1993: De wijkagent - Pieter Jelsma

De zachte harde hand

Twintig jaar geleden ging het politiebestel op de schop, om zwaardere criminaliteit aan te kunnen en meer prestatiecontrole te krijgen. De klassieke wijkagent verdween. Zoals Piet Jelsma.

Medium agent1

Als ze gingen zeggen: ‘We gaan maar niet naar de politie, we gaan wel naar Piet’, dan trok hij daar de streep. Ze moesten op het woonwagenkamp wel weten dat hij van de wet was. Maar verder ging hij een heel eind met ze mee, en kreeg hij vervolgens gedaan wat hij wilde. Verjaardagen en familiegeschiedenis, die waren belangrijk op het kamp. Als je die onthield, kwam je een heel eind. Om het ijs te breken, legde hij wel eens wat biertjes in zijn achterbak en zei: ‘Joh, ik heb wat chemisch afval achterin liggen. Als jij het eruit haalt, doe ik geen aangifte.’ Of hij haalde iemand over die weigerde om zich op het politiebureau te melden en gaf hem dan een lift. Dat was beter zo voor iedereen. Als hij op vakantie was, ging er geen politieman dat kamp in zonder een team van de Bijzondere Bijstand uit Arnhem achter zich aan.

Piet Jelsma (1932) was zo’n wijkagent zoals hij werd getekend in de Sjors en Sjimmie: een boom van een man, baard en platte pet, die jongens in de kraag greep en hen heen stuurde met ‘een maat 45’ – een flinke trap onder de kont – als hij wist dat hun ouders een bekeuring maar moeilijk konden betalen. Altijd in voor een geintje en altijd in voor een praatje. ‘Ik praat liever een half uur dan dat ik vijf minuten moet rollen’, zegt hij nog altijd graag. Maar af en toe moest hij zijn vuisten toch gebruiken en hij is ook wel eens thuisgekomen met blauwe ogen. Een gegroefd gezicht, meer als een visser dan een wijkagent, grote handen, kwajongensogen die altijd in de lach willen springen. Wijkagent in een andere tijd, waarin je niet je penning aflegde na werktijd: als er midden in de nacht een vrouw aanbelde omdat haar man het huis kort en klein sloeg, zei je niet dat je dienst erop zat en dat ze maar het bureau moest bellen.

De wijken in de dorpen van Nederland hebben de naam nooit te veranderen, en dat zou je ook zeker niet verwachten in het kalme Renkum, gelegen aan de Rijn tussen Arnhem en Wageningen. Maar de buitenwereld drong zich een paar keer hard op aan de kleine gemeente met zijn kleine politiekorps: met de heroïne-epidemie van de jaren tachtig, met een aanslag op een officier van justitie, met de ontvoering van Gerrit-Jan Heijn, met misschien wel de beruchtste roofoverval uit de Nederlandse geschiedenis, waarbij mensen werden neergeschoten in de gangpaden van een supermarkt. De verslaafden stalen in de dorpen om drugs te kopen in Arnhem; Ferdi Elzas, de ontvoerder van de erfgenaam van Albert Heijn, kwam naar Renkum om zijn slachtoffer in de bossen te doden en te begraven. Oosterbeek, waar de overval was, lag ook binnen de gemeentegrens. Allemaal zaken die de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken bedoelden als ze zeiden dat het politiebestel de golf van criminaliteit niet meer aankon.

‘De geesten zijn hiervoor rijp, de velden zijn wit om geoogst te worden’, zei minister Hirsch Ballin over een grote hervorming van de politie. In 1993 ging de bijl in het oude bestel. De Gemeentepolitie en Rijkspolitie verdwenen. Net als de klassieke wijkagenten, die een minimum aan administratie, handhaving en opsporing moesten doen en een maximum aan sociale controle en zichtbaarheid. Dat lag niet alleen aan de nieuwe regiopolitie, maar aan een hele reeks veranderingen binnen de politie en de maatschappij als geheel.

Maar de hervorming van 1993 was wel een grote stap naar een efficiëntere politie, anoniemer en meer op afstand van de samenleving. Nogal wat agenten grepen de kans aan om vervroegd uit te treden. Piet Jelsma was er een van. Met pijn in het hart gestopt, maar blij dat hij de omslag naar de nieuwe tijd niet mee hoefde te maken. ‘Als er nu om tien voor vijf een melding binnenkomt van een grote aanrijding op de A12, dan zijn erbij onder de jonge lichting die zeggen: dat is voor de avondploeg’, zegt hij. ‘En de wijkagent? Vaak weten de mensen niet eens waar die woont.’

De buitenwereld drong zich een paar keer hard op aan het kleine Renkum met zijn kleine politiekorps

Het lag niet echt voor de hand dat Jelsma als politieman in Gelderland zou belanden. Opgegroeid op de boerderij in een gehucht bij Heerenveen, met de oorlog als prachtig avontuur in een toch al vrije jeugd, met Canadezen en onderduikers die hem en zijn broer altijd wel iets wilden leren wat ze niet mochten. Maar Jelsma had geen zin om zijn leven te slijten op de boerderij. ’s Morgens vroeg op, keihard werken tot ’s avonds laat, en alleen een praatje met de koeien – dat zag hij niet voor zich. Dus het werd de Ambachtsschool en daarna een jaar als leerling-machinist op een zuivelfabriek. Zorgen dat ’s morgens de stoom op tijd door de fabriekspijpen ging, de hele dag stoken, ’s avonds weer afsluiten. Een jaar op een landbouwsmederij: hoefijzers maken, hoefijzers slaan, kachelpijpen knippen en fitten. Daarna, eind jaren vijftig, in dienst.

In het leger werd Jelsma, die niet eens kon zwemmen, uitgerekend naar de Vaar- en Duikschool in Geertruidenberg gestuurd. Evengoed wist hij na drie maanden Geertruidenberg dat hij duiker wilde worden. Je zou vrachten met geld verdienen, over de hele wereld uitgezonden worden om bruggen en tunnels te bouwen, op je 45ste miljonair. Maar tijdens de opleiding kreeg hij blindedarmontsteking, en tegen de tijd dat hij kon terugkeren naar de Duikschool was zijn lichting klaar en kon hij de opleiding niet afmaken.

Nog steeds wilde hij niet terug naar de boerderij, dus schreef hij zich in op de Politieschool. Met een lichting van twaalf man doorliep hij het internaat van Lochem: wetboeken stampen en streken uithalen in de slaapzalen van de Orangerie. Na twee jaar zakte hij voor zijn schriftelijk vanwege zijn ‘friesisme’ – hij beheerste geschreven Nederlands niet goed genoeg – maar hij kon evengoed aan de slag als aspirant-agent in Leeuwarden. Later haalde hij dat diploma alsnog.

Het was het enige korps van Nederland waar nog maatkleding werd gedragen, met de hand geknipt en gestikt door Koopmans in Franeker. En Leeuwarden was op meer manieren merkwaardig: zo hield het korps jaarlijks geld over op zijn rekening, iets wat maar meewarig werd bekeken in de grote steden. Het politieteam, tussen de veertig en vijftig man sterk, was zeer hecht. De agenten gingen samen de straat op, samen naar de kroeg, en hielpen elkaar met klussen in huis of sleutelen aan de auto. En de commandanten gingen mee op straat, vooraan als het moest met nieuwjaar, om de jonkies te laten zien dat je met de stok moest meppen, niet aaien. Maar Jelsma aardde er nooit echt: hij hield niet van de stad en wilde naar een dorp. Maar dat betekende promotie tot hoofdagent, en daarvoor was hij te jong. Een mooie plek in Friesland ging tweemaal aan hem voorbij. Terwijl hij nog liep te balen van Wirdum, waar de post was toegeschoven aan een vriendje van de commissaris, stond daar de vacature in Renkum in het politieblad. Op Koninginnedag 1971 maakte hij feestelijk zijn entree. >

‘De politie heeft tot taak te zorgen voor de handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven’, zo schrijft de politiewet. Dat laatste schiet er onder de werkdruk van agenten nogal eens bij in, en ook vatten niet alle dienders dat even breed op als andere. Piet Jelsma hoorde bij de agenten voor wie het de kern van zijn werk vormde. ‘De wijk in, onder en met de mensen werken is voor mij nog steeds het mooiste aan het politievak’, liet hij eens optekenen in een profiel dat het politieblad Midvoor in 1993 van hem maakte. ‘Eigenlijk volcontinu, want ze komen ook vaak bij me thuis aan de deur. Voor het invullen van de kinderbijslag, met vragen over een bekeuring of overschrijven van een kenteken. Maar dat hoort erbij.’ In de cafés, kantines en op de plekken waar de jongens rondhingen, maakte hij zijn praatje en vertelde dat hij kon helpen als ze iets gedaan wilden krijgen.

In de tijd van Pieter Jelsma was de wijkagent vaak de eerste die sociale problemen zag

dat sociale aspect mag dan de zachte kant van het politiewerk zijn, dat betekende niet dat het altijd ‘mooi’ was. In een tijd dat veel sociale infrastructuur nog werd opgebouwd, was een wijkagent ook vaak de eerste die sociale problemen zag en er naar eigen inzicht iets aan probeerde te doen. Zoals toen hij een pasgeboren kind aantrof onder de tafel bij vader en moeder, die zaten te kaarten met nog twee mannen. Toen de baby begon te huilen, gaf de moeder hem een schop en een grauw. In weer andere huizen was er verslaving, geweld, kleine criminaliteit. Beruchte families met een lijst veroordelingen; werkloze mannen die hun opgekropte woede er graag uit sloegen.

Hij was regelmatig bang, soms erg bang. Als de pleuris uitbrak en iemand belde het bureau, dan was een vechtpartij waarbij werd geslagen tegen de tijd dat het uit de mobilofoon kwam een vechtpartij waarbij werd gestoken, een vechtpartij waarbij werd gestoken was er een waarbij werd geschoten. Daar ging hij dan toch ongewapend heen – hij wilde het risico niet lopen dat iemand hem zijn wapen ontfutselde – en het pakte altijd anders uit dan waar hij zich in zijn hoofd op voorbereid had. Maar Jelsma was er wel goed in, getuige een beoordeling uit 1975. ‘Begrip, inzicht, vindingrijkheid’, staat er in een mooi handschrift op een geel formulier. ‘Goede mensenkennis, doorziet situaties goed. Neemt beslissingen resoluut. Is beslist niet bang.’

Medium agent2

Niet alleen het politiekorps in Renkum, maar heel Nederland werd opgeschrikt door een paar grote zaken die er bij toeval plaatsvonden. In 1980 werd er in Heelsum, het tweelingdorp van Renkum, een bomaanslag gepleegd op het huis van een officier van justitie. Een heus geval van politiek terrorisme: de aanslag werd toegeschreven aan een terreurgroep met de naam Rood Verzetsfront. Jelsma postte ’s nachts in de straat, zogenaamd om verkeer te leiden, maar eigenlijk om heimelijk nummerborden te noteren. Later in de nacht deed hij hetzelfde, met koffie en soep in het donker achter het raam van kennissen. En zoals dat gaat, reed de dader inderdaad nog eens langs om op zijn eigen plaats delict te kijken. Later gaf het Rood Verzetsfront een pamflet uit met de namen van iedereen die aan de ‘foute’ kant bij de aanslag in Heelsum betrokken was. Een van hen kreeg ook een bom tegen zijn huis. Politiemannen stonden ook op de lijst; een van hen was Jelsma.

Heroïne en andere zware drugs vonden vanuit de stad hun weg naar de dorpen; sommige werklozen en veelplegers van de gemeente Renkum vonden hun weg naar het Spijkerkwartier in Arnhem en namen de sores mee terug. Twee luxe vakantiehuizen, verbonden met een onderaardse gang, bleken te dienen als drugsopslag. Enkele jaren later volgde de ontvoering van Gerrit-Jan Heijn, waarbij de dader Ferdi Elzas rechercheurs naar de bossen bij Renkum leidde. Opnieuw streken rechercheurs en allerlei specialisten uit Arnhem en verder neer in het kleine Renkum. Voor het Renkumse korps was er vooral ondersteuning weggelegd toen Elzas de ontvoering naspeelde en aanwees waar hij het lichaam en de buit had begraven.

‘Dat is de makke van vandaag: dat de politie niet meer weet wie wie is’

Dat lag anders toen de Bussumse crimineel Appie Abbenhuis vroeg op een ochtend in 1990 een filiaal van Albert Heijn overviel in Oosterbeek, een van de dorpen in de gemeente Renkum. Abbenhuis eiste de sleutels van de kluis, maar de personeelsleden hadden die niet. Abbenhuis ontstak in razernij en begon de personeelsleden te executeren. Hij doodde er twee, een derde raakte invalide. Nog altijd staat ‘Oosterbeek’ bekend als de ernstigste roofoverval die ooit in Nederland is uitgevoerd. Jelsma zag de plaats delict niet; wel was hij degene die de huisbezoeken moest afleggen bij de families van de slachtoffers. Een ervan kende hij goed, een 24-jarige jongen die twee straten van zijn huis woonde. Net als de hele gemeenschap was ook het politiekorps zwaar aangeslagen, sommige agenten die het bloedbad hadden gezien kregen nazorg.

niet alleen de criminaliteit stelde nieuwe eisen aan de politie, ook de nieuwe manieren van werken deden dat. In de jaren tachtig kwamen er steeds meer klachten over het functioneren van de politie. De politie was ineffectief in het bestrijden van misdaad, concludeerde bijvoorbeeld criminoloog Cyrille Fijnaut in 1987 in een studie voor het ministerie van Justitie. Veelgehoorde klachten waren een gebrek aan sturing en meetbaarheid, agenten die hun werk naar eigen goeddunken invulden zonder concreet te kunnen aantonen wat ze bijdroegen aan policing. De wijkagent was vaak focus van kritiek: volgens critici moest het beeld van ‘de wijkagent als alleskunner’ op de schop, omdat velen van hen maar te laag opgeleid waren en een ‘onscherpe focus’ hadden op hun wijk. Nieuw jargon deed zijn intrede in de politiewereld: accountability, ‘instrument prestatiesturing’, ‘resultaatgericht werken’, ‘aantoonbare meerwaarde’.

Het zouden centrale normen worden in het nieuwe politiebestel dat in de steigers werd gezet. Een politiestudie die in 2009 terugkeek op de hervorming kreeg niet voor niets de titel De Nederlandse politie sinds 1993: Een wereld van verschil. Al in de jaren daarvoor deden mannen van de nieuwe lichting hun intrede op de hogere posten binnen de politie. Renkum kreeg er ook zo een, die meteen duidelijk wilde maken dat de vrije jongens in het korps voortaan in het gelid moesten lopen en meer aantoonbaar resultaat moesten boeken – lees: bekeuringen, boetes, aanhoudingen. De druk op agenten – qua werklast, qua autonomie, qua werksfeer – nam toe. En de computer deed zijn intrede: voor mannen van de oude stempel als Jelsma een monster met een gapende bek dat altijd honger heeft. Waar vroeger de dag begon met een stapeltje notities en meldingen worden dat lijsten met e-mails en digitaal in te vullen formulieren. ‘Je kunt je collega’s niet blijven vragen je te helpen’, vond hij. Hij voelde dat hij bungelde. Hij greep de mogelijkheid van vervroegde uittreding, die aan de hervorming van 1993 hing, na rijp beraad aan.

Spijt heeft Jelsma nooit gehad, als hij hoort hoe het werk maar bleef veranderen: meer bijdragen aan opsporing, aan surveillance, aan aanhoudingen en bekeuringen, steeds meer administratie, steeds meer digitalisering, grote korpsen waar de mensen elkaar niet meer kenden, jonge collega’s die al voor hun dertigste uitgekeken waren op het werk en zichzelf niet meer konden motiveren. Laatst vroeg een oud-collega die wel is blijven werken of hij niet eens langs kon komen, om te vertellen hoe hij dat nou vroeger deed, om hopelijk wat van zijn enthousiasme af te wrijven op een jonge lichting die niet inziet waarom zij meer dan een negen-tot-vijf-mentaliteit zouden meebrengen bij een werkgever die hen als productie-eenheden beschouwt in een optimaliseerbaar output-proces.

Daar vallen de gaten, denkt Jelsma. Het is controleerbaar hoeveel wapenvergunningen een agent checkt, hoeveel gele kaarten hij uitdeelt aan geregistreerde wapenbezitters die de regels niet volgen. Maar als er wapenvergunningen worden verstrekt aan iemand als Tristan van der Vlis, de jarenlange psychiatrische patiënt die in 2011 zes mensen en zichzelf doodschoot in Alphen aan den Rijn, dan heeft meten geen zin. ‘Daar heeft iemand gezeten met ongelooflijk weinig kennis van zijn mensen’, zegt Jelsma. ‘Dat is de makke van vandaag: dat de politie niet meer weet wie wie is. Ik kende vroeger iedereen die ik moest kennen in mijn gebied. Dat is er niet meer. En dat is echt heel jammer.’


Bronnen: gesprekken met Pieter Jelsma en studies naar de politie, o.a.: politieacademie.nl/kennisenonderzoek en Cahiers Politiestudies 2009/4: Wat doet de politie?


Beeld: (1) Pieter Jelsma, begin jaren negentig (Theo Eusterbrock). (2) De 28-jarige Appie A. komt aan op Schiphol. Hij wordt ervan verdacht in 1990 bij een overval op een Albert Heijn in Oosterbeek twee mensen te hebben doodgeschoten (Marcel Antonisse / ANP).