Essay: het moeras van de drugspolitiek

De wraak van het gedogen

Achter de zelfgenoegzaamheid van de gevestigde orde der gedogers, die menen zeer verlicht met drugs om te gaan, gaat angsthazerij schuil. Gezien het Amerikaanse overwicht en de internationale verdragen zou een Nederlandse Alleingang moeilijk zijn. Liever achter George W. aan het moeras in, en marine, justitie en politie door laten ploeteren in een uitzichtloze onderneming, dan nog eens nadenken.

Ooit deden we in Nederland een beetje lacherig over de war on drugs. Die was onbeschaafd — typisch Amerikaans trouwens — en bovendien contraproductief. Inmiddels is ons land sluipenderwijze, zonder dat daar ooit een gedegen debat aan is gewijd, combattant in de oorlog geworden. In maart 2000 tekende Nederland een verdrag met de Verenigde Staten over het gebruik van twee militaire bases op Aruba en Curaçao door het Amerikaanse leger. De verdragstekst stelt dat «bij het beteugelen van illegale drugs activiteiten» aanzienlijke nationale middelen moeten worden ingezet, met inbegrip van «speciale luchtvaartuigen, strijdkrachten, burgerpersoneel». Het verdrag is een officiële Nederlandse erkenning van het feit dat drugsbestrijding ook een taak van het leger is.
De Antillen bevinden zich op een kruispunt van de internationale cocaïnesmokkel. Jaarlijks zou zo’n tweehonderd ton van het vasteland afkomstige coke de eilanden aandoen. De op de Forward Operating Locations gestationeerde toestellen sporen schepen en vliegtuigen op die mogelijk drugs smokkelen. Vervolgens wordt getracht tot onderschepping over te gaan. De counterdrug-operaties worden aangestuurd vanuit Key West, Florida, en vallen onder de Amerikaanse Joint Inter-Agency Task Force East. Een van de operationele commandanten is de bevelhebber van de Nederlandse marine in het Caribische gebied. De Nederlandse legeronderdelen (waaronder fregatten, een onderzeeër, en Awacs- en patrouillevliegtuigen) maken aldus deel uit van een Amerikaanse bevelstructuur.
De jaarlijkse cocaïneproductie in Colombia, Bolivia en Peru wordt momenteel op ruim negenhonderd ton geschat, waarvan meer dan de helft naar de Verenigde Staten gaat. Enkele jaren geleden lanceerden de VS het zogenaamde Plan Colombia, dat onder meer voorziet in de training van Colombiaanse antidrugsbataljons en de leve ring van gevechtshelikopters aan dat land. De Colombiaanse coca- en papapervelden worden al sinds 1994 besproeid met landbouwgif. De grond wordt zo voor bebouwing onbruikbaar gemaakt, het grondwater wordt vergiftigd, vee en vis sterven, kinderen worden ziek. Na de verwoesting van hun nering trekken de boeren dieper het regenwoud in, en kappen nieuwe stukken kaal voor de coca-aanplant. Sinds de start van de besproeiingen is de cocateelt overigens met ruim tweehonderd procent toegenomen.
Een fijn onderscheid tussen de guerrillabewegingen waarmee de Colombiaanse regering al jaren in conflict is (en die zich voor een belangrijk deel uit de cocaïne financieren) en de drugsmaffia maakt de Amerikaanse regering niet. Counternarcotics en counterinsurgency lopen door elkaar. Washington heeft de besproeiing van de coca- en papavervelden uitbesteed aan het private defensiebedrijf Dyncorp, dat ook gevechtshelikopters en huursoldaten inzet om zich tegen de Farc te verdedigen.
De bezwaren van de Europese Unie tegen het Plan Colombia vormen geen bezwaar voor de Nederlandse regering om er toch indirecte medewerking aan te verlenen. Amerikaanse toestellen vliegen vanaf de bases op Aruba en Curaçao hun verkenningsmissies boven dat land. De informatie wordt gebruikt voor de sproeioperaties. Deze vluchten hebben bovendien Colombiaanse militairen aan boord, zodat dit leger, dat zich aan grove schendingen van de mensenrechten schuldig maakt, meeprofiteert.

De volgzaamheid van het schijnbaar o zo rebelse Nederland is langzamerhand opvallend. Ook op zuiver juridische gronden is de uitlevering van Nederlandse staatsburgers die worden verdacht van XTC-handel met de Verenigde Staten zeer aanvechtbaar. Volgens de Nederlandse uitleveringswet worden onderdanen alleen uitgeleverd indien gewaarborgd is dat een eventueel opgelegde straf in eigen land mag worden uitgezeten. De Verenigde Staten hebben echter nooit méér willen toezeggen dan teruglevering «welwillend» in overweging te zullen nemen. Maar wat te doen indien Washington ooit als voorwaarde zou stellen dat de strafmaat niet, zoals gebruikelijk, aan het Nederlandse recht mag worden aangepast?
Dit is niet het enige probleem. De Amerikaanse undercoveragenten van de Drugs Enforcement Administration die op Nederlands grondgebied werkzaam zijn, hebben toestemming van een Nederlandse officier van justitie. Doch in de praktijk is de controle beperkt. Advocaten vermoeden dat zij zich schuldig maken aan vormen van infiltratie en uitlokking die in strijd zijn met de Nederlandse regels. In het geval van de Zwolse dj had ook de uitleveringsrechter twijfels over de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal, en wenste Amerikaanse functionarissen te horen. Hoewel dezen niet verschenen, ging zij toch akkoord met uitlevering. Daar komt bij dat de Amerikaanse procesvoering in drugszaken naar Nederlandse maatstaven niet eerlijk is. De dreiging met extreem hoge straffen en een veel ruimer bewijsrecht brengen verdachten er licht toe schuld te bekennen in ruil voor strafvermindering. Het resultaat kan zijn dat Nederlandse burgers worden veroordeeld op basis van in ons land onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal en volgens een naar onze maatstaven unfair proces. Over de barre omstandigheden in Amerikaanse gevangenissen nog gezwegen. En dit alles alleen omdat de Nederlandse regering, beschaamd door de reusachtige omvang van de illegale XTC-productie in ons land, als de dood is er door Washington van te worden beschuldigd niet mee te werken aan de bestrijding van deze florerende branche.
De drugsbestrijding begint inmiddels gevestigde rechtsbeginselen te ondermijnen, met name het recht op gelijke behandeling. Volgens de wet van december 2000 die de zogenaamde Strafrechtelijke Opvang Verslaafden regelt, kunnen «verslaafden» die in de voorafgaande vijf jaar ten minste driemaal eerder een misdrijf begingen door de rechter voor ten hoogste twee jaar in een inrichting worden geplaatst. Dit geldt echter alleen voor hen die afhankelijk zijn van een middel op lijst 1 van de opiumwet. Op alcoholisten is de maatregel niet van toepassing, evenmin als voor criminelen zonder middelenprobleem. Het komt erop neer dat iemand met een heroïne- of cocaïneprobleem die voor de vierde keer een misdrijf begaat veel langer wordt opgesloten dan een ander met hetzelfde aantal streepjes op zijn kerfstok. Met de noodwet voor de opsluiting van drugskoeriers van maart 2002 is een nieuwe vorm van rechtsongelijkheid ingevoerd. Zogenaamde «bolletjesslikkers» worden voortaan vastgezet onder een speciaal regime met minimale voorzieningen en mogelijk vier gevangenen op één cel. Zij hebben minder rechten dan andere gedetineerden die tot precies dezelfde vrijheidsstraf zijn veroordeeld.

De bolletjesaffaire heeft alle kenmerken van paniek. Sinds 1999 is het aantal vanuit de Antillen aanvliegende cokeslikkers dramatisch gestegen. In de eerste vijf maanden van dit jaar was het aantal arrestanten op jaarbasis 2160 — bijna een vijfde van de totale gevangeniscapaciteit. Korthals mikte op 1400 noodcellen. In allerijl worden voormalige grenshospitia, psychiatrische ziekenhuizen en kazernes gereed gemaakt. Op Schiphol komen mobiele cellen (verbouwde zeecontainers) en een demontabele rechtbank. Particuliere veiligheidsdiensten worden ingeschakeld, soldaten bewaken de terreinen. De rechtbank in Haarlem en het Amsterdamse gerechtshof, wier werk door de vele drugszaken in gevaar komt, krijgen er negen rechters bij, plus twintig man ondersteunend personeel. De uitgaven zijn zo omvangrijk dat in andere sectoren bezuinigd moet worden.
Ondertussen leiden de bolletjeschaos, de overbelasting van het juridisch en politieapparaat, en de betrokkenheid van Nederland bij een vuile oorlog in Colombia allerminst tot bezinning. Het nieuwe regeerakkoord van CDA, VVD en Liberaal-Patriottisch Front voorziet slechts in meer van hetzelfde. Minder coffeeshops, meer gedwongen afkicken, verbod op het testen van XTC-pillen. En als klap op de vuurpijl: nog krachtiger en meer inzet van middelen tegen XTC- en cocaïnehandelaren. Oogkleppen op, en we gaan gewoon door.
Inmiddels is het evident dat de drugsbestrijding niet effectief is. Grosso modo stijgt het gebruik in de geïndustrialiseerde wereld door de jaren heen langzaam maar zeker. De generatie die nooit iets met drugs te maken heeft gehad, wordt oud en neemt aan betekenis af. Volgens een zeer ruwe schatting heeft inmiddels ongeveer de helft van de West-Europese bevolking tot veertig jaar ooit weleens gebruikt. Met name vergelijkende cijfers spreken boekdelen. De Volkskrant noteerde onlangs in een commentaar: «Zo lang er in Nederland met zijn liberale drugsbeleid vraag is naar drugs, zullen smokkellijnen blijven bestaan.» Echter, in de Verenigde Staten — met draconische straffen en random urinetests in onderwijs en bedrijfsleven — is het gebruik aanzienlijk hoger dan in Nederland (zie tabel).

1999 ooit gebruikt 15-16-jarigen Verenigde Staten Nederland
Cannabis 41% 28%
Cocaïne 8% 3%
Xtc 6% 4%
Bron: Nationale Drugmonitor 2001

Het meest opmerkelijke cijfer is dat voor cannabis. Reeds decennia kan dit in ons land even makkelijk worden gekocht als bloemkool of tuinbonen. Voor de consument is cannabis praktisch gesproken gelegaliseerd. Toch is de consumptie ervan lager dan in de Verenigde Staten. De beschikbare cijfers lijken uit te wijzen dat de omvang van drugsgebruik een in belangrijke mate autonoom proces is. Mensen willen al dan niet gebruiken, en laten zich daarbij weinig door de overheid beïnvloeden, of deze koop nu makkelijk of moeilijk maakt. Zware repressie of legalisering — het maakt niet zo veel uit. Het gebruikersaantal gaat zijn eigen gang.

De drugsproblematiek heeft de politiek echter in een claustrofobische greep. Politici hebben het gevoel geen andere keus te hebben dan door te gaan op de ingeslagen weg. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Ooit beroemde de politieke elite in ons land zich er immers op het zogenaamde «drugsprobleem» eerder in medische dan in strafrechtelijke termen te bekijken. Ongetwijfeld spelen verschuivingen in de internationale verhoudingen een voorname rol. Sinds het einde van de Koude Oorlog zitten de Verenigde Staten hoger te paard dan ooit, en het ontbreekt de Nederlandse elite aan moed om weerstand te bieden aan de eisen van de enig overgebleven grootmacht. Toch is het te simpel om enkel naar deze realiteiten te verwijzen.
De relatief schappelijke Nederlandse omgang met drugs berustte altijd al op een defensief en slecht doordacht uitgangspunt. Grondslag van het «gedoogbeleid» is niet de gedachte dat drugsgebruik een normale zaak zou zijn. Integendeel, met George W. menen de gedogers dat drugs een kwaad vormen. Naar onze tolerante traditie is het echter onbegonnen werk om het kwaad met wortel en tak uit te roeien. Een dergelijk streven is zelfs contraproductief. Laat het kwaad beter een kleine ruimte, waar we er nog enig zicht op hebben. Het gedoogbeleid presenteert zichzelf kortom als het kleinste kwaad. Hier wringt de schoen. In een tijd waarin velen het kwaad helemaal niet meer door de vingers willen zien, kan het gedogen zichzelf nauwelijks verdedigen. De gedogers pogen immers niet een ongerechtvaardigd verbod te verzachten, maar missen slechts de guts om een gerechtvaardigd verbod te effectueren.
Ironisch genoeg heeft juist de Nederlandse focus op volksgezondheid hier een funeste rol gespeeld. Eerder dan een alternatief voor repressie te vormen, levert het medische model er juist de munitie voor. De hele prohibitie is immers gebaseerd op het argument dat drugs de gezondheid schaden. Zonder Volksgezondheid heeft Justitie geen zaak. Ondertussen is het medische denken eenzijdig en komt daarom tot scheve conclusies. De simpele basisgedachte ervan — roesmiddelen met een relevant (geestelijk of lichamelijk) gezondheidsrisico vormen een kwaad — is allerminst vanzelfsprekend. Roesmiddelen zijn op de eerste plaats genotmiddelen, en pas daarna ook dragers van een gezondheidsrisico. Zij zouden niet als kwaad moeten worden beschouwd maar als een riskant goed — een goed met een kwade kant.
Deze gedachte is trouwens niet moeilijk te vatten. Iedere wijnliefhebber snapt het onmiddellijk. Het vereist slechts een kleine mentale stap om haar naar XTC en cocaïne door te trekken. Het gebruik van deze middelen is geen ziekte, maar zou als normale, zij het riskante, consumptie moeten worden beschouwd. Dat stelt ons als samenleving eindelijk in staat om te zien wat al lang zichtbaar was: er is een nieuwe en zich gestaag uitbreidende groep consumenten ontstaan die dit soort middelen nu eenmaal voor hun plezier gebruiken. Het is niet meer dan normaal hen daar via een legale markt toe in staat te stellen. Dat een klein deel der gebruikers in ernstige problemen komt en dat aan het gebruik van alle drugs (inclusief die welke in Nederland nu al min of meer legaal verkrijgbaar zijn zoals cannabis en paddo’s) niet te onderschatten risico’s kleven, doet hier ten principale niets aan af. De war on drugs is een oorlog tegen de consument.
In kwade stemming verdenk ik de beleidselite der gedogers er soms van willens en wetens vooroordelen onder de bevolking in stand te houden. De Nederlandse politiek is voldoende geïnformeerd om te weten dat de associatie van «harddrugs» met verslaving zeer eenzijdig is. Men weet best dat het overgrote deel der harddruggebruikers recreatieve en geen probleemgebruikers zijn. Men beseft ook wel dat de medische en sociale condities voor behandeling van hen die met drugs in problemen komen in een gelegaliseerde situatie veel beter zouden zijn. Men beseft dat de problemen van achterstandsbuurten met dealers en heroïneprostitutie er zonder de prohibitie niet zouden zijn. Er waren dan geen dealers, en vrouwen zouden zich niet hoeven prostitueren om hun gewoonte te financieren. Men weet dat het verbod op drugs een criminele sector schept, en dat juist legalisering het overbelaste justitiële en politieapparaat adem zou geven; dat de veiligheid van de burger ermee gebaat zou zijn. Men weet dat allemaal best, maar in een klimaat waarin law and order electoraal het beste ligt, zegt men het toch maar niet.
Achter de zelfgenoegzaamheid van de gevestigde orde der gedogers, die menen zeer verlicht met drugs om te gaan, gaat angsthazerij schuil. Gezien het Amerikaanse overwicht en de internationale verdragen zou een Nederlandse Alleingang moeilijk zijn. Maar in plaats van zich op internationale fora althans tegen de prohibitie uit te spreken, doet men er het zwijgen toe, speelt braafste van de klas, en gaat thuis door met allerlei onzinnige vooroordelen over drugs onweersproken te laten. Liever achter George W. aan het moeras in, en marine, justitie en politie door laten ploeteren in een uitzichtloze onderneming, dan nog eens nadenken. De halfslachtigheid van de gedoogcultuur wreekt zich genadeloos.

De hardnekkige weigering om op een rustige, normale wijze tegen het fenomeen drugs aan te kijken, is niet alleen toe te schrijven aan politiek opportunisme en eenzijdig medisch denken. De culturele elite, veelal kinderen van de «jaren zestig» die nu op leeftijd en bij verstand zijn gekomen, is daarnaast ook niet bereid zich te committeren aan de verdediging van een fenomeen dat men associeert met verruwing en verdwazing. Misschien is het strafrechtelijk verbod wel te bot, maar beter dat dan toe te geven aan vulgariteit en doorgeschoten hedonisme. Hier wordt kortom met het strafrecht een cultuurstrijd uitgevochten. De prohibitie als beschavingsoffensief.
De angst dat drugsgebruik een exponent van culturele neergang vormt, is historisch niet moeilijk te duiden. Naar het overbekende model van Norbert Elias heeft zich sinds de late Middeleeuwen vanuit de vorstelijke hoven — van boven naar beneden — een toenemende «verfijning» van omgangsvormen door de West-Europese samenleving verbreid. Driften en lichaam werden teruggedrongen uit de publieke sfeer. De Victoriaanse normen vormden de climax van dit proces. In de twintigste eeuw lijkt het proces echter deels van richting veranderd. Informalisering van omgangsvormen gaat gepaard met een ontspannener omgang met het lichamelijke, ook seksueel. Een verband met de democratisering, die sociaal lagere klassen toestaat een sterker stempel op de samenleving te drukken, ligt voor de hand. Gedurende de hele afgelopen eeuw is een onderstroom van verontrusting onder culturele elites over de vermeende verruwing van de massacultuur waarneembaar geweest, soms uitlopend in morele paniek.
Het lijdt geen twijfel dat zowel de drugscultuur als de bestrijding daarvan past in dit algemene beeld. De beschaafde elite is niet alleen gealarmeerd door de ellende en psychiatrische problematiek in de marge van die cultuur, maar ook geshockeerd door de lawaaiige uitbundigheid van de party’ende mainstream daarvan. De bestrijding van de nieuwe roesmiddelen vormt echter een verkeerd begrepen beschavingsoffensief. Het is een overspannen strijd, berustend op een te angstige verdediging van harmonie en wellevendheid. Cultuur verdedigt zich niet als een belegerde stad, door vanaf de muren driftig in het rond te vuren. In de marge van de samenleving ontstaan voortdurend nieuwe, ongepolijste vormen. Cultuurproducten stijgen en dalen, en de cultuur ontwikkelt zich in een proces van wederzijdse integratie — door het ongepolijste op te nemen en bij te schaven, niet door het onder bombardement te brengen.
De waarde van de recreatieve drugscultuur is, toegegeven, beperkt. De kern ervan is de roes. Het verwijt van gemakzucht is daarom niet uit de lucht gegrepen. Geestestoestanden worden kunstmatig, onder passering van de zintuigen, in het brein geïnduceerd. Men hoeft er niets voor te doen, het pilletje is wel gevallen. Daar komt bij dat de soms verbluffende gevoelsintensiteit die partydrugs opwekken evenredig is aan de irrealiteit ervan. Hoe drastischer de reëel bestaande negativiteit wordt overstemd, hoe roziger het waas over de wereld, des te behaag lijker zit de chemische fantasiecapsule. Het element van escapisme is dus onloochenbaar. Dit gezegd zijnde, is de waarde van recreatief drugsgebruik toch ook onmiskenbaar — al wordt dit door de beschaafde wereld dan niet als legitieme betekenis erkend: het is plezierig.
Achter de morele paniek gaat het misverstand schuil dat vlakke, rauwe massacultuur een te bestrijden kwaad vormt. Elke cultuur bevat echter naast de gesofisticeerde kern ook een aanzienlijke marge die juist niet appelleert aan de beste smaak — makkelijk vermaak, platte opwinding. Ook de kroket uit de automatiek, Goudkust en carnaval hebben weinig meer dan snelle bevrediging te bieden. Maar juist daarin bestaat hun waarde. Binnen zekere grenzen is er niets mis met vulgariteit en hedonisme — we kunnen niet zonder pulp. In onze strak georganiseerde en productieve samenleving is dit contrapunt zelfs in toenemende mate noodzakelijk. In algemene termen wordt dit ook wel erkend — getuige de theorie van de «uitlaatklep». Maar dan ook nuchter te erkennen dat trance en XTC niet méér zijn dan het hossen en zuipen van een nieuw publiek — dat is een brug te ver voor een culturele elite die zich in haar goede smaak gekwetst weet. Dan maar liever de politie erop af — ook weinig beschaafd, maar misschien helpt het.
Zoals zo vaak stuiten we hier op de onverwerkte «jaren zestig» die, zo meent men, «te ver doorgeschoten» zijn, met drugsgebruik als meest negatieve erfenis. Ik zie het anders: de normatieve omwenteling van de jaren zestig is helaas net niet ver genoeg gegaan om ook deze roesmiddelen de geur van zedenverval te ontnemen en over de acceptatiegrens te trekken. Dertig jaar later zitten we nog altijd met de ellende van een strafrechtelijk verbod, militaire operaties, overbelaste politie- en justitieapparaten, volkomen onnodige overlast voor de burgerij, een wild enthousiaste maffia, en niet te vergeten wereldwijd miljoenen mensen in gevangenissen wegens «drugsvergrijpen». Met een vals beroep op bescherming van de jeugd en de slachtoffers en zich verschuilend achter cultureel snobisme weigert de intellectuele elite ondertussen massaal haar verantwoordelijkheid te nemen, en eindelijk te zeggen wat gezegd moet worden: het is genoeg geweest.