De wurgkracht van het gewone woord

F.B. Hotz maakte de mensen niet mooier dan ze waren, maar beschreef hen wel met een mengeling van ergernis en vertedering, waardoor ze vaak aandoenlijk werden.

Aleid Truijens, Geluk kun je alleen schilderen. F.B. Hotz. Het leven, € 39,95
F.B. Hotz, Mannen spelen, vrouwen winnen, € 21,95

Medium 9789029575140

Toen ik in de tweede helft van de jaren zeventig de spannende jongensboeken inruilde voor literatuur waren er weinig Nederlandse auteurs over wie ik echt enthousiast was. De Grote Drie en Jan Wolkers leken over hun hoogtepunt heen, voor het zogenoemde ‘experimenteel proza’ was ik blijkbaar te dom of te oppervlakkig, en het werk van de zogenoemde Revisor-auteurs vond ik tamelijk slaapverwekkend. Goed, de verhalen van J.M.A. Biesheuvel vond ik vermakelijk en soms ontroerend, maar zijn licht waanzinnige universum begon op den duur toch wat benauwend te worden. Een verademing daarentegen was het werk van F.B. Hotz.
Het is altijd mooi als je zelf een schrijver 'ontdekt’ - wat er meestal op neerkomt dat je gewoon niet weet dat deze al beroemd is - maar in het geval van Hotz was dat, als je wel eens recensies las, heel moeilijk. Zijn debuutbundel uit 1976, Dood weermiddel en andere verhalen, veroorzaakte wat we tegenwoordig een literaire hype zouden noemen, al was die vergeleken met het huidige mediageweld bijzonder ingetogen en bescheiden. Nadat hij een jaar eerder in het literaire tijdschrift Maatstaf zijn eerste verhaal, De tramrace, had gepubliceerd, was de tot dan volstrekt onbekende maar inmiddels reeds 54-jarige auteur tal van critici al opgevallen. Maar zijn eerste bundel werd over het algemeen laaiend enthousiast ontvangen, zij het dat Kees Fens en Hans Warren enkele zuinige kanttekeningen plaatsten. Alleen de veelbelovende literator Henk Spaan wist te melden dat Hotz 'saai’ en 'irritant’ schreef, en dat zijn verhalen niet meer waren dan 'romanuittreksels’.
Het werk van Hotz had iets unzeitgemäss, alsof het ineens vanuit een andere tijd tot ons kwam. Zo beschreef het beklemmende titelverhaal uit Dood weermiddel - alleen al een begrip dat heel intrigerend was - de zorgen en preoccupaties van een negentiende-eeuwse vestingbouwer, die strijd leverde tegen zijn superieuren en zijn afschuwelijke vrouw en zichzelf gaandeweg steeds meer opsloot in zijn werkzaamheden. De historische verhalen in de bundel vielen op door hun bijzonder grondige documentatie, maar evenals in de verhalen die min of meer autobiografisch leken, waren het vooral de wat landerige, vaak beklemmende sfeer en een zeker gevoel van fatalisme en uitzichtloosheid die indruk maakten. Niet alleen het feit dat veel verhalen in de negentiende of het begin van de twintigste eeuw speelden, met een enkel uitstapje naar een inmiddels ook reeds als hopeloos ouderwets versleten decennium als de jaren vijftig, maakte dat Hotz verdwaald leek in de jaren zeventig. Ook het ontbreken van het toen zo modieuze 'engagement’, van 'maatschappijkritiek’, was opmerkelijk. Hotz afficheerde zich duidelijk als conservatief en legde geen 'maatschappelijke structuren’ bloot, maar menselijke angsten, frustraties en emoties.
'De enige heldendaad die ik in de bezettingstijd ooit verrichtte, was het horen voorlezen van een “illegaal” blad. Als ik me goed herinner ben ik verder voornamelijk bang geweest of, wat erger is, ongeïnteresseerd.’ Deze openingszinnen van het verhaal De gladiator stonden haaks op de Zeitgeist, in ieder geval op de belevingswereld van velen die na de oorlog waren geboren, en voor wie de Tweede Wereldoorlog een absoluut 'ijkpunt’ was geworden, waaraan vooral de oudere generatie afgemeten diende te worden.
Hotz maakte de mensen niet mooier dan ze waren, maar beschreef hen wel met een mengeling van ergernis en vertedering, waardoor ze vaak aandoenlijk werden. 'Zo staande over haar werk leek ze wel een baal hooi, maar ik wilde van haar houden’, luidt de laatste zin van Onrustige dagen. In haar inleiding bij de door haar samengestelde bloemlezing uit Hotz’ werk, Mannen spelen, vrouwen winnen, citeert Aleid Truijens uit een essay dat Hotz ooit schreef over de hem zeer bewonderde J. van Oudshoorn: 'Er is een soort magie die aan een gewoon woord in een kalme zin wurgkracht kan geven.’ Die wurgkracht was het handelsmerk van Hotz. Een fraai voorbeeld dat Truijens hiervan geeft, is een passage in het titelverhaal van Hotz’ laatste bundel, De vertegenwoordigers (1996), waarin hij het pijnlijke zwijgen tussen een puber en zijn vader, die het gezin verlaten heeft, voelbaar maakt: 'Voorbij Alphen hoestte ik maar eens. “Ben je verkouden?” vroeg mijn vader, die een hekel aan infecties en ziekten had. “Nee,” zei ik, en met een eerste proeve van ironie: “Ik wou zeker laten horen dat ik er nog zat.”’ En over wurgkracht gesproken: ook het dagboekzinnetje van de twintigjarige Hotz, dat hij citeert in het pijnlijke verhaal Vakantie over zijn mislukte pogingen illegale bladen rond te brengen, mag er zijn: 'Ik wou dat ik een kreupele meid had om aardig voor te zijn.’
Voor de meeste verhalen geldt wat hij schreef over een vrijgezellenhuis uit de jaren vijftig: 'Er hing een atmosfeer van kalm ongeluk en decent verzwegen mislukking.’
Na Dood weermiddel volgden in twintig jaar tijd nog vijf verhalenbundels. Zoals zoveel verhalenschrijvers ging Hotz gebukt onder de druk om ook met een roman te komen. In zijn recensie van Hotz’ debuut had Jaap Goedegebuure opgemerkt dat hij nog maar moest zien of de auteur ooit met een echte roman zou komen. Toen Theo Sontrop van De Arbeiderspers, Hotz’ uitgever, de criticus kort daarna tegenkwam, maakte hij terecht de vileine opmerking: 'Weet je over wie ze dat ook zeiden, dat hij vast geen roman kon schrijven? Over Tsjechov.’ Niettemin bleef Hotz het proberen, zodat hij in 1991 de zeer korte 'roman’ De vertekening publiceerde, die door de kritiek aanzienlijk minder hoog werd aangeslagen dan de verhalen.
De schrijversloopbaan van Hotz, wiens toch al slechte ogen steeds verder achteruitgingen zodat hij op het laatst vrijwel blind was, duurde niet langer dan twintig jaar en werd in 1997 plechtig afgesloten met het verschijnen van de fraai uitgegeven, tweedelige dundrukeditie Het werk. Schrijven kon hij inmiddels niet meer, en in 2000 overleed hij op 78-jarige leeftijd.
Tijdens zijn schrijverscarrière hield Hotz zich verre van het gedruis van het literaire wereldje, mengde hij zich niet in letterkundige of politieke debatten en gaf hij slechts spaarzaam interviews. De rest van zijn leven was ook al niet overdreven spannend, en na zijn dood verbrandde Hotz’ zuster, met wie hij heel lang had samengewoond, op zijn verzoek de schriftelijke nalatenschap. Wat onderwerp en het beschikbare materiaal betreft was Hotz wellicht niet de meest voor de hand liggende figuur om een biografie van te schrijven. Dit heeft Aleid Truijens er niet van weerhouden zich aan deze klus te wagen, wat geresulteerd heeft in de kloeke levensbeschrijving Geluk kun je alleen schilderen.
Het is verbazingwekkend hoeveel materiaal ze toch nog boven water heeft weten te krijgen, en de wijze waarop ze de meer autobiografisch getinte verhalen van Hotz heeft gebruikt komt zeer overtuigend en verantwoord over. Hierdoor heeft ze een nauwgezette en indringende reconstructie van Hotz’ leven kunnen schrijven, waarbij ik af en toe het gevoel had dat het ook wel iets minder uitvoerig had gekund. Het steeds beroerder wordende huwelijk van zijn ouders, de strapatsen van zijn vader, de ellendige schooltijd - het had ook iets meer mogen worden samengevat, wat ook geldt voor de receptie van Hotz’ literaire werk. Truijens vertelt wel erg veel recensies na.
Dit neemt niet weg dat 'de man achter het werk’ wel veel zichtbaarder wordt, en dat je hem ook beter gaat begrijpen. Het wordt duidelijk waar zijn voorliefde voor de jaren twintig vandaan komt (toen was het thuis nog leuk) en waarom hij vaak wat schutterig en onhandig in het leven stond (omdat hij altijd auto’s en vliegtuigen tekende stuurden zijn ouders hem naar een technische school, waar hij diep ongelukkig was). Ook besteedt Truijens veel aandacht aan Hotz’ carrière als professioneel trombonist en werpt ze licht op het 'grote geheim’ van de schrijver: de moord die zijn ex-vrouw - en moeder van zijn zoon - pleegde op zijn beste vriend. Een drama dat hem zo aangreep dat hij het zijn zoon nooit kon vertellen.
Hotz had vaak pech, greep vaak ergens naast - net als veel figuren in zijn verhalen. Dit leidde niet tot opstandigheid, maar tot een zekere ironische berusting. Of zoals hij ooit in een interview zei: 'Ik vind dat het de mensen niet altijd mee hoeft te zitten. Schade en onrecht zijn niet altijd het slechtst wat een mens kan overkomen. Dan kun je groeien. Tegenstand kan zin hebben.’ Vandaar zijn afkeer van socialisten en van wat hij 'verplichte mensenmin’ noemde. 'Alles in dit heelal moet gekocht en betaald worden’, vond Hotz. 'Niemand heeft récht op twee voeten’, leerde de ik-figuur in de novelle De voetnoot van een tante die bij een treinongeluk een been had verloren.
Met deze biografie heeft Truijens een indrukwekkend, zij het iets te dik, monument opgericht voor een van de opmerkelijkste Nederlandse auteurs uit de naoorlogse literatuur. Ook de door haar verzorgde bloemlezing is heel fraai, al ontbreken daarin wel de beste 'historische’ verhalen, zoals Dood weermiddel, De tramrace, en De thuiskomst (over een wereldvreemde mediëvist die in augustus 1914 tussen opmarcherende troepen belandt). Hierdoor is de bundel niet geheel representatief, maar niettemin valt er heel wat te genieten.
'Ongeluk is te beschrijven, maar geluk is alleen te tekenen of te schilderen’, zegt de schilder Lucas in De vertekening. Vandaar dat Hotz zich op het eerste heeft geconcentreerd. Maar van de manier waarop hij dat deed, word je af en toe toch een beetje gelukkig.

F.B. HOTZ
MANNEN SPELEN, VROUWEN WINNEN: EEN KEUZE UIT DE VERHALEN
Samengesteld en ingeleid door Aleid Truijens
De Arbeiderspers, 384 blz., € 21,95
ALEID TRUIJENS
GELUK KUN JE ALLEEN SCHILDEREN - F.B. HOTZ: HET LEVEN
De Arbeiderspers, 656 blz., € 39,95