Als ik een prijs kreeg zou ik me verstoppen, schreef Astrid Roemer in haar autobiografie Zolang ik leef ben ik niet dood. Ze zou de oorkonde door iemand anders op laten halen, zelf zou ze aan zee lekker wijn gaan zitten drinken. Ze schreef dit twaalf jaar voordat ze de P.C. Hooft-prijs kreeg, overigens welgemoed door haarzelf in Den Haag geïncasseerd. Vijf jaar later, nu ze de nóg prestigieuzere Prijs der Nederlandse Letteren komend najaar uit de handen van de Belgische koning zou ontvangen, kan ze dat glas dan toch in haar eentje gaan genieten. De prijs krijgt ze, maar het feestje is afgelast.

De eerste Surinaamse schrijfster die officieel op het Nederlandse literaire schild wordt gehesen, blijkt nog ongrijpbaarder dan gedacht. De aanvankelijke trots van haar mede-Surinamers sloeg om in afschuw, toen Roemer liet blijken bewondering te hebben voor oud-president Desi Bouterse. De misdaden waarvoor hij bij verstek werd veroordeeld, waaronder de zogeheten Decembermoorden waarbij vijftien prominente Surinamers werden geëxecuteerd, worden door haar niet ontkend, maar wel gerelativeerd.

Impliciet luidt het verwijt: zij zou beter moeten weten

De 74-jarige Roemer, die sinds kort weer in Paramaribo woont, beschouwt Bouterse als een belangrijke schakel in het dekolonisatieproces van Suriname. Ze liet vorig jaar al weten het moedig van hem te vinden de Surinaamse geschiedenis in ‘een nieuwe koers’ te hebben gedwongen en daarmee ‘een nieuwe toekomst’ te hebben geforceerd. ‘Onze gemeenschap heeft Bouterse hard nodig gehad om zelfbewuster te worden’, voegt ze er nu aan toe. ‘Merci man.’

Leefden we in een romanwerkelijkheid, dan bevonden we ons in een groteske, oftewel een verhaal waarin de absurditeit hoogtij viert. De schrijver, wier werk wordt gelauwerd vanwege de onconventionaliteit waarmee ze grote thema’s als corruptie en kolonisatie verbindt aan kleine geschiedenissen, en die per se niet als man of vrouw, zwart of wit wil worden gewaardeerd maar als ‘scheppend mens’, wordt teruggeworpen op haar verantwoordelijkheid als lid van een gemeenschap. Impliciet luidt het verwijt: zij zou beter moeten weten. Zij zou zich moeten voegen naar de consensus van de Surinamers die getraumatiseerd zijn door de Decembermoorden. Erger werd het nog toen ze geen centimeter toegaf op het moment dat deze Surinamers zich roerden, en ze hen op Twitter en Facebook begon te beledigen. Expliciet rees de vraag: mag een schrijver die in het openbaar haar waardering ventileert voor een crimineel/dictator/moordenaar worden beloond met een staatsprijs?

Kun je een kunstwerk los zien van de schepper, zo vraagt ook de Russisch-Nederlandse journalist Yegór Osipov-Gipsh zich deze week af in zijn essay over het overschrijden van grenzen in kunst. Voor iemand als strafrechtadvocaat Gerard Spong, op de opiniepagina van de NRC, is dat in het geval van Roemer een uitgemaakte zaak. Geef je haar deze prijs, dan laat je als staat zien niet zo zwaar te tillen aan haar opvattingen. Zijn protest roept de weerzin in herinnering rond de uitreiking van de Nobelprijs voor literatuur aan Peter Handke, zij het dat deze, ondanks zijn vermaarde woede-uitbarstingen, niet bepaald een gek werd genoemd. ‘Niet goed snik’, zoals Roemer volgens Spong is, is een staat van zijn die alleen voor vrouwen is weggelegd.

Tegenstanders van Handke vonden destijds dat als je zo’n grote literaire prijs geeft aan iemand die zich na de oorlog in voormalig Joegoslavië een fervent Servisch nationalist bleef betonen en een rede uitsprak bij de begrafenis van oorlogsmisdadiger Milošević, literatuur buitenspel zet als iets zonder enige maatschappelijke waarde. En dat je van de schrijver een gevaarloze circusartiest maakt. Roemer laat zien dat het tegenovergestelde aan de hand is: zij buigt voor niemand.