SOLZJENITSYN EN DE SOVJETKAMPEN  

De zaak-Sjtstj-854 Aleksandr Solzjenitsyn 1918-2008

Schrijfster Sana Valiulina werd in 1964 geboren in Estland en hoorde in de jaren zeventig voor het eerst de naam van Aleksandr Solzjenitsyn, en de geheimzinnigheid rondom hem. Het duurde lang voordat ze het helemaal las, maar zijn debuut Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj bleek uiteindelijk het cruciale boek over de Russische kampen te zijn.

DE DICHTERLIJKE WOORDCOMBINATIE Archipelag Goelag (in het Nederlands De Goelag Archipel) vergezeld van de geheimzinnige, on-Russisch klinkende Russische naam Solzjenitsyn drong mijn bewustzijn binnen halverwege de jaren zeventig. In gesproken vorm, van achter de diep gebogen rug van mijn vader, die bijna in de massieve lichtbruine transistor dook alsof zijn leven ervan afhing. Zo probeerde hij, laverend tussen de zagende en borende stoorzenders, zijn avondportie waarheid tot zich te nemen die door Radio Vrijheid en De stem van Amerika dagelijks oostwaarts de ether in werd gezonden. De nieuwe woorden nestelden zich in de verbeelding van de tienjarige en sloten zich aan bij de aldoor groeiende rij van andere magische namen: Soria Moria, Babylon, Assirië, Thracië, Dardania, Illyrië, bij de zestien ‘slechte’ en ‘goede’ landen uit het oeroude boek Vendidad van Avesta – Gava, Mouru, Nisaja, Vekerta, Hetumant…
Ik had geen idee of Archipelag Goelag tot de gezegende of gedoemde landen behoorde en wie die Solzjenitsyn was, en mijn vader vragen – daar peinsde ik niet eens over. Ik mocht allang blij zijn dat hij me niet tijdens die uren van de waarheid naar de gang of de keuken stuurde, bij gebrek aan andere vertrekken. En dat ik buitenshuis die woorden voor mezelf moest houden, dat wist ik gewoon zonder de waarschuwingen van mijn ouders. In weerwil van hun welluidendheid ging er iets dreigends van uit, iets wat ons dagelijkse leven niet kon verdragen en ik moest zorgen dat ze onwrikbaar in mijn fantasierijtje bleven staan, alsof er maar één klein zetje voor nodig was om de peilloze afgronden te doen opengaan. De geheime formule die een onbekend aantal van mij niet nader bekende elementen verborg, boezemde ontzag in en legde me een dubbele zwijgplicht op. Van welk en van hoeveel materiaal Archipelag Goelag was gebouwd werd me pas vijftien jaar later duidelijk.
Ik zal hier niet mijn shock en ontsteltenis te berde brengen tijdens en na het lezen van De Goelag Archipel. Of mijn woede over het feit dat de gruwelijke werkelijkheid achter deze ooit zo mysterieuze woordcombinatie – Goelag bleek een bureaucratische term te zijn, een afkorting van Glavnoeje Oepravlenije lagerej (Het hoofdbestuur van de kampen) – hoogstens een bladzijde in onze geschiedenisboeken in beslag nam onder de kop ‘De incidentele afwijkingen van de partijpolitiek’. Of mijn verbijstering over het niet geringe aantal westerse intellectuelen dat nog tot voor kort het sovjetregime een warm hart toedroeg en zich ter wille van zijn idealen gewillig om niet te zeggen enthousiast zand in de ogen liet strooien.
Ik zal het hier hebben over het boekje Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj, dat als een staartje van de orkaan Archipelag Goelag op mijn bureau belandde. Nog overrompeld door de buitengewone kracht en grootsheid van Solzjenitsyns magnum opus liet ik me niet zo gemakkelijk bekoren door de bescheiden schaal van dit verhaal. Had ik de lijvige delen van De Goelag Archipel in een mum van tijd verslonden, over dit kleine boekje deed ik eindeloos lang. Ik weet niet eens meer of ik het toen helemaal uit heb gekregen. Was het wel gebeurd, dan heb ik dat veeleer uit piëteit gedaan dan uit overwegingen van laten we zeggen literaire aard. Ik kan me nog heel goed de stroefheid herinneren waarmee mijn eerste lezing gepaard ging. Ik ergerde me aan het volkse taalgebruik, aan het uitkauwen van elk detail, wat de handeling in mijn ogen onnodig vertraagde, aan de Russische zinspreuken die de lezer op elke bladzijde voorgeschoteld kreeg, aan de banale alledaagsheid van de handeling, aan de compactheid van de stijl die uiterste concentratie vergde: zodra je maar even verslapte was je de draad kwijt; aan al die eigenschappen, kortom, die jaren later in superlatieven zouden transformeren.
Het verhaal was weliswaar in het Russisch geschreven maar de taal kwam me vreemd, ongemakkelijk voor, alleen bij de dialogen die de Moskovieten of de ‘intellectuelen’ met elkaar voerden kon ik even op adem komen. Deze taalbarrière was, denk ik, deels te wijten aan de kampterminologie en het boerse taalgebruik van de verteller Ivan Denisovitsj, deels aan de enorme discrepantie tussen de werkelijkheid en de uitbeelding daarvan, ‘mimesis’ zo u wilt, die de essentie was gaan vormen van de officiële Russische literatuur met de bijpassende retoriek en idioom, waarmee wij waren opgevoed. Aan mijn onbehagen en onbegrip lag derhalve niet alleen een sociolinguïstische en zelfs niet een historische kloof ten grondslag, maar vooral de bres in de traditie van de ooit zo democratische Russische literatuur, die Solzjenitsyn als een van de eersten heeft getracht om te dichten. Door niet alleen de eenvoudige Russische boer, die de beoefenaars van het socialistische realisme hadden vervangen door de blije kolchoznik, terug te brengen in de literatuur en daarmee de literatuur weer naar haar heilige bron, de werkelijkheid, maar vooral ook door het perspectief van die boer te kiezen bij het uitbeelden van ‘the heart of darkness’. En door de afschuwwekkende, tientallen jaren verzwegen ervaring van miljoenen uit te kristalliseren tot een literaire en daarom universele equivalent.
Maar dat realiseerde ik me destijds niet – teleurgesteld legde ik het verhaal terzijde om me vervolgens te storten op de lawine van kampmemoires, het door de slachtoffers van de terreur meest beoefende genre. Toen ik me jaren later weer aan Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj waagde – het was geloof ik mijn derde poging – was ik al bij de eerste zin gegrepen. Welke chemische processen sturen onze perceptie van verschijnselen, woorden, gedachten? De Russische dichteres Marina Tsjvetajeva zei ooit: ‘Mijn verzen komen, zoals goede wijnen, nog wel eens aan de beurt.’ Heeft het verhaal lang genoeg op een bestofte boekenplank liggen kwijnen of lag het aan mij, dat ík eindelijk de juiste graad van rijping had bereikt? Hoe dan ook, het samenvallen was volledig. Dat ik het al die vorige keren niet had gezien, gevoeld, begrepen!
Het is natuurlijk even simpel als geniaal om een doodgewone boer in het centrum van de handeling te zetten, hem als het ware tot het alziend oog van de cycloon te maken, dat vanuit zijn kalme lagedrukgebied een goed zicht heeft op de wervelwinden om zich heen. De kwaliteiten die Ivan Denisovitsj Sjoechov oftewel Sjtstj-854 – de oorspronkelijke titel die geen schijn van kans maakte bij de censuur omdat die een te directe associatie zou oproepen met de kampen – van Solzjenitsyn kreeg toebedeeld, verzekerden hem van deze literair strategische positie. Opmerkzaam, alert, schrander, nuchter, behendig, scherp, praktisch, ijverig, eerlijk, lijdzaam, even ondernemend als ootmoedig, doortastend, illusieloos maar niet cynisch, behulpzaam, bescheiden, betrouwbaar, menselijk… Al die eigenschappen die hem bovendien ook hielpen – met de nodige dosis geluk – om zich heelhuids, ook in morele zin, door acht jaar kampen heen te slepen, en de schrijver zelf om zijn verhaal na heel wat getouwtrek in 1962 in het tijdschrift Novy Mir gepubliceerd te krijgen. Geen intellectueel in de hoofdrol, maar de Russische ‘moezjik’, de boer, dat bleek uiteindelijk de belangrijkste troef, waarmee Solzjenitsyn zowel de hoofdredacteur, dichter en boerenzoon Aleksandr Tvardovski als Nikita Chroesjtsjov himself wist te verleiden.
Hoewel het verhaal is opgebouwd als ‘een monologue intérieur’ heeft Solzjenitsyn voor de derde-persoonsvorm gekozen, en niet alleen omdat het beter bij de bescheiden aard van zijn hoofdpersonage past. Zo ontstaat er een soort dubbel perspectief van contemplatie en actie, dat aan de ene kant de innerlijke wereld van Ivan Denisovitsj weergeeft en aan de andere kant, doordat zijn ego als het ware wordt teruggeleid tot een neutrale eenheid, de andere ego’s optimaal laat uitkomen zodat we een onvergetelijk beeld krijgen van zijn lotgenoten.
Ivan Denisovitsj mag dan bescheiden zijn, de scherpte van zijn observaties is weergaloos. Hij is de alwetende, alziende en alhorende gids die ons door een van de eilandjes van Archipelag Goelag rondleidt. Alles wat en iedereen die we tegenkomen in deze hel die niet gerund wordt door de duivel maar door de ambtenaren van het hoofdbestuur van de kampen – wie heeft ooit beweerd dat de Russen niet konden organiseren? – voorziet hij, gelijk Vergilius in Dante’s De goddelijke komedie, van een commentaar. We lopen door zijn dag – ‘één dag uit het leven van Ivan Denisovitsj’. Die begint bij het ochtendappèl om vijf uur en eindigt met de avondcontrole in de barakken, ergens rond tienen – ‘naar het schijnt, de bazen gaan over de tijd’, zegt Ivan Denisovitsj, die net als alle andere kampbewoners al lang vergeten is hoe een horloge eruitziet.
Bijna gaat onze afdaling niet door, daar Ivan Denisovitsj zich vandaag niet al te best voelt en het laatste wat hij wil is om zich straks naar het ‘werkobject’ te begeven, bij min dertig. Vandaar die boog naar de ziekenboeg – een afwijking van de reguliere route van de ‘zek’ (gevangene) – waar de werkelijkheid echter een stokje voor steekt. Het ziekenplan is al vervuld en bovendien is zijn koorts niet hoog genoeg. Dat bezoekje aan het hospitaal mocht de lezer absoluut niet missen, moet Solzjenitsyn gedacht hebben. In die twee bladzijden, waarin Ivan Denisovitsj ruim vijf minuten helemaal niets hoeft te doen – wat een luxe – behalve op zijn lot te wachten in een wonderbaarlijk schone en stille kamer, wordt het ook de maagdelijke lezer duidelijk hoe de vork hier in de steel zit. We maken kennis met de energieke nieuwe dokter, die het principe hanteert dat arbeid niet alleen vrij maar ook gezond maakt – even geestig als genadeloos wordt hij in ‘een monologue intérieur’ van onze held ten tonele gevoerd. En met een student literatuur, ook een kampgevangene, die zich op aanraden van diezelfde doktor voor hulp-arts uitgeeft en naast het beoefenen van de dichtkunst zich nu ook de kunst van het toedienen van intraveneuze injecties bij onwetende ‘werkpaardjes’ eigen probeert te maken en die Sjoechov weer wegstuurt. En zo sluit Ivan Denisovitsj zich weer aan bij zijn dagelijkse route waarbij ik ruim twintig ‘stations’ heb geteld, bij het passeren waarvan steeds een nieuwe dimensie wordt geopenbaard van het kampleven.
We ontmoeten andere kampbewoners en raken betrokken bij hun lot, we aanschouwen de wonderen van de kampeconomie, het spiegelbeeld van de sovjet-papieren-planeconomie. We ontdekken hoe geraffineerd en fijnmazig de kamphiërarchie in elkaar zit, waarbij iedere pion op zijn beurt omringd is door een x-aantal loopjongens die gespecialiseerd zijn in het vernederen van diegenen die het niet zo ver hebben geschopt in het likken van de hoger geplaatste konten, en dat corruptie en het grandioze stelen twee andere pilaren zijn die het kampsysteem schragen – een beeld dat verdacht veel weg heeft van de verhoudingen in de sovjetsamenleving. We leren dat we hier vooral zo traag mogelijk voort moeten bewegen om energie te besparen – wie te snel loopt haalt het niet – en wat van levensbelang is voor de zek – zijn lepel en zijn schoenen – en nog duizenden andere levensbelangrijke, ongeschreven kampwetten, die Ivan Denisovitsj ons onderweg royaal meedeelt.
De gedachtestroom van Ivan Denisovitsj volgt alle perikelen van zijn dag en vormt de tweede, parallelle werkelijkheid van het verhaal, de ‘onderstroom’, zonder welke, volgens Anton Tsjechov, het een literair werk aan zeggingskracht ontbreekt. De terloopse maar consequente beschrijving van ‘het kampinterieur’ – neem bijvoorbeeld een thermometer die in een windstil hoekje hangt om te voorkomen dat hij te laag komt te staan – en de kampmores, wordt vervlochten met het oordeel van Ivan Denisovitsj over mensen die zijn pad kruisen, zijn herinneringen, het vertellen van de even absurde als aangrijpende lotgevallen van zijn medegevangenen. Nergens laat Solzjenitsyn zijn held in een emotioneel gestotter vervallen: juist de kalmte en gelatenheid van zijn toon benadrukken de monsterlijkheid van het systeem dat in de woorden van Joseph Brodsky zijn onderdanen in ‘de existentiële kou’ heeft gezet. De ‘stream of consciousness’ van Ivan Denisovitsj is verre van een intellectuele analyse van het kwaad. Solzjenitsyn kiest hier voor een andere weg. De ongecompliceerde goedheid, het mededogen, de humor en verwondering van zijn held over de nachtmerrie om zich heen worden verheven tot het zinnebeeld van menselijkheid, die in zijn vanzelfsprekende onvoorwaardelijkheid de enige geduchte tegenstander lijkt van een systeem dat uit is op totale ontmenselijking. In dit licht bezien hebben de dialogen over kunst en cultuur van de kampintellectuelen, die dankzij hun connecties of smeergoederen grotendeels van een ‘warm plekje’ zijn voorzien in de infrastructuur van het kamp, iets lachwekkends. Zij kunnen over verheven zaken discussiëren, want in tegenstelling tot de ‘werkpaardjes’ hoeven ze niet buiten bij min dertig te zwoegen. Was dit een concessie van de schrijver aan de proletarische staat?
Over andere concessies zonder welke het verhaal nooit gepubliceerd had kunnen worden, over de mensen die de schrijver hebben geholpen of tegengewerkt, over de paniekaanvallen van de ex-zek Aleksandr Solzjenitsyn die met zijn schrijven één van de kampgeboden, ‘gij zult geen spoor achterlaten’, heeft overtreden, over de Cuba-crisis die op de valreep de publicatie had kunnen verhinderen en over veel meer andere verwikkelingen rond de zaak-’sjtstj-854’, kunt u het best zelf lezen in Het kalf stoot de eik. Dit boek, uitstekend vertaald door Pieter de Smit, is een boeiend verslag van Solzjenitsyn over twintig jaar van zijn strijd tegen de macht.
Maar voordat u zover bent wil ik u toch een prachtige anekdote uit dit boek verklappen, die het best mijn gemoedstoestand weergeeft tijdens mijn herontdekking van het verhaal. Naar het schijnt nam de hoofdredacteur van Novy Mir, Aleksandr Tvardovski, het manuscript Sjtstj-854 van een onbekende schrijver mee naar bed. Maar na twee à drie bladzijden besloot hij voor zichzelf dat je zoiets niet in bed kon lezen. Hij stond op en kleedde zich aan. Ik weet zeker dat hij zijn zondagse pak heeft aangetrokken. Die nacht heeft hij niet meer geslapen.

Nawoord bij Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj van Alexandr Solzjenitsyn, Meulenhoff, 190 blz., € 15,-