid van de muur van zevenduizend meter van de Hindu Kush.

EEN ANDERE SPLINTERZONE is het Arabisch Schiereiland. Het uitgestrekte gebied dat wordt geregeerd door de Saoedische koninklijke familie is synoniem met Arabië op dezelfde manier als India synoniem is met het subcontinent. Maar waar India over het geheel dichtbevolkt is, is Saoedi-Arabië een geografisch wazig netwerk van oases die worden gescheiden door enorme waterloze streken. Snelwegen en binnenlandse vliegverbindingen zijn cruciaal voor de cohesie van Saoedi-Arabië. Hoewel India is gebouwd op een idee van democratie en religieus pluralisme is Saoedi-Arabië gebouwd op loyaliteit aan een uitgebreide familie. Maar terwijl India vrijwel wordt omringd door zorgwekkende geografie en disfunctionele staten verdwijnen de grenzen van Saoedi-Arabië in ongevaarlijke woestijn in het noorden en worden ze beschermd door robuuste, goed geregeerde, onafhankelijke sjeikdommen in het oosten en zuidoosten.
Waar Saoedi-Arabië werkelijk kwetsbaar is, en waar de splinterzone van Arabië het meest acuut is, is in het zeer volkrijke Jemen in het zuiden. Hoewel het slechts een kwart van de landoppervlakte van Saoedi-Arabië beslaat, is de bevolking van Jemen bijna even groot, dus zit de o zo belangrijke demografische kern van het Arabisch Schiereiland in de bergachtige zuidwesthoek gepropt, waar weidse basaltplateaus, oprijzend in zandkasteel-formaties en zuilvormige vulkaanproppen, een netwerk van oases omhelzen die al sinds mensenheugenis dichtbevolkt zijn. Aangezien de Turken en de Engelsen Jemen nooit echt hebben bestuurd, hebben ze niet de sterke bureaucratische instituten achtergelaten die andere voormalige koloniën wél erfden.
Toen ik een paar jaar terug langs de grens tussen Saoedi-Arabië en Jemen reisde, was het een komen en gaan van pick-uptrucks vol gewapende jonge mannen, loyaal aan de een of andere sjeik, terwijl de Jemenitische regering vrijwel helemaal afwezig was. Lemen kantelen beschermden de kampementen van die opstandige sjeiks, sommigen met hun eigen artillerie. Schattingen van het aantal vuurwapens in Jemen lopen uiteen, maar iedere Jemeniet die een wapen wil, kan er makkelijk aankomen. Ondertussen zullen de grondwatervoorraden niet langer meegaan dan een generatie of twee.
Ik zal nooit vergeten wat een Amerikaanse militair expert tegen me zei in de hoofdstad, Sanaa: ‘Terrorisme is een zakelijke activiteit, een onderneming, en in Jemen heb je meer dan twintig miljoen agressieve, commercieel denkende en goed bewapende mensen, allemaal extreem hard werkend in vergelijking met de Saoedische buren. Het is de toekomst, en de regering in Riyad is er doodsbang voor.’ De toekomst van een vruchtbaar, tribaal Jemen zal tot op grote hoogte de toekomst van Saoedi-Arabië bepalen. En geografie, niet ideeën, heeft daar alles mee te maken.

DE VRUCHTBARE HALVEMAAN, ingeklemd tussen de Middellandse Zee en het Iraanse plateau, vormt een andere splinterzone. De landen van deze regio – Jordanië, Libanon, Syrië en Irak – zijn vage geografische expressies die tot de twintigste eeuw weinig betekenden. Wanneer we de officiële lijnen op de kaart weghalen, zien we een ruw vingerverfschilderij van soennitische en sjiitische clusters die nationale grenzen weerspreken. Binnen die grenzen bestaan de heersende autoriteiten van Libanon en Irak vrijwel niet. Het bestuur in Syrië is dictatoriaal en fundamenteel instabiel; dat in Jordanië is redelijk, maar onder stille belegering. (De belangrijkste reden dat Jordanië überhaupt bestaat is om te fungeren als een buffer voor andere Arabische regimes die bang zijn voor een landgrens met Israël.) De Levant wordt gekenmerkt door vermoeide autoritaire regimes en inefficiënte democratieën.
Van al de geografisch onlogische staten in de Vruchtbare Halvemaan is Irak het meest onlogisch. De tirannie van Saddam Hoessein, verreweg de ergste in de Arabische wereld, was zelf geografisch bepaald: iedere Iraakse dictator vanaf de eerste militaire staatsgreep in 1958 moest repressiever zijn dan de vorige om een land bijeen te houden dat geen natuurlijke grenzen heeft en bruist van etnisch en sektarisch bewustzijn. De bergen die Koerdistan scheiden van de rest van Irak, en de deling van de Mesopotamische vlakte tussen soennieten in het midden en sjiieten in het zuiden, zou wel eens meer bepalend voor Iraks stabiliteit kunnen blijken dan de hunkering naar het ideaal van democratie. Als de democratie niet op redelijk korte termijn stevig voet aan de grond krijgt, zal de geografie van Irak het land waarschijnlijk opnieuw terugvoeren naar tirannie of anarchie.
Maar hoewel recentelijk alle aandacht naar Irak is gegaan, laten de geografie en de geschiedenis ons zien dat Syrië in het echte centrum van toekomstige turbulentie in de Arabische wereld zou kunnen staan. Aleppo in het noorden van Syrië is een bazaarstad met sterkere historische banden met Mosul, Bagdad en Anatolië dan met Damascus. Wanneer de voorspoed van Damascus afnam met de opkomst van Bagdad in het oosten, heroverde Aleppo zijn grootsheid. Als je door de souks van Aleppo loopt valt op hoe ver weg en onbelangrijk Damascus lijkt: de bazaars worden gedomineerd door Koerden, Turken, Circassiërs, Arabische christenen, Armeniërs en anderen. De souk van Damascus daarentegen is meer een wereld van soennitische Arabieren. Net als in Pakistan en voormalig Joegoslavië heeft elke sekte en religie in Syrië een specifieke locatie. Tussen Aleppo en Damascus ligt het steeds islamistischer wordende soennitische binnenland. Tussen Damascus en de grens met Jordanië leven de Druzen, en in het bastion van bergen grenzend aan Libanon de Alawieten – allebei overblijfselen van een golf van sjiisme uit Perzië en Mesopotamië die duizend jaar geleden over Syrië spoelde.
Verkiezingen in Syrië in 1947, 1949 en 1954 verergerden die scheidingen door de kiezers langs sektarische lijnen te verdelen. Wijlen Hafez al-Assad kwam in 1970 aan de macht na 21 verschillende regeringen in 24 jaar. Drie decennia lang was hij de Leonid Brezjnev van de Arabische wereld en stelde de toekomst uit doordat hij in eigen land geen civil society wist te bouwen. Zijn zoon Basjar zal uiteindelijk het politieke systeem open moeten maken, al was het maar om gelijke tred te houden met een dynamisch veranderende maatschappij gewapend met satellietschotels en internet. Maar niemand weet hoe stabiel een post-autoritair Syrië zou zijn. Beleidsmakers moesten het ergste vrezen. Toch zou een post-Assad-Syrië het heel goed beter kunnen doen dan post-Saddam-Irak, juist omdat de tirannie ervan veel minder ernstig is geweest. Toen ik reisde van Saddams Irak naar Assads Syrië was het alsof ik eindelijk boven water kwam en weer lucht kreeg.
De Arabische wereld is niet in staat het probleem van politieke legitimiteit op te lossen, en daarbovenop weet ze haar eigen omgeving niet te beveiligen. De plateau-volken van Turkije zullen de Arabieren in de 21ste eeuw overheersen omdat de Turken water hebben en de Arabieren niet. Om zijn eigen hopeloos arme zuidoosten te ontwikkelen en daarmee Koerdisch separatisme de kop in te drukken, zal Turkije steeds grotere delen van de rivier de Eufraat moeten omleiden uit Syrië en Irak. Terwijl het Midden-Oosten een rijk van uitgedroogde stedelijke gebieden wordt, gaat water net zo kostbaar worden als olie. De landen die water bezitten zullen de mogelijkheid – en dus de macht – blijven hebben om de landen die geen water bezitten te chanteren. Water zal als kernenergie zijn, waardoor zuiveringsinstallaties en krachtcentrales primaire doelwitten van raketaanvallen in toekomstige oorlogen worden. Niet alleen op de Westoever; overal is er minder ruimte om te manoeuvreren.

EEN LAATSTE SPLINTERZONE is de Perzische kern, die zich uitstrekt van de Kaspische Zee ten noorden van Iran tot de Perzische Golf ten zuiden. Vrijwel alle olie en al het gas van het Midden-Oosten liggen in dit gebied. Zoals scheepvaartroutes zich verspreiden vanuit de Perzische Golf, vertakken pijpleidingen zich meer en meer vanuit de Kaspische regio naar het Middellandse Zee-gebied, de Zwarte Zee, China en de Indische Oceaan. Het enige land dat beide energie producerende gebieden bestrijkt is Iran, zoals Geoffrey Kemp en Robert E. Harkavy opmerken in Strategic Geography and the Changing Middle East. In de Perzische Golf bevindt zich 55 procent van de ruwe-olievoorraden van de wereld, en Iran domineert de hele Golf, van de Shatt al-Arab aan de Iraakse grens tot de Straat van Hormoez in het zuidoosten – een kustlijn van 1317 nautische mijlen, dankzij de vele baaien, inhammen, kreken en eilanden die vele uitstekende schuilplaatsen bieden voor speedboten die tankers kunnen rammen.
Het is geen toeval dat Iran de eerste supermacht van de klassieke wereld was. Het had een bepaalde geografische logica. Iran is het universele scharnierpunt van het Midden-Oosten, nauw verbonden met alle buitenkernen. De grens van het land volgt ruwweg de natuurlijke contouren van het landschap – bergplateaus in het westen, bergen en zeeën in het noorden en zuiden, en woestijnen die zich in het oosten uitstrekken naar Afghanistan. Om die reden heeft Iran een veel respectabeler staat van dienst als natiestaat en stedelijke beschaving dan de meeste plaatsen in de Arabische wereld en alle plaatsen in de Vruchtbare Halvemaan. Anders dan aan de geografisch onlogische landen van die aangrenzende regio is er aan Iran niets artificieels. Het verbaast dan ook niet dat Iran nu het hof wordt gemaakt door India en China, wier marines de scheepvaartroutes van Eurazië in de 21ste eeuw zullen gaan domineren.
Van al de splinterzones in het Midden-Oosten is de Iraanse kern uniek: de instabiliteit die Iran zal veroorzaken zal niet komen van de implosie van het land, maar het gevolg zijn van een sterke, intern coherente Iraanse natie die explodeert vanaf een natuurlijk geografisch platform en het gebied eromheen versplintert. De veiligheid die Iran wordt geboden door zijn eigen natuurlijke begrenzingen is in de geschiedenis altijd een krachtig instrument geweest om macht uit te breiden. In het heden is het niet anders. Door zijn onbuigzame ideologie en behendige inlichtingendiensten leidt Iran een onconventioneel, postmodern imperium van substatelijke groepen in het Midden-Oosten: Hamas in Palestina, Hezbollah in Libanon en de Sadr-beweging in Zuid-Irak. Als de geografische logica van Iraanse expansie griezelig veel lijkt op die van de Russische expansie in de originele voorspelling van Mackinder is dat niet voor niets. De geografie van Iran op dit moment, net als die van Rusland vroeger, bepaalt de meest realistische strategie voor het beveiligen van deze splinterzone: containment, beheersing. Net als bij Rusland moet het doel van het beheersen van Iran zijn om druk uit te oefenen op de contradicties van het impopulaire, theocratische regime in Teheran, zodanig dat het uiteindelijk van binnenuit verandert. De strijd om Eurazië heeft vele, meer en meer verbonden fronten. Maar het belangrijkste draait om Iraanse hearts and minds, net zoals het tijdens de Koude Oorlog draaide om de harten en hoofden van Oost-Europeanen. Iran is het thuisland van een van de meest ontwikkelde bevolkingen van de moslimwereld. Wie daar naartoe reist komt minder anti-Amerikanisme en antisemitisme tegen dan in Egypte. Dit is waar de strijd der ideeën en de dictaten der geografie elkaar kruisen.

IN HET GEVECHT van deze eeuw om Eurazië, net als in dat van de vorige eeuw, geldt het axioma van Mackinder onverminderd: de mens zal initiëren, maar de natuur zal regeren. Liberaal universalisme en het individualisme van Isaiah Berlin zullen niet verdwijnen, maar het wordt steeds duidelijker dat het succes van die ideeën in hoge mate is verbonden aan en wordt bepaald door geografie. Dat was altijd al zo en het is nu nog moeilijker te ontkennen, nu door de voortdurende recessie de wereldeconomie waarschijnlijk voor het eerst in zestig jaar zal krimpen. Niet alleen de welvaart, maar ook de politieke en maatschappelijke orde zullen op veel plaatsen eroderen, waardoor alleen de barrières van de natuur en de hartstochten van de mens de belangrijkste arbiters zullen zijn van die eeuwenoude vraag: wie kan wie dwingen? We dachten dat de globalisering ons had verlost van die antiquarische wereld van muffe landkaarten, maar nu keert ze terug met verdubbelde kracht.
We moeten allemaal leren denken als Victorianen. Daar moet ons onlangs herontdekte realisme door worden gedreven. Geografisch deterministen moeten aan dezelfde eretafel zitten als liberale humanisten, zodat de analogieën van Vietnam en München zich vermengen. Vooral voor Amerikanen zal het moeilijk zijn om de voorschriften en beperkingen van de geografie te aanvaarden, want zij denken graag dat geen enkele beperking, van natuurlijke of andere aard, van toepassing is op henzelf. Maar als we de feiten van de geografie ontkennen zullen we rampen over onszelf afroepen die, op hun beurt, ons slachtoffers van de geografie maken.
In plaats daarvan kunnen we beter goed naar de kaart kijken en speuren naar ingenieuze manieren om de grenzen die hij stelt op te rekken, wat de steun voor liberale principes in de wereld veel effectiever zal maken. In het midden van de wraak der geografie is dat de essentie van realisme en de crux van verstandig beleid – werken tegen de grens van het mogelijke aan, zonder in de afgrond te duikelen.

© 2009 Robert D. Kaplan. Eerder verschenen in Foreign Policy
Vertaling: Rob van Erkelens

WERELDDENKERS
Na 1989 evolueerde de wereld in snel tempo van een bipolaire naar een unipolaire machtsverdeling. In de naaste toekomst zal de wereld door de expansie van China, de hernieuwde machtswil van Rusland en de groeiende economische invloed van de Europese Unie eerder tripolair of quadripolair zijn. Tegelijkertijd is in de internationale arena een steeds grotere rol weggelegd voor niet-statelijke actoren (terroristen, etnische minderheden) en grensoverschrijdende verschijnselen (godsdienst, globalisering, migratie). De Groene Amsterdammer biedt de komende maanden een podium aan denkers die hun sporen in de politieke theorievorming hebben verdiend, maar ook beseffen dat nieuwe inzichten nodig zijn om de wereld van morgen in kaart te brengen. Vorige maand opende Dominique Moïsi de reeks, nu is de beurt aan Robert D. Kaplan.

ROBERT D. KAPLAN
Robert D. Kaplan (1952 New York) is al ruim twintig jaar correspondent voor The Atlantic en heeft de hele wereld bereisd, met een zekere voorkeur voor riskante gebieden. Hij schreef reportages uit Europa, Afrika, het Midden-Oosten, Azië, Latijns-Amerika en de Verenigde Staten. Kaplan woonde enkele jaren in Israël en sloot zich aan bij het Israëlische leger. Zijn werk, waaronder kritische en soms controversiële essays over het hedendaagse Amerika, verscheen in ongeveer alle vooraanstaande bladen in de VS. Bovendien is Kaplan senior fellow van het Center for a New American Security. Hij schreef boeken als Eastward to Tartary: Travels in the Balkans, the Middle East, and the Caucasus (2000), The Coming Anarchy: Shattering the Dreams of the Post Cold War (2000), An Empire Wilderness: Travels Into America’s Future (1998), The Ends of the Earth (1995), The Arabists: The Romance of an American Elite (1993) en Balkan Ghosts: A Journey Through History (1993). Onlangs verscheen bij Het Spectrum Voorbij de grenzen van het Amerikaanse imperium.