De zaak-ruanda

Eind september 1995 vertrokken twintig Nederlandse rechercheurs naar Ruanda om materiaal te verzamelen voor het Ruanda-tribunaal. Maar hoe documenteer je een massamoord? Berichten uit een juridisch niemandsland
HUN TOEKOMSTIGE directe baas, de Britse director of investigations Collin Port, had hen bij hun vertrek nog een enthousiast ‘Go and get them’ toegeroepen. ‘Them’ zijn de hoogste verantwoordelijken voor de massamoord in 1994, de organisatoren van de genocide onder Tutsi’s en gematigde Hutu’s. Het Ruanda-tribunaal is erop gebrand juist die categorie in de kraag te vatten. Cees Verhaeren (51), rechercheur bij de justitiele dienst in de politieregio Limburg-Noord en een van de twintig Nederlandse rechercheurs die in september 1995 naar Kigali gingen om getuigenverklaringen te verzamelen: ‘Die aanmoediging van Port was, in het licht van de chaos die we in Kigali aantroffen, nogal lachwekkend.’

Chaos, want de qua infrastructuur nogal verwende Nederlandse politiemensen moesten ter plekke hun eigen bureaus en stoelen nog ‘organiseren’; auto’s waren nauwelijks te krijgen, water en elektriciteit waren een luxe, om over computers maar te zwijgen. In Kigali bleek ook dat het onderzoek nauwelijks enige sturing kreeg. Dat was de taak van de director of investigations, die rechtstreeks ressorteert onder de openbare aanklager (tot voor kort Goldstone), maar Collin Port liet zich niet meer zien - hij bleek niet meer in functie te zijn. Het vacuum werd pas in november opgevuld, toen de Canadese oud-politiecommissaris Al Breau de taken overnam. Toen pas werden er knopen doorgehakt en werd de toch tamelijk cruciale vraag naar de te volgen onderzoeksstrategie beantwoord.
Cees Verhaeren, die in Kigali een leidinggevende positie kreeg toegewezen als commander of investigations (een van de voorlopig twee) en die tevens vervanger is van Al Breau, heeft er mede op aangedrongen dat er van onderaf gewerkt zou worden: 'Wat is er op een bepaalde datum op een bepaalde plek gebeurd, wie heeft leiding gegeven aan een slachtpartij, wie kan er verantwoordelijk voor worden gesteld. Op die manier moeten we bij de organisatoren uitkomen.’
Maar er circuleren toch al lang lijsten van verdachten? Verhaeren: 'Ja, lijsten van onder meer de huidige regering en niet-gouvernementele organisaties, mensenrechtenclubs bijvoorbeeld. Maar die zeggen ons niets, want we hebben geen idee van de bewijsgronden die zijn gehanteerd. We willen niet hapsnap te werk gaan.’
Aan die overweging ligt een andere ten grondslag: de onderzoekers werken voorlopig nog in een juridisch niemandsland. Geen mens weet precies hoeveel en welk bewijsmateriaal nodig is om verantwoordelijkheid voor genocide aan te tonen, geen mens weet welke punten de advocaten van de verdachten straks zullen aangrijpen, noch hoe de rechters zullen reageren. Zodra de eerste zaken voor het tribunaal komen zal er meer duidelijkheid ontstaan, maar voorlopig verzamelt men gewoonweg alles wat maar van belang kan zijn. Volledigheid is geboden, want steekproeven zijn in dit verband juridisch niet veel waard.
EN DUS WORDT het land nu prefectuur na prefectuur, dorp na dorp, doorgeploegd om getuigenissen te verzamelen. Het is niet alleen onderzoekstechnisch de beste methode, zegt Verhaeren, het vormt ook de beste garantie dat de onder de bevolking levende scepsis jegens het tribunaal enigszins wordt getemperd. Het internationale tribunaal toont in ieder geval zijn gezicht.
Tijdrovend is deze aanpak wel. Dat klemt te meer omdat er een race tegen de klok wordt gelopen. De genocide moet in kaart worden gebracht nu de sporen nog relatief vers zijn. Om diezelfde reden wordt er zachte drang op de regering uitgeoefend om niet te veel haast te maken met een grootscheeps herbegrafenisprogramma. Een prioriteit van de nieuwe leiders, omdat men ervan overtuigd is dat pas na een begrafenis met alle passende rituelen het boek gesloten kan worden. Onder die druk is onlangs een speciaal internationaal team van pathologen-anatomen en archeologen ingezet. Zij noteren hoeveel mensen op welke plek liggen en hoe ze aan hun einde zijn gekomen.
Over medewerking van de bevolking hebben de onderzoekers niets te klagen. De bereidheid om te getuigen blijkt groot. Jos Verpaalen (40), in het normale leven hoofd recherche-ondersteuning in het Brabantse Rijen: 'De meeste mensen zijn zelfs blij dat ze eindelijk hun verhaal mogen vertellen of dat ze ons mee kunnen nemen naar de plekken waar het allemaal is gebeurd. Iemand zei me dat het hielp om de nachtmerries te bedwingen. En ze willen allemaal dat de schuldigen gestraft worden.’
Niettemin moesten de rechercheurs ervaren dat een getuigenverhoor in Ruanda iets heel anders is dan ze gewend zijn. Eerst moet het ijs gebroken worden en dienen de ondervragers ook iets over zichzelf en hun familie te vertellen. Verder moet altijd weer uitgelegd worden waarom het tribunaal straks geen doodstraffen mag uitspreken - straffen waar straks de 'kleinere’ daders in het land zelf wel op kunnen rekenen. En natuurlijk zijn de verhoren pijnlijk omdat er zo gedetailleerd naar gruweldaden wordt gevraagd. Daarbij blijken de culturen te botsen. De Nederlandse politiementaliteit en de eisen die het onderzoek stelt, zijn voor veel Ruandese getuigen onbegrijpelijk. Verpaalen: 'Aan verklaringen van horen zeggen hebben we niets, we moeten heel precies weten wat mensen zelf gezien hebben. Wij als Nederlandse politiemensen zijn gewend om door te vragen: “Weet je wel zeker dat het mensen van de militie waren? Waar zag je dat dan aan - aan hun schoenen, of hun petjes? Dragen anderen die dan niet?” De ondervraagden snappen dat niet, die denken dat je ze niet vertrouwt.’
HOEWEL HET uitgangspunt van de onderzoekingen bij de concrete moordpartijen ligt, is dat niet de enige invalshoek. Waar mogelijk wordt er top-down gewerkt. Ook de onderzoekers hebben inmiddels voldoende reden om aan te nemen dat de massaslachtingen geen uiting van spontane volkswoede waren. Alles wijst erop dat er lang van tevoren een goed georganiseerde moordcampagne is opgezet waarvan het begin samenviel met het neerschieten op 6 april 1994 van het vliegtuig waarin zich president Juvenal Habyarimana bevond. 'Dat was de druk op de knop, toen kwam het op gang, tot in de verste uithoeken’, meent commander Verhaeren.
Zelf maakt hij deel uit van het team dat zich concentreert op de voormalige Hutu- machthebbers: op de structuur van het staatsapparaat en de lijnen van de centrale regering tot in de dorpjes en gehuchten; op de politieke partijen; op het leger en de milities, met name de zogeheten Interahamwe, voorheen een jeugdbeweging. De kliek rond de voormalige president Habyarimana krijgt speciale aandacht. Is eenmaal de anatomie van de macht blootgelegd, dan kan de verbinding worden gemaakt met het concrete moordonderzoek zelf. Vervolgens moet vastgesteld kunnen worden waar de verantwoordelijkheden lagen en wie aangeklaagd kan worden. Van de regeringsarchieven moet in dat verband niet al te veel verwacht worden. Verpaalen: 'Die zien er nog beroerder uit dan een oud-papierhandel. Overal pakken papier, dozen, ordners. Daar kunnen we niets mee.’
Verpaalen is lid van het team dat de rol van de media bij de slachtingen onderzoekt. Dat team richt zich vooral op de rol van de zender Radio-Television Libre des Mille Collines, afgekort tot RTLM. Vooral de radiozender heeft een niet-aflatende haatcampagne gevoerd. Het station werd begin 1993 opgericht, in naam als particulier initiatief maar met het duidelijke oogmerk om de politieke opvattingen van de extremistische Hutu’s uit te dragen. Het had een groot bereik omdat het de boodschap aardig wist te verpakken met leuke muziek en de presentatie in handen gaf van populaire sportverslaggevers.
Het team van Verpaalen moet trachten bloot te leggen wie het in de media voor het zeggen had en wat de connecties met de regering waren. Daarnaast moet er een omvangrijke en diepgaande inhoudsanalyse komen, waarvoor alle beschikbare bandjes van de uitzendingen vertaald moeten worden. Een extra complicerende factor ligt in het ingewikkelde karakter van de landstaal. Verpaalen: 'Men drukt zich heel beeldend uit. Als er ooit omgeroepen is dat die en die groep de rivier in gedreven moest worden, kan men naderhand beweren dat dat niet letterlijk is bedoeld. Daarom zijn voor ons de bandjes niet genoeg, we moeten ook zicht krijgen op de eventuele gevolgen. Er werden bijvoorbeeld namen genoemd in die uitzendingen. Van politici, van leiders van mensenrechtenorganisaties, van vooraanstaande Tutsi’s. Als we kunnen constateren dat van de vijfhonderd genoemden er vierhonderd dood zijn, zegt dat wel iets. Maar hoe we dit alles straks aan het tribunaal moeten presenteren, en aan welke eisen het bewijsmateriaal moet voldoen, is nog een groot vraagteken. Er zijn in de geschiedenis geen voorbeelden van.’
INMIDDELS ZIJN DE eerste acht aanklachten tegen 'grotere vissen’ geformuleerd. Voornamelijk op basis van onderzoek dat al verricht was voordat de Nederlanders arriveerden. Met deze aanklachten is een eerste hobbel genomen, maar vermoedelijk niet de grootste. Zijn verdachten eenmaal geidentificeerd, dan moeten ze daarna nog worden opgespoord. De meeste grotere schurken zijn gevlucht en het is nog maar de vraag of de landen waar ze verblijven ze willen uitleveren. Verpaalen is om die reden tamelijk pessimistisch over de score die het tribunaal zal halen: niet meer dan enkele tientallen leiders van de moorden, ofwel een procent of tien, zullen volgens hem voor het hekje komen. Aanklager Goldstone heeft zich vorig jaar optimistischer getoond: hij verwachtte toch zeker tachtig gevallen te gaan behandelen.
Met een beetje geluk zullen daar wel de vier Ruandezen bij zijn die in Zambia zijn aangehouden en inmiddels aan het tribunaal zijn aangeboden. Goldstone heeft een termijn van negentig dagen bedongen om aanklachten te kunnen leveren. Verhaeren heeft daarom een groot team aan het werk gezet om bewijsmateriaal over deze vier te verzamelen. Verhaeren: 'Het vormt wel een inbreuk op onze strategie dat we het onderzoek niet vanuit de verdachten, maar vanuit de feiten laten vertrekken. In dit geval echter is het politieke belang groot dat een buurland voor het eerst zijn medewerking aan het tribunaal heeft aangeboden.’ Het omgekeerde is namelijk ook al het geval: Kenia heeft aangekondigd geen enkele medewerking te zullen verlenen. Het zegt zelfs de onderzoekers te zullen laten arresteren op het moment dat ze het land betreden.
HET NIEUWE JAAR zal volgens Verhaeren een aantal opmerkelijke verbeteringen brengen. Er komen nieuwe onderzoekers bij, die het totaal op zo'n honderd moeten brengen. Verder zal de administratieve ondersteuning worden verbeterd en zal men eindelijk over een eigen kas kunnen beschikken. Dan is de tijd voorbij dat hij, als hij een auto bestelt om ergens ver weg getuigen te ondervragen, van de betrokken VN-ambtenaar te horen krijgt dat een commander niet bevoegd is om auto’s aan te vragen. 'Zelfs als er vierhonderd auto’s op de parkeerplaats van de VN-troepen in Ruanda staan, krijg ik er geen’, zegt een nog altijd verbijsterde Verhaeren.