Over The Golden Notebook (1962) van Doris Lessing

De wrede idylle van het bestaan

Afgelopen week presenteerden wij ons boek De 21 romans die onze blik veranderden in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. De komende dagen publiceren we de teksten die onze redacteuren uitspraken over hun favoriete romans. Vandaag Marja Pruis over The Golden Notebook van Doris Lessing.

Medium doris lessing 20060312  jha

Ik ben een beetje in mineur deze week. Ik dacht opeens: er zit geen progressie in het leven, niks wordt beter, wat echt iets anders is dan het idee dat alles slechter zou worden. Opruimen, dat wil nog wel eens soelaas bieden, m’n kledingkast had ik al een paar maanden geleden gedaan, nu waren mijn boeken aan de beurt. Ik was aan het denken aan de Lezeres des Vaderlands terwijl ik dat aan het doen was, ik weet niet of u al van haar bestaan op de hoogte bent, de Lezeres des Vaderlands is een zelfbenoemd instituut waarachter zich een kritische geest in anonimiteit schuilhoudt. Ze heeft een eigen site waarop ze regelmatig blogs plaatst en maakt zich kenbaar via de social media; een van haar voornaamste activiteiten, en daar is ze nu al sinds enige tijd druk mee, is de literaire bijlagen van de kranten en de weekbladen de maat nemen. Dat doet ze door, zoals ze dat noemt, eens lekker te gaan tellen. En wat telt ze dan, zult u zich afvragen?

Ze telt niet het slinkende aantal pagina’s in de kranten dat wordt ingeruimd om aan boeken aandacht te besteden, het slinkende aantal boekenbijlagen überhaupt. Ze telt ook niet het aantal woorden dat wordt uitgetrokken voor een gemiddelde boekbespreking en dat per week zo’n beetje lijkt af te nemen, van duizend naar vijfhonderd naar tweehonderd, tot er alleen nog maar een blurb overblijft: koop dit boek. Ze telt ook niet hoeveel onzinboeken er worden besproken ten koste van blikveranderende romans, hoeveel interviews de plaats zijn gaan innemen van boekbesprekingen, hoeveel boeken van BN’ers worden besproken, hoeveel boeken de avond ervoor nog in De wereld draait door over tafel zijn gegaan, dat telt ze allemaal niet. De Lezeres des Vaderlands telt simpelweg hoeveel mannen, hoeveel vrouwen. Hoeveel boeken van mannen worden besproken, hoeveel boeken van vrouwen. En wie schrijven dan over die boeken: hoeveel mannen, hoeveel vrouwen. Het maakt niet uit of al die besproken mannen enorme dombo’s zijn en die ene vrouw een stralend licht is, of omgekeerd, nee gewoon de poppetjes. Tellen.

Ik weet niet hoeveel boeken van vrouwen ik in mijn boekenkast heb staan, ik weet ook niet hoe het zit met de verhouding ten opzichte van het aantal boeken van mannen in mijn kast. Ik wil het denk ik niet weten, niet uit verdringing, maar gewoon, ik wil het niet zo belangrijk vinden. Ik weet trouwens wel dat Coen Verbraak voor zijn boekenweekspecial Kijken in de ziel van… op zoek was naar schrijvers van de vrouwelijke kunne, en moest concluderen dat er ‘gewoon niet zo veel waren’. Gelukkig vond hij er nog twee, Kristien Hemmerechts en Saskia Noort.

Ik kijk naar het rijtje boeken van Doris Lessing in mijn boekenkast, geen enkele twijfel dat die daar blijven staan, ik hoef ze ook niet af te stoffen, ze komen met regelmaat van hun plaats. Een verhaal van haar dat ik graag herlees is The Grandmothers, in de gelijknamige bundel. Misschien kent u het, het is een paar jaar geleden ook verfilmd, kreeg toen uit commerciële overwegingen waarschijnlijk de titel Two Mothers, met twee leeftijdloze aantrekkelijke vrouwen in de titelrol, Naomi Watts en Robin Wright. In snelle lijnen trekt Lessing een tafereel op dat tegelijkertijd uiterst idyllisch en uiterst wreed is. Het verhaal gaat over Lil en Roz, die van kinds af aan zo’n symbiotische vriendschap hebben dat hun omgeving, en hun mannen later met name, zich altijd afvraagt of ze eigenlijk geen ‘lezzies’ zijn. Ze hebben genoeg aan elkaar, wat hen niet verhindert toch dat pad van huwelijk en moederschap op te gaan. Ze krijgen allebei een zoon, en die raken ook weer goed bevriend met elkaar. En dan gebeurt er iets, als Tom en Ian zeventien zijn zo ongeveer, dat Lessing op een heel vanzelfsprekende manier op papier krijgt. Het begint met troost, denk ik, en het ontwikkelt zich als een diep intiem nieuw verbond, nu tussen de moeders en de zoon van de ander. En dat houdt járen aan. Mooi is dat Lessing het verbond tussen de moeders en de zonen in het begin laat waarnemen door een buitenstaander, die wel en niet begrijpt wat ze ziet; en aan het eind opnieuw, door de vrouw van een van de zonen. Vanzelfsprekendheid en pijn gaan hand in hand in dit verhaal over MILFS avant la lettre. Maar dan maak ik het heel plat, net zoals een of andere filmkrant het verhaal samenvatte als ‘twee eenzame hartsvriendinnen gaan achter elkaars zoon aan’.

Afgelopen week zat ik met mijn zoon te kijken naar een paar afleveringen van een lange documentaire serie over de geschiedenis van film. We zagen Martin Scorsese voorbijkomen, Paul Schrader, Paul Verhoeven, nou ja ik hoef niet al die namen te noemen, misschien kwam het door die geest van de Lezeres des Vaderlands, ik begon een beetje te schuiven op de bank, iets begon te kriebelen, ik zei tegen mijn zoon ‘het zijn wel allemaal mannen hè’, waarop hij, die de documentaire al een paar keer had bekeken, zei: wacht maar, dit wordt straks een issue. En inderdaad, daar klonk de zoetgevooisde presentator met zijn heerlijke vragende Schotse accent: dat langzaam andere stemmen begonnen te klinken in de filmgeschiedenis, andere dan witte mannenstemmen. We zagen een zwarte man, de regisseur Charles Burnett, die de film Killer of Sheep maakte, en ja, daar kwam Jane Campion in beeld, met haar lange ongeverfde haren, en zij vertelde iets over film, waarom dit medium door mannen gedomineerd werd, ze zei iets over brullende ego’s en dat ze zelf geïnteresseerd was in kwetsbaarheid, zachtaardigheid. Vervolgens zag je beelden uit haar meest succesvolle film, The Piano, hoe ze haar vrouwelijke protagonist de wereld laat waarnemen vanachter haar hand, het zonlicht in strepen door haar gespreide vingers laat binnenvallen.

Als vrouw die iets wil maken begin je denk ik vanuit een achterstand. Misschien moet ik het geen achterstand noemen, maar een defensief beginpunt. Je moet eigenlijk laten zien dat, zoals de gevleugelde uitspraak luidt van kunstenares Marte Röling, het feit dat je een kut hebt geen reet met je werk te maken heeft. Dat je ook best wel ballen hebt. Dat vrouwen niet met hun tieten schrijven. Niet hun pen tussen hun benen dopen. Het zijn van die stoere metaforen die iets treurigs hebben. Te veel nadruk op iets waarvan je eigenlijk juist wil dat het er niet toe doet.

Doris Lessing was haar leven lang getergd. Pas toen ik van de week opnieuw op YouTube interviews met haar bekeek, daagde het me opeens dat dit de rol was die ze verkoos te spelen. Daar zit ze, haar lange ongeverfde haren opgestoken in een knot. Kamperend in haar eigen huis, omringd door een niet te dempen chaos van boeken, kranten, tijdschriften.

Al dat papier. Gek word je ervan.

‘O Christ!’ riep ze uit toen ze met haar boodschappen haar huis dacht binnen te gaan, en tegen een horde journalisten op liep die haar wist te vertellen dat ze de Nobelprijs voor de literatuur had gewonnen. In 2007 was dat. Ze wilde het eerst niet eens geloven, zo vaak als ze al niet ‘genoemd’ was geworden, hoezeer ze ook het idee had niet bepaald tot de gevestigde orde te behoren. Maar zoals dat dan gaat: juist het boek waarvoor ze ooit publiekelijk verguisd was, The Golden Notebook, werd nu bestempeld als een pionierswerk, behorend tot het handjevol boeken dat de twintigste-eeuwse visie liet zien op man-vrouwrelaties.

Man-vrouwrelaties!

Lessing vond het vreselijk dat haar werk steeds tot dat thema werd gereduceerd. Terwijl je ook zou kunnen redeneren dat het een nogal breed, zo niet essentieel menselijk thema is, niet iets om je voor te schamen. In Lessings tijd, en eigenlijk nu nog steeds denk ik met mijn in mineur gedoopte geest, betekende het echter een vorm van ‘afdoen’. Of critici in de tijd van verschijnen van The Golden Notebook nu positief of negatief waren, ze waren het erover eens dat het een roman was over de strijd tussen de seksen. Door de vrouwen die de tweede feministische golf voelden komen aanrollen werd het boek inzet van diezelfde strijd. Eind jaren zeventig, toen ik het voor het eerst las, gold The Golden Notebook als een van de belangrijkste ‘vrouwenromans’, wat toen nog een heroïsche term was. Achteraf gezien had het er denk ik puur mee te maken dat voor het eerst de vrouwelijke ervaring op een niet-vrouwelijke manier centraal stond, namelijk deel uitmakend van een zoektocht naar een literaire vorm die de complexiteit van het personage recht kon doen. Een vorm die de wrede idylle van het bestaan kon benaderen.

Het gaat over ‘fragmentation’, hoorden we de schrijfster net getergd zeggen. Bij een personage dat het bestaan ervaart als ‘gefragmenteerd’, hoort een gefragmenteerde vorm.

Misschien is het Lessings tragiek – voorzover je een schrijfster die de Nobelprijs kreeg tragisch kunt noemen – dat in de receptie van haar boek niet heel veel aandacht was voor de vorm, maar vooral voor de verschillende verhalen. En dat die verhalen verteld werden vanuit het perspectief van een vrouw. Dat men er vooral niet over uit kon dat er zo extensief, en zo niet-terughoudend, over het leven, en de emoties, van een vrouw geschreven kon worden.

‘Sommige boeken worden niet op de goede manier gelezen’, vond ze, en daar is ze weer, de getergde schrijfster, ‘omdat ze een stadium in de meningsvorming hebben overgeslagen, omdat ze ervan uitgaan dat een bepaalde informatie reeds zijn neerslag in de maatschappij heeft gevonden.’ Zij schreef The Golden Notebook alsof het gedachtegoed van de aankomende vrouwenbeweging al bezonken cultuurgoed was, alsof niemand nog echt kon opkijken van al die (on)vrouwelijke emoties waardoor haar personages voortgedreven worden, zoals agressie, vijandigheid, wrok, lust.

Ik denk dat het daardoor geen wonder was dat juist haar boek nu kan gelden als een roman die onze blik heeft veranderd. Opeens viel het zonlicht in strepen vanachter een vrouwenhand, kregen aspecten van het bestaan een kleur die ze nog niet eerder in literatuur hadden gehad. Het verschil tussen het clitorale en het vaginale orgasme, om maar wat te noemen. Het ongelukkige huisvrouwenbestaan, zo schijnbaar achteloos oplichtend. De vergeefs gekookte maaltijden, de half ingebrachte tampons. De dilemma’s van vrouwen die schipperden tussen het moederschap en werk. De egoïstische versus de gevende minnaars, alle details dáárvan. Ze was er niet op uit, de man/vrouw kwestie was niet haar kwestie, maar hij lag daar wel. De opmerkelijke, gefragmenteerde structuur van de roman ten spijt was het de koele, observerende schrijversstem die bewondering en afkeuring oogstte. Niet eerder was de leef- en gedachtenwereld van vrouwen zo uitgebreid en compromisloos neergezet, met evenveel aandacht voor de maaltijden die de personages bereiden als voor de politieke discussies en roddelgesprekken die ze voeren op hun werk, in de keuken, de vrijages die ze hebben in hotelkamers, op kantoor, thuis.

Lessings roman liep duidelijk op de troepen vooruit. Zelf dacht ze een boek te hebben geschreven over een kunstenaar die lijdt aan een blokkade, opgeroepen door de maatschappij waarin hij leeft. Haar eigen ervaringen met de anti-apartheidsbeweging en de communistische partij deden haar als beginnend schrijfster de druk ervaren om niet ‘subjectief’ te zijn. Van schrijvers werd het type engagement verwacht waarbij het particuliere verdacht was: ‘je druk maken over je stomme persoonlijke zaakjes, terwijl Rome in brand staat’ heette het. Waar Lessing al schrijvende achter kwam, een proces dat ze Anna Wulf in The Golden Notebook laat doormaken, was dat je niet over het bouwen van een brug kon schrijven zonder het te hebben over de gevoelens en gedachten van degenen die die brug bouwen. Dat het op geen enkele manier mogelijk was om niet intens subjectief te zijn. Het onbehagen om over pietluttige persoonlijke problemen te schrijven kwam ze al denkende en schrijvende te boven, toen ze begreep dat het persoonlijke nooit écht persoonlijk was. ‘Opgroeien is leren inzien dat je jouw unieke en ongelooflijke ervaring deelt met iedereen.’

Het lijkt nu zo’n gewone constatering, maar in de bevochten wijsheid van Lessing leidde die tot een complete, complexe roman. Niet zo gek dat zoveel schrijvers die zich in mijn boekenkast bevinden zich aan haar schatplichtig verklaren. Margaret Atwood, Rachel Cusk, A.S. Byatt, Jenny Diski. Hé inderdaad. Allemaal vrouwen. Hoe kan dat toch. Zit er geen progressie in het leven, wordt niks ooit echt beter. Anders? Ik wil me hier niet van afmaken, maar denk nu ook maar even in de getergde geest van Doris Lessing. Of mensen nu zeiden dat ze een feministisch boek had geschreven, of dat ze van haar wilden weten wat de zin van het leven was, haar wisten te vertellen dat ze de Nobelprijs voor de literatuur had gewonnen, ze had steevast een even kort als afdoend antwoord.

‘O Christ!’

U kunt De 21 romans die onze blik veranderden kopen voor €19,95 (inclusief verzendkosten)

Beeld: [By Elke Wetzig (elya) (Own work) GFDL (http://www.gnu.org/copyleft/fdl.html), CC-BY-SA-3.