Hoe zat het nu met Renate en Simon?

De zaak-Carmiggelt

De relatie tussen Simon Carmiggelt en Renate Rubinstein is misschien wel de meest intrigerende van de moderne Nederlandse letterkunde. In zijn recent verschenen Carmiggelt-biografie staat Henk van Gelder er nadrukkelijk bij stil. Maar inzake het grootste raadsel van deze vreemde verhouding vergaloppeert de biograaf zich.

SIMON CARMIGGELT was weer eens ouderwets op dreef toen hij in Het Parool van 25 april 1981 zijn wekelijkse column op pagina 2 (zijn dagelijkse Kronkel-column was een jaar eerder al afgeschaft) wijdde aan het relaas van een eenzame man op een bankje in het Wertheimpark. Het beschreven personage, ‘een kleine stevige man met springerig haar’, stortte naar het vertrouwde recept zijn hart uit bij de anonieme chroniqueur. Hij vertelde over een geheime liefdesrelatie die hij in een grijs verleden juist in dit park had gekoesterd: ‘En die vrouw woonde dáár, in die zijstraat, op nummer 15. Ik mocht wel eens een middag bij haar komen vrijen. Om twee uur precies aanbellen, geen seconde eerder, zo was ze nu eenmaal. Maar een verliefde man is ongeduldig. Ik was altijd ruim een uur te vroeg en dan ging ik hier, in het parkje, wachten tot ik aan mocht bellen. Eigenlijk waren dat mooie uren. Ik was bijna bij haar.’


Wat de Parool-lezers niet wisten, was dat achter het masker van die kleine man op dat bankje in het park de auteur zelf schuilging. Via deze literaire mystificatie biechtte Carmiggelt zijn eigen liaison op, zij het dat deze in de periode dat de column verscheen nog volop gaande was, terwijl in de beschreven affaire de teerbeminde maîtresse geheel in overeenstemming met het fatum van Kronkelland met een ander naar Saoedi-Arabië was gegaan. Het was Carmiggelt zelf die iedere dinsdagmiddag op een bankje in het park (zij het niet het Wertheimpark maar het Sarphatipark) wachtte op het verstrijken van de tijd, teneinde zijn minnares op het afgesproken uur te bezoeken. Die vrouw was Renate Rubinstein, ook wel bekend als Vrij Nederland-columniste Tamar, en hun relatie — die duurde van 1977 tot Carmiggelts dood in 1987 — was een van de beter bewaarde geheimen van de Amsterdamse grachtengordel.


In zijn recent verschenen biografie Carmiggelt, het levensverhaal, gaat Henk van Gelder uitvoerig in op deze verboden liefde. Overdreven veel speurderswerk was daar niet voor nodig, want in tegenstelling tot Carmiggelt is Renate Rubinstein bepaald niet zwijgzaam over haar amour fou geweest. Zij schreef in dertig hoofdstukken het gehele verhaal van haar laatste grote liefde op, dat een jaar na haar dood, in 1991, verscheen onder de titel Mijn beter ik en voor een schokgolf zorgde, niet in de laatste plaats bij de nabestaanden van Carmiggelt en diens in 1990 overleden vrouw Tiny. Rubinstein begon direct na de dood van Carmiggelt (30 november 1987) met het opschrijven van haar herinneringen aan ‘de meest getrouwde schrijver van Nederland’, en voltooide het manuscript enkele dagen voordat ze — al jaren lijdend aan de slopende spierziekte multiple sclerose — een zelfgekozen dood zocht. ‘Mijn behoefte om over hem te praten is overweldigend’, schreef ze in haar voorwoord, gedateerd op 7 december 1987. ‘Tien jaar lang heb ik over hem gezwegen want onze verhouding was clandestien en ik zou Simon met praten hebben kunnen schaden of verliezen. Maar ik heb hem nu verloren en kennelijk eis ik postuum mijn rechten op.’


Dat laatste deed ze met verve. Slechts de allerbotste ziel zal Mijn beter ik zonder aanhoudende golven van kippenvel tot zich hebben kunnen nemen. Met dit boek verbond Rubinstein zich tot in de eeuwigheid met haar verloren minnaar. In vergelijking met Connie Palmens I.M. — een zielsverwante onderneming — valt Mijn beter ik ook op door de ingehouden, geserreerde toon, waardoor de pijn en het verlangen alleen maar schrijnender worden. Het boek maakte bij verschijning des te meer indruk omdat het een totaal ander zicht gaf op aard en wezen van Simon Carmiggelt. Het imago dat hij bij leven zeer zorgvuldig van zichzelf had geconcipieerd, bleek in het geheel niet te kloppen. Achter die wal van verstilde melancholie bleek een uiterst vurige minnaar schuil te gaan, die ook nog op redelijk bejaarde leeftijd (Carmiggelt was 64 toen zijn relatie met Rubinstein vaste vorm kreeg, zij was ruim tien jaar jonger) de liefde bedreef in het gras in het nachtelijke Vondelpark, zijn minnares dagelijks bestookte met briefkaarten en kleine attenties en zich ook voor het overige meer gedroeg als een op hol geslagen tiener dan als de respectabele, doch lichtelijk levensmoede opa zoals het publiek die al zo lang had omarmd. Zelfs de immer sceptische Karel van het Reve was diep gegrepen door deze verrassende ‘coming out’, al was een scène in Mijn beter ik als waarin Carmiggelt naakt door het huis van Rubinstein dartelde ook voor hem een brug te ver.


Mijn beter ik was bovenal een ode aan de levenslust. Onderwerp was uiteindelijk een liefde tussen twee mensen die ieder op eigen wijze vochten met het verval. Na eerder incidenteel met elkaar te hebben rondgescharreld (uit Van Gelders boek blijkt dat Carmiggelt altijd al een ijverige womanizer was) kreeg hun relatie pas echt vorm nadat Rubinstein het bericht had gekregen dat ze leed aan een fatale ziekte. Carmiggelt, op zijn beurt, kampte in die tijd met een nog maar net bedwongen drankverslaving (die hem vanwege een al te frivool bestedingsbeleid in de kroegen jarenlange financiële curatele heeft gekost) en een toenemende onzekerheid over het voortduren zijner talenten. Het noodlot wilde dat over datgene wat hem zijn laatste jaren de meeste inspiratie gaf, moest worden gezwegen als het graf. Echtgenote Tiny was een van zijn meest getrainde lezers en zag genadeloos door alle literaire mystificaties heen. Opperste voorzichtigheid was dan ook geboden, ook in zijn stukjes voor de krant.


De aangehaalde Parool-column is het enige plekje in zijn oeuvre waar hij zich een toespeling op zijn geheime liefde permitteerde. Rubinstein, als Tamar juist beroemd geworden door haar trendsettende exploratie van het eigen (gevoels)leven, heeft hem die gietijzeren zwijgzaamheid ook vaak verweten, zo schrijft ze. Op het laatst van Carmiggelts literaire loopbaan waren er naar haar smaak te veel zaken binnen zijn privé-domein taboe, zo schrijft ze. Dat leidde volgens haar tot de creatieve blokkade waar Carmiggelt steeds heftiger mee te kampen kreeg. Carmiggelt was het daar overigens mee eens. Hij sprak in dat verband van ‘een voetbalveld’ van verboden onderwerpen. Juist voor de meester van de vierkante millimeter moet dat een niet geringe last zijn geweest.


Het was niet de enige last die Carmiggelt mee zich mee torste, zo blijkt uit het boek van Van Gelder. Carmiggelt was een aanzienlijk gecompliceerdere persoonlijkheid dan de trouwe opa uit zijn Kronkels. Zijn grootste complex betrof zijn broer Jan Carmiggelt, de briljante econoom die in de oorlog vanwege zijn ondergrondse werk was opgepakt en in gevangenschap gestorven was.


Jan Carmiggelt, een van de grootste talenten van de socialistische beweging in de jaren dertig, verzorgde in de oorlog onder meer de distributie van levensmiddelenbonnen voor onderduikers. Op 17 juli 1943 werd hij door de Sicherheitsdienst thuis in Den Haag opgepakt. Een ondergedoken joods meisje kon nog net op tijd ontsnappen. Jan Carmiggelt werd op transport gesteld naar het werkkamp Vught en overleed op 26 september 1943. Voor zijn jongere broer Simon, als medewerker van de verzetskrant Het Parool ook ondergronds actief, was dat een levenslang trauma. Zijn vader Herman was gebroken door de dood van Jan, op wie hij al zijn hoop had gevestigd. Vader Carmiggelt, zelf actief in de vleeswarensector, zag in zijn oudste zoon het grote talent van de familie, de jongen die alles goed zou maken. Jan werd door menigeen gezien als de toekomstige minister van Financiën van het naoorlogse Nederland. Zijn tragische dood was voor zijn vader teveel. Herman Carmiggelt stierf een maand na het overlijdensbericht van zijn oogappel aan een gebroken hart.


Voor Simon was het een klap die hij nooit meer te boven kwam. Hij werd overladen door schuldgevoelens. ‘Ze hebben de verkeerde vermoord, mijn ouders hadden mij liever zien gaan in plaats van Jan!’ moet hij na de oorlog niet zelden hebben uitgeroepen als hij weer eens te diep in het glaasje had gekeken. Eenmaal thuisgekomen draaide hij dan de gehele nacht aan een stuk door zijn favoriete plaat: In a Sentimental Mood van Duke Ellington, dat later zou fungeren als de herkenningsmelodie van zijn legendarische televisiecolumn voor de Vara. Op een nacht kreeg zijn vrouw daar zo genoeg van dat ze de plaat met grammofoon en al het raam uit kieperde, zo schrijft Van Gelder (‘Da’s nou jammer’, zou Carmiggelt bij die gelegenheid hebben opgemerkt).


Ook Rubinstein had een oorlogstrauma. Zij kon niet vergeten hoe haar aanbeden joodse vader door de Grüne Polizei was meegevoerd om nooit meer terug te keren. In Mijn beter ik maakt ze geen geheim van haar torenhoge vadercomplex, dat haar in de armen van Simon Carmiggelt — de ultieme vaderfiguur van de Nederlandse letteren — zou drijven. Rubinstein zocht haar hele leven eigenlijk naar compensatie voor haar verloren vader. In dat licht mogen ook haar bemoeienissen voor Friedrich Weinreb in de jaren zestig en zeventig worden gezien. Zoals bekend verzorgde ze samen met haar toenmalige echtgenoot Aad Nuis de redactie van Weinrebs oorlogsmemoires Collaboratie en verzet, het boek dat bij verschijning voor een nooit meer geëvenaarde polemiek had gezorgd. In Weinreb, de joodse econoom, zag Renate Rubinstein ongetwijfeld ook een soort vaderfiguur. Bovendien betrof het hier een joodse man die in de oorlogsjaren met alles wat hij had had gevochten tegen de Duitse nachtmerrie. Zo dacht Rubinstein er tenminste over. Collega-auteurs, W.F. Hermans voorop, zagen dat volkomen anders en gaven zich veel moeite om dezelfde Weinreb af te schilderen als het vleesgeworden kwaad op aarde.


De polemiek tussen Rubinstein en Hermans leidde zoals bekend tot een grootscheeps onderzoek van het Riod, dat in 1976 een al even omstreden rapport uitbracht waarin de lijn-Hermans met overgave werd nagevolgd. Dat rapport, zo filosofeert Henk van Gelder in zijn biografie, moet een complicerende factor zijn geweest binnen de relatie tussen Carmiggelt en Rubinstein. Uiteindelijk wordt in hoofdstuk 40 van de Riod-rapportage beweerd dat niemand minder dan dezelfde Weinreb verantwoordelijk zou zijn voor de dood van Jan Carmiggelt. Dat ging volgens de onderzoekers van het Riod als volgt in zijn werk: Weinreb zou na door de Duitsers te zijn opgepakt als geheim agent voor de SD hebben gewerkt. Hij zou ‘celspionage’ hebben bedreven in de cellen van de SD in Den Haag. Een van de mensen die hij zou hebben uitgehoord zou de joodse arts Joseph Kalker zijn geweest, actief in hetzelfde ondergrondse netwerk als Friedrich Weinreb. Na te zijn gemarteld door de SD in villa Windekind zou Kalker nog steeds niets hebben losgelaten. Vervolgens kwam hij in een cel met Weinreb terecht, aan wie hij wél namen zou hebben genoemd. Zo zou de SD op het spoor van Jan Carmiggelt zijn gekomen, aldus nog steeds het Riod-rapport.



EEN EN ANDER brengt de vraag met zich mee hoe Carmiggelt dan toch die enorme liefde voor Rubinstein kon hebben opgevat. Zou hij zijn gevallen voor de vrouw die als geen ander had gestreden voor het eerherstel van Weinreb, de man die verantwoordelijk zou zijn voor de dood van zijn teerbeminde broer? Henk van Gelder worstelt zichtbaar met deze Weinreb-kwestie, die nog mysterieuzer wordt omdat Carmiggelt er nooit met één woord over heeft gesproken of geschreven. ‘Ondanks zijn persoonlijke betrokkenheid bij de zaak-Weinreb laat zich indenken dat Carmiggelt hiervoor begrip heeft opgebracht’, zo schrijft Van Gelder. ‘Renate was hem zo lief, dat hij haar niet zou willen afvallen. Hij zou haar door de oorlog ingegeven motieven hebben begrepen, want ook hij droeg de sporen van die jaren met zich mee. Hij zou haar vergissing met de mantel der liefde hebben bedekt.’


Zou het? In dit verband moet niet worden vergeten dat Simon Carmiggelt ondanks al zijn humanistische zachtmoedigheid tegelijkertijd kon haten als geen ander. Men denke bijvoorbeeld aan zijn woedende reactie op het onderdrukken van de Hongaarse opstand van 1956, toen hij zo van de kook was dat hij zelfs een steen door de ruiten van de redactie van De Waarheid zou hebben gegooid.


In Mijn beter ik rept Renate Rubinstein met geen woord over Weinreb. Wel schrijft ze over Carmiggelt: ‘Hij verdedigde mij door dik en dun, als ik aangevallen of belachelijk werd gemaakt koos hij altijd mijn partij, ik was nooit meer alleen.’ Zou het dan kunnen zijn dat Simon Carmiggelt helemaal niet zo was overtuigd door de these van de Riod-onderzoekers? Het is een mogelijkheid waar Van Gelder met geen woord over rept. Blijkbaar heeft hij dan ook geen kennisgenomen van de rechtsgang rondom de ‘Kalker-affaire’. Het Weinreb-rapport van het Riod is geen juridisch, maar een historisch onderzoek. Als zodanig is het dan ook nooit op enigerlei wijze getoetst door een rechter of door het parlement, dat het rapport slechts voor kennisgeving heeft aangenomen. In 1948 echter was er wel degelijk een bevoegd juridisch orgaan aan de slag met de Kalker-affaire. Dat was de Bijzondere Raad van Cassatie (het toenmalige hoogste rechtsorgaan), die de eerdere veroordeling van Weinreb heeft moeten toetsen. In zijn eindarrest d.d. 25 oktober 1948 beschikte dit college dat ‘de verhoren, gehouden door de raadsheer-commissaris bij het Bijzonder Gerechtshof, de Raad niet hebben overtuigd, dat requirant (Weinreb — rz) zich in de gevallen Kalker en “joodse schoenmaker” (een ander geval van vermeend verraad van Weinreb — rz) aan celspionage zou hebben schuldig gemaakt, zodat deze gevallen verder buiten beschouwing dienen te blijven.’



WIE HET WEINREB-rapport leest, zal moeten concluderen dat het Riod deze uitspraak niet weet te ontkrachten. Juridisch gezien is het ontkennen van de uitspraak van de raad zelfs niet minder dan laster. Helemaal bont maakt een zekere Jan-Hendrik Bakker het in zijn bespreking van Van Gelders biografie in de Haagse Courant van 9 november 1999. Volgens Bakker was ‘de held van Rubinstein feitelijk de moordenaar van Simons broer Jan’. Dat kan toch onmogelijk staande worden gehouden. Het meest waarschijnlijk is dat Simon Carmiggelt inzake Weinreb in tegenstelling tot menig collega-literator ondanks zijn persoonlijke band met het een en ander wél het hoofd koel heeft weten te houden en niet heeft meegedaan aan de steeds agressievere hetze die tegen Weinreb en zijn verdedigers is gevoerd. Zou hij echt zijn gevallen voor de charmes van Rubinstein als hij meende dat zij een man verdedigde die verantwoordelijk was voor de hevigste pijn van zijn leven? Rubinstein was ook begin jaren tachtig, toen hun liefde opbloeide, nog vurig overtuigd van haar gelijk in de Weinreb-zaak. Toen literator Hans Gomperts in november 1981 verkondigde dat ze samen met Nuis binnenskamers allang had toegegeven dat ze zich in Weinreb had vergist, reageerde ze nog als door een wesp gestoken. ‘Nuis en ik vinden namelijk niet dat wij ons in Weinreb hebben vergist’, zo reageerde ze in haar Vrij Nederland-column. ‘Wij hebben dat nooit gevonden en dat dus ook nooit tegen Gomperts of wie dan ook kunnen zeggen.’


Het is moeilijk voor te stellen dat Simon Carmiggelt deze materie niet uitentreuren heeft overwogen als hij dinsdagmiddag in het Sarphatipark wachtte op het heilige amoureuze uur. Als democraat pur sang zal hij meer eerbied hebben gehad voor een uitspraak van het hoogste rechtscollege van het land dan voor een nimmer getoetste Riod-rapportage. De affaire-Weinreb was daarom ook geen beletsel voor zijn liefde voor Renate. Zullen we het daar dan maar op houden?