De wraak van de slagersjongen

JE KUNT BOEKEN en hun schrijvers natuurlijk in een oneindige reeks categorieën indelen, maar een van de meest betrouwbare tweedelingen is toch deze: je hebt boeken die zich goed laten verfilmen, en je hebt goede boeken. Een voorbeeld. Elk boek van John Grisham of Michael Crichton mag zonder enig bezwaar tot rolprent worden omgetoverd - desnoods alle 38 met Harrison Ford in de hoofdrol - maar toen een Amerikaanse regisseur een paar jaar geleden voorstelde om een film te gaan maken naar The Catcher in the Rye, moest er toch echt iemand op zijn rem gaan staan, en het liefst een beetje hardhandig. Holden Caulfield is geen romanpersonage waarvan je het verhaal zo maar even kan uitbeelden; hij moet het vertellen. Met zijn eigen, onvergetelijke stem, die Salinger en (zonderlinge kluizenaar of niet) alleen Salinger kon laten spreken.

Een ander gedoodverfd cinemataboe was de in 1992 verschenen roman The Butcher Boy van Patrick McCabe. Het boek leek niet alleen ongeschikt voor het witte doek omdat het hartverscheurend mooi is, maar vooral omdat het voor alles een ode is aan de taal. Een jongetje van een jaar of twaalf vertelt een goede tweehonderd pagina’s lang over zijn bizarre leven, en doet dat in een kruisbestuiving van plat Iers en Engels die zo muzikaal, beeldrijk en geestig is, dat de lezer met hem mee blijft voelen, wat die jongen ook doet.
Toch is het juist McCabe die met twee onlangs uitgebrachte projecten duidelijk maakt dat een van de hokjes ‘goede boeken’ of 'filmboeken’ toch niet altijd genoeg is om het werk van een (cult)schrijver in te vangen. Samen met Neil Jordan schreef hij het script voor de prachtige verfilming van The Butcher Boy, en ongeveer tegelijkertijd verscheen er van de Ier een roman die er op een heel andere manier aan doet twijfelen in welke categorie hij thuishoort.
DE FILM The Butcher Boy begint als de opening credits over uitvergrote stripfragmenten worden geprojecteerd. Gecapete superhelden, hard-boiled detectives en cowboys te paard schieten voorbij, tot het laatste plaatje. Een ziekenhuisbed met een in verband gewikkelde jongen erop en een man op een stoel ernaast. De kleuren van de strip vervagen en het beeld komt letterlijk tot leven. 'Waarom heb je het gedaan?’ vraagt de volwassen gestalte wanhopig, waarna het decor verandert en een voice-over zegt: 'Toen ik een jonge knul was, twintig of dertig of veertig jaar geleden, woonde ik in een stadje waar ze allemaal achter me aan zaten om wat ik had gedaan met mevrouw Nugent’, en even later: 'Er was niets aan de hand geweest als mevrouw Nugent haar neus niet tussen mij en Joe had gestoken.’
Aan het woord is Francie Brady (een geweldige rol van de twaalfjarige Eamonn Owens), en zoals de film uitnodigt om hem scène voor scène na te vertellen, zo heeft zijn personage al een hele rij vergelijkingen opgeroepen. 'Een hartveroverende kruising tussen Woutertje Pieterse en Mussolini’ en 'een jonge versie van Paul Gascoigne’ werd hij al genoemd, terwijl de schrijver zelf het hield op een mix van Dennis the Menace en Jack the Ripper of 'een neefje van Alex uit A Clockwork Orange.
Aan het begin van de film is er nog weinig aanleiding voor dit soort kwalificaties. Francie is een gewone jongen die opgroeit in een klein dorpje, en die zich samen met zijn boezemvriend Joe overgeeft aan zijn eigen fantasiewereld. Veilig in hun zelfgebouwde schuilhut zijn ze het ene moment Indianen die op het punt staan 'het vijandige dorp’ binnen te vallen, het volgende moment nemen John Wayne of The Lone Ranger bezit van hun lichaam.
PAS ALS WE kennismaken met de rest van het gezin Brady wordt duidelijk dat het spelen voor Francie ook - of misschien wel vooral - een vlucht is. Zijn vader, gespeeld door vaste Neil Jordan-acteur Stephen Rea, is een uitgebluste ex-muzikant die zijn gemiste kansen met whiskey weg probeert te spoelen, terwijl zijn moeder heen en weer wordt geslingerd tussen zelfmoordpogingen en manische aanvallen waarin ze het hele huis volbakt met taartjes.
Deze toch al niet rooskleurige situatie wordt nog somberder als de familie Nugent ten tonele verschijnt. Nadat Joe en Francie een stapeltje stripboeken hebben gestolen van haar padvinderachtige zoontje Philip, steekt de vrouwelijke snob des huizes een wilde tirade af tegen Francies moeder. Eigenlijk kan die jongen er niets aan doen dat hij zo is, gilt ze, met zulke ouders: 'Niet beter dan varkens.’ Het is een uitspraak waar ze nog spijt van zal krijgen.
De wraakacties van Francie beginnen onschuldig. Zoals in een hilarische scène waarin hij Philip en diens moeder op straat tegenhoudt en weigert ze door te laten voor ze hun 'varkenstolheffing’ hebben betaald.
Maar dan raakt het verhaal in een stroomversnelling. Tijdens een nachtelijke ruzie tussen zijn ouders pakt Francie zijn biezen en vertrekt voor een dag naar Dublin. Bij terugkomst blijkt zijn moeder zich in de vijver van het plaatselijke gesticht te hebben verdronken. Als zijn vader dan ook nog schreeuwt dat hij daar de schuld van is, raakt Francie zijn greep op de werkelijkheid langzaam maar zeker kwijt.
Al zijn gedachten richten zich op één vijand: mevrouw Nugent. Door haar is hij weggegaan uit het dorp, door haar is zijn moeder nu dood. Hij zal haar laten boeten.
Hoe dat precies gebeurt, zal hier niet stap voor stap worden beschreven, maar er moet nog wel even worden stilgestaan bij wat dit deel van de film zo knap maakt. De 'fictieve’ wereld van Francie en de harde realiteit gaan steeds meer door elkaar lopen, tot dat onderscheid bijna volledig uit beeld verdwijnt. Als misbruik door een priester in een heropvoedingskamp, verschijningen van Sinead O'Connor (zoals bekend vriendin van alle katholieken) als Heilige Maagd, de afbrokkeling van een ideale en steeds belangrijker wordende vriendschap en het verlies van een vader naast elkaar bestaan, en dat alles uitmondt in een scène die in A Clockwork Orange niet zou misstaan, wie zal dan zeggen wat echt is en wat fantasie?
Een gruwelijk sprookje is het, maar tegelijk bloedstollend realistisch. De kijker zit in het hoofd van Francie en komt daar zelfs aan het eind van de film niet helemaal uit.
PATRICK MCCABE’S jongste roman, Breakfast on Pluto, beloofde op voorhand ook zo'n 'onverfilmbaar’’ mooi boek te zijn. In interviews kondigde de schrijver het boek aan als het laatste deel van de trilogie die begon met The Butcher Boy en werd voortgezet met het bijna even fraaie The Dead School (1995). Maar helaas, het boek mist werkelijk alles wat zijn voorganger zo bijzonder maakte.
Het verhaal is ongeveer als volgt samen te vatten: Patrick 'Pussy’ Braden is opgegroeid in het benauwende dorpje Tyreelin. Alsof dat op zichzelf al niet vervelend genoeg was, woonde hij bij een alcoholistische pleegmoeder (omdat zijn biologische moeder een door een priester verkracht dienstmeisje is) en ontwikkelde hij zich tot een transseksueel met een kinderwens. Om het dorp te ontvluchten, vertrok hij begin jaren zeventig naar het glamrock-walhalla Londen waar hij een hele reeks minnaars had, als prostituée werkte en betrokken raakte bij een IRA-aanslag. In een zenuwinrichting schrijft hij uiteindelijk zijn verhaal op voor ene dokter Terence, en indirect voor ons.
Natuurlijk kun je met zo'n samenvatting elk verhaal tot het ideale script voor een B-film maken, maar dat je hier geneigd bent dat ook te doen, heeft, meer nog dan de inhoud, te maken met de verteller en zijn taal.
'Pussy’ Braden is om te beginnen volkomen verknipt, en hoewel dat niet geheel onbegrijpelijk is, is het effect hier wel hinderlijk: van hoofdstuk tot hoofdstuk verandert hij van een geaffecteerde nicht die al zijn zinnen laat eindigen met 'darling’ in een stoer-ironische vrouw, een wanhopig smachtend slachtoffer of een plat Iers sprekend viswijf. En wat erger is, in geen van die gedaantes gaat zijn taal ook maar een seconde zo schitteren als die van de slagersjongen.
Dat de schrijver met dat alles een bedoeling heeft gehad, is ondertussen pijnlijk duidelijk. 'Je zou Pussy een symbool voor Ierland anno 1972 kunnen noemen’, vertelde McCabe onlangs aan de NRC. Verward en schizofreen dus.
Dat mag zo zijn, maar om dat symbool gestalte te geven moest wel worden opgegeven wat de grote kracht van het wel-prachtige-boek-en-toch-mooie-film The Butcher Boy is: het perfect balanceren op de grens tussen hilarische groteske en inktzwart drama met een verteller die je nooit meer vergeet.