De zaak-culiano

Op 21 mei 1991 werd de 41-jarige Roemeense professor Ionan Culianu van de Chicago School of Divinity met een kogel door het achterhoofd om het leven gebracht. De moord op de wereldwijd vermaarde kenner van renaissance en gnostiek zorgde ook in Nederland voor een grote schok. Van 1976 tot 1989 doceerde Culiano aan de Universiteit van Groningen. De geniale Culianu sprak zes talen vloeiend, waaronder Nederlands. Zijn standaardwerk, Eros and Magic in the Renaissance (1984) verscheen in een door de auteur zelf geredigeerde vertaling bij de universiteit van Groningen.

In de Verenigde Staten is de moord op Culiano uitgegroeid tot een cause celèbre op het snijvlak van politiek en occultisme. In zijn verleden maand verschenen boek Eros, Magic and the Death of Professor Culianu maakt de Grieks-Amerikaanse journalist Ted Anton het aannemelijk dat Culianu het slachtoffer werd van wat resteert van de Securitate, de geheime dienst van Ceausescu die na de grote ineenstorting van 1989 rimpelloos overging in het staatsapparaat van het nieuwe Roemenië.
Ionan Culianu stamt uit een oud aristocratisch geslacht. De familie had het zwaar te verduren onder het communistische regime. Reeds op zeer jonge leeftijd nam hij zijn toevlucht tot mystiek en occultisme. ‘Hier vond hij de mogelijkheid van betekenisvolle rebellie, niet naar buiten maar naar binnen gericht’, schrijft Anton. Medio jaren tachtig kreeg hij zijn felbegeerde plek aan de Universiteit van Chicago. Daar werkte hij onder Mircea Eliade, de legendarische Roemeense academicus. Al in zijn jeugd was Culianu een bewonderaar van Eliade. Nu was hij zijn aangewezen opvolger. Tijdens de inwerkperiode deed Culianu echter een lugubere vondst. In het archief van Eliade trof hij de bewijzen dat Eliade in de jaren dertig een medestander was geweest van de IJzeren Garde, de Roemeense pendant van de SS. Eerst probeerde Culianu zijn idool nog in bescherming te nemen. Uiteindelijk moest hij erkennen dat zijn mentor wel degelijk behoorde tot 'de meest geheime, meest bombastische, meest mystieke en meest prutserige fascistische organisatie van vooroorlogs Europa’.
Het was een keerpunt voor Culiano. Hij wierp zich op de politiek, vooral na de val van Ceausescu in december 1989. In swiftiaanse satirische beschouwingen voor Roemeense tijdschriften in Amerika hekelde hij het nieuwe regime. En hij maakte het aannemelijk dat de Securitate nog altijd voortbestond, nu in de gelederen van de Roemeense Staatsvoorlichtingsdienst. Vanaf dat moment begon het doodsbedreigingen te regenen in huize Culianu.
'Ik schreef op een symbolisch niveau, maar zij namen het letterlijk’, zei de auteur nog enigszins verontschuldigend over zijn satirische politieke verhalen. Het mocht niet baten. Ion Pacepa, een in 1978 naar de VS gevluchte ex-adviseur van Ceausescu, stelt dat de moord een initiatief was van de Securitate. 'Een kogel door het achterhoofd is hetzelfde als de handtekening van de Securitate.’ Van de daders ontbreekt nog altijd ieder spoor.
Ted Anton vermoedt dat Culianu zich van gene zijde nog met de zaak bemoeit. Een jaar na de moordaanslag kreeg David Jedlicka, een kantoorklerk in de buitenwijken van Chicago wiens enige overeenkomst met Culianu dezelfde geboortedag is, visioenen in zijn slaap die hem gedetailleerde verslagen over de toedracht van de aanslag onthulden. Het is vooralsnog de enige clue in het onderzoek naar de moord.