Gerrit Voerman

De wurggreep van Moskou

Met zijn proefschrift ‹De meridiaan van Moskou› levert Gerrit Voerman een zeer interessante bijdrage aan de kerkgeschiedenis van het Nederlandse communisme.

Voor me ligt een vergeelde ansichtkaart van een suf standbeeld. «Vue de monument au Poète Pouschkine», luidt het opschrift. Op de achterzijde lezen we dat deze kaart in juli 1923 vanuit Moskou is verstuurd aan mevrouw S. Bakhuizen van den Brink te Haarlem. Toch wel bijzonder, aangezien Moskou toen bepaald nog geen toeristische bestemming was. De afzender heeft er haastig iets op gekrabbeld: «Beste groeten uit deze mooie stad, die, gelukkig voor ons, bewoond wordt door verstandige menschen.» Deze boodschap is voor velerlei uitleg vatbaar, en daardoor rijkelijk niets zeggend, tot we lezen wie de afzender is: «J. de Kadt, Hotel Lux, Zimmer 179».

Nu komt deze onaanzienlijke kaart ineens tot leven en maakt iets los wat Huizinga de «historische sensatie» noemde. Het aan getaste stukje papier is plotseling een onderdeeltje van een verhaal dat voor de betrokkenen behoorlijk dramatische proporties had.

De op dat moment 26-jarige Jacques de Kadt was, samen met de beroemde dichteres Henriëtte Roland Holst, binnen de Communistische Partij Nederland een van de felste opposanten tegen de partijleiding. Die werd gevormd door de trojka David Wijnkoop, Willem van Ravesteyn en Jan Ceton. Zij hadden zich in 1909 afgesplitst van de SDAP en hun minuscule SDP had zich in 1918 omgedoopt tot CPN. Op grond van het feit dat hun partij in West-Europa de eerste zelfstandige orthodox-marxistische afsplitsing van de sociaal-democratie was, en al voor de Russische Revolutie contacten onderhield met Lenin en Trotski, dachten de leiders van de CPN dat zij in de communistische wereldbeweging een bijzondere plaats innamen.

In de in 1919 opgerichte en in Moskou zetelende Communistische Internationale, beter bekend als de Komintern, kwamen de Nederlanders er natuurlijk niet aan te pas. Reeds in 1920 kwamen vooraanstaande communistische intellectuelen als Herman Gorter en Anton Pannekoek in botsing met Lenin en de zijnen, omdat zij van mening waren dat «Moskou» een opportunistische, en dus niet zuiver marxistische politiek bedreef. Dat deze twee ideologische scherpslijpers uit de partij stapten was voor Wijnkoop, Van Ravesteyn en Ceton een enorme opluchting, maar ook zij hadden voortdurend conflicten met de Russen. Zo had Wijnkoop felle kritiek op het feit dat allerlei partijen en groepen waarvan de ideologische zuiverheid discutabel was, werden toegelaten tot de Komintern. In Moskou had men op den duur de buik vol van die eigenwijze CPN'ers, en de Poolse Komintern-leider Radek sprak zelfs van «die Hollandse ezels».

Tegelijkertijd werd de Nederlandse partij in toenemende mate afhankelijk van Moskou, niet in de laatste plaats wegens de financiële steun. Werd die aanvankelijk nog op romantische wijze verleend — door gesmokkelde juwelen uit de tsaristische schatkamers —, later kwamen er vaste subsidies en af en toe extra donaties, voornamelijk om het altijd noodlijdende dagblad De Tribune op de been te houden. Maar ook ideologisch begon men steeds meer op de Sovjet-Unie te leunen; vandaar dat zowel de partijleiding als de veelvuldige opposanten telkenmale naar Moskou afreisden om de steun van Grote Broer te krijgen. Zoals de ansichtkaart ons leert, had De Kadt daar in de zomer van 1923 nog alle vertrouwen in, er woonden in Moskou immers verstandige mensen. De desillusie zou echter spoedig komen en De Kadt ging inzien dat die hele Komintern en al die communistische partijen elders in de wereld steeds meer werden gebruikt om de nationale belangen van Rusland te dienen. Ook Henriëtte Roland Holst en de vakbondsleider Henk Sneevliet braken korte tijd later met Moskou. Andere Nederlandse communisten geloofden dit (nog) niet en bleven vertrouwen op de revolutionaire broeders in het Kremlin.

Echt nieuw is dit verhaal natuurlijk niet, en op het eerste gezicht lijkt Gerrit Voermans proefschrift De meridiaan van Moskou: De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) enigszins overbodig. In de boeken van A.A. de Jonge, Ger Harmsen, Ger Verrips, Wim van Pelt, Igor Cornelissen, Jan Willem Stutje en anderen kwamen de grote lijnen in de verhouding tussen de CPN en Moskou al duidelijk naar voren. Bovendien lijkt het ook mosterd na de maaltijd, aangezien de CPN alweer tien jaar geleden is opgeheven en weinig mensen nog echt geïnteresseerd zijn in al die partijpolitieke conflicten en ideologische nuances.

Het boek is echter in twee opzichten bijzonder. In de eerste plaats is Gerrit Voerman, in tegenstelling tot bovengenoemde auteurs, nooit communist geweest. In zijn voorwoord schrijft hij dat een eventueel lidmaatschap van de CPN slechts eenmaal ter sprake is gekomen, toen in 1982 de BVD hem vergeefs vroeg te infiltreren. Veel belang rijker is dat Voerman zeer uitgebreid gebruik heeft kunnen maken van de Moskouse archieven. Hierdoor heeft hij een schat aan gegevens boven tafel gekregen waar andere auteurs alleen maar van konden dromen. De vraag is natuurlijk: wat heeft dit alles opgeleverd? Is de geschiedenis van de CPN nu geheel herschreven?

Om met de laatste vraag te beginnen: nee! Allereerst heeft Voerman zich beperkt tot de jaren twintig, en daarbij beschrijft hij uitsluitend de relatie tussen de Nederlandse partij en de Komintern. De partij heeft daarna nog zestig jaar bestaan en bovendien komt de lezer niets te weten over de rol die Nederlandse communisten op lokaal niveau en in de binnenlandse politiek hebben gespeeld. Wel laat Voerman zien dat eerdere auteurs er in allerlei detailkwesties nogal eens naast hebben gezeten. Omdat zij niet konden beschikken over de stortvloed aan documenten die in Moskou bewaard zijn, valt hen dat slechts ten dele aan te rekenen. In zijn uitgebreide notenapparaat geeft Voerman echter wel precies aan waar anderen veronderstellingen deden zonder hiervoor het geringste bewijs te hebben. Met name de Roland Holst-biografie van Elsbeth Etty duikt in dit verband nogal eens op. Dit soort minuscule details is echter alleen interessant voor het handjevol specialisten in de geschiedenis van de linkervleugel van de Nederlandse arbeidersbeweging.

Het belang van het boek van Voerman is boven alles gelegen in het feit dat nu zonneklaar is dat de onderhorigheid aan Moskou veel verder ging dan tot nog toe werd aangenomen. In de jaren dat Voerman met zijn onderzoek bezig was, en af en toe voor studies publiceerde, sprongen de media vooral op berichten over geldelijke steun uit Moskou. Tegenstanders van de CPN hadden altijd al beweerd dat die steun er was, maar Voerman heeft het aangetoond. Nieuw en veel interessanter is dat uit de archieven blijkt dat in de loop van de jaren twintig de greep van Moskou op het Nederlandse communisme totaal wordt. Er was niet alleen sprake van zware beïnvloeding en morele druk, ook werd er direct ingegrepen. Zo werd in Moskou bepaald met welk verkiezingsprogramma en welke kandidatenlijst de CPN de Tweede-Kamerverkiezingen inging, wie de hoofdredacteur van De Tribune werd, en wie er in de partijleiding zaten. Opmerkelijk is bijvoorbeeld het feit dat Daan Goulooze, in de jaren dertig en tijdens de oorlog de verbindingsman tussen de Komintern en de CPN, begin 1930 door Moskou naar voren werd geschoven als partijsecretaris, de belangrijkste functie binnen elke communistische partij. Het in Berlijn gevestigde West-Europese Bureau (WEB) van de Komintern was echter mordicus tegen deze benoeming, zodat Goulooze werd gepasseerd. Zelfs Gouloozes biograaf Ger Harmsen, die geldt als de expert inzake de Nederlandse tak van het Kominternapparaat, was niet op de hoogte van deze feiten en ging er nog altijd van uit dat in 1930 de CPN zelf kon beslissen over belangrijke bestuursfuncties.

Wie de voorbeeldig gedocumenteerde en helder geschreven studie van Voerman leest, komt onder de indruk van diens ijver en wetenschappelijke acribie. De meridiaan van Moskou is een volstrekt onmisbaar boek voor iedereen die zich bezighoudt met dit onderwerp. Maar zijn dat, buiten enkele historici, nog veel mensen? Enkele jaren geleden werd ik door een aantal vrienden uitgelachen omdat ik verdiept was in een reeks boeken over de conflicten binnen de gereformeerde kerken in de jaren dertig en veertig. Wie interesseerde zich daar nu voor? Dat waren toch volstrekt achterhaalde discussies? Met zoiets marginaals hield je je toch niet bezig?

Aan deze opmerkingen moest ik denken bij het lezen van Voermans zeer interessante bijdrage aan de kerkgeschiedenis van het Nederlandse communisme. Want dat is het, een kerkgeschiedenis. Als je in noot 111 van hoofdstuk 7 leest dat er twee uur werd gediscussieerd over de vraag of het Nationaal Arbeidssecretariaat (NAS) nu een «revolutionaire organisatie» of een «organisatie met een revolutionair karakter» was, dan moet je Troelstra toch gelijk geven, die al in 1906 beweerde dat Wijnkoop en de zijnen zich schuldig maakten aan «talmoedische spitsvondigheden en haarkloverijen». Behalve dit soort theologische disputen zijn ook het blinde fanatisme en de neiging zich volstrekt te onderwerpen aan het collectief typerend voor religieuze sektes. Zonder enige ironie hadden sommige Nederlandse communisten het over «Mekka» als ze Moskou bedoelden.

Op het einde van zijn boek gaat Voerman uitdrukkelijk in op deze overeenkomst tussen communisme en godsdienst. Volgens hem is de door de kerkhistoricus Peter van Rooden gemunte term «morele gemeenschap» volledig van toepassing op de CPN. Evenals de orthodoxe protestanten en de rooms-katholieken vormden de communisten een gesloten kring, met een eigen identiteit, levensbeschouwing, politiek en moraal, met een eigen zingevend verleden en met eigen tradities, gebruiken en zelfs een eigen taal. Een uiterst interessante subcultuur die echter, in tegenstelling tot het orthodoxe protestantisme, morsdood is.

Gerrit Voerman, De meridiaan van Moskou: De CPN en de Commu nis tische Internationale 1919-1930. Uitg. L.J. Veen, 664 blz., ƒ75,-