De zachte krachten overwinnen

Begin negentiende eeuw ontdekte de Oranje-dynastie de ‘soft power’ van het koningschap. De drie Willems hadden daar hun eigen ideeën over.

Small jeroen 5799 ok
Jeroen Koch houdt zich in als het om paleisroddel gaat © Marike van Pagée

Het rijtje ‘Koning Willem I, Koning Willem II, Koning Willem III’ appelleert aan een gevoel van orde, als in een postzegelverzameling: een logische serie van individuen die steeds dezelfde betrouwbare persona aannamen, met kartelrand. Zo zien Oranje-fans het graag: de dynastie als een stevige draad dwars door de onrust van de geschiedenis, als de belichaming van continuïteit, met hier en daar misschien een menselijke onvolkomenheid, die allicht te vergeven is. ‘Je maintiendrai’: dienstbare bestendigheid.

Oranje in revolutie & oorlog is geen boek voor zulke Oranje-fans. Het is een bewerking van de in 2013 verschenen (en alom geprezen) biografieën van de drie koningen door respectievelijk Jeroen Koch, Jeroen van Zanten en Dik van der Meulen. Van die drie boeken is door Koch dit ene boek gemaakt, ‘ingekort en omgeboetseerd’, bedoeld voor een vertaling en dus geschreven voor een internationaal publiek. De samensteller neemt daarom wat meer afstand, en beziet ontwikkelingen en patronen zoals die ook bij andere Europese monarchieën in de negentiende eeuw zichtbaar zijn. Daardoor is het verhaal nog wat kritischer dan de oorspronkelijke drie delen, en dat wil wat zeggen, want de drie auteurs wonden er in hun afzonderlijke boeken geen doekjes om dat de bemoeienis van de Oranjes met het prille koninkrijk vaak van zeer dubieus gehalte was, en bij tijd en wijle zelfs rampzalige consequenties had.

Koch heeft uit de drie boeken vooral de politieke geschiedenis gedistilleerd. Die behelst, in één zin, hoe de Nederlandse politiek zich tussen 1813 en 1848 met horten en stoten ontdoet van de absolute monarchie en hoe de Oranje-dynastie met pijn en moeite de ‘soft power’ van het koningschap ontdekt, en daardoor overleeft. Het heeft een fraaie boog: aan het begin van de negentiende eeuw zitten de Oranjes op zwart zaad, zonder land, zonder status, zonder respect, maar dan komt opeens een geheel nieuw koninkrijk te voorschijn, waar een halve eeuw lang Willem I en II de politiek zullen domineren. Na de grondwetswijziging van 1848 zal Willem III terugzakken tot een politiek krachteloze status, enerzijds door de vastberaden hervormingen van Thorbecke, des Konings nemesis, anderzijds doordat deze Willem III een totale debiel was, van Monty Python-achtige klasse. Aan het eind van de boog mag de dynastie in z’n handjes knijpen dat Emma uit het nietige Waldeck en Pyrmont zo lief is om met de oude gorilla te trouwen en een dochtertje te baren.

De Europese context is vooral interessant aan het begin van het verhaal, als de Oranjes in ballingschap zijn en de oude Republiek door Napoleon is overlopen. Willem I bezoekt Londen, aan de vooravond van het Congres van Wenen, en begrijpt daar dat de Engelsen plannen hebben met een nieuwe constellatie in de Nederlanden, en met hem. Koch maakt duidelijk dat de vorming van dat koninkrijk van buitenaf werd opgelegd. De echte Vaders des Vaderlands zijn niet de Oranjes, maar de heren Castlereagh en Clancarty, de Britse diplomaten en onderhandelaars in Wenen. De Oranjes waren zetstukken in hun spelletje Risk, en of er ook echt draagvlak in het land zelf was voor de terugkeer van de Oranjes deed niet echt ter zake. Maar dan hebben de Oranjes mazzel: Napoleon ontsnapt van Elba en vindt zijn waterloo bij Waterloo, op het grondgebied van het nieuwe koninkrijk. Nederlandse troepen vechten dapper mee, Willem II raakt in de slag gewond aan de schouder en dus kunnen de Oranjes met recht claimen dat zij net als hun voorouders hun bloed hebben geofferd voor het Vaderland. Willem II zal zijn leven lang steunen op de roem die Waterloo hem heeft verschaft.

De regeer­periode van Willem III is het best te vergelijken met wat in de judosport een ‘verwurging’ wordt genoemd

De nieuwe regering van Willem I doet vervolgens sterk denken aan de huidige regering-Poetin. Ogenschijnlijk regeert het staatshoofd ‘onder waarborg eener wijze constitutie’, maar dat is voor de bühne, want in de praktijk schakelt Willem alle instanties voor democratische controle uit. Hij stelt zelf het parlement samen, hij stelt eigenhandig de tienjarige begroting op, hij ontslaat ministers als hij daar zin in heeft en kritiek in het openbaar leidt tot juridische vervolging, boetes en gevangenisstraf. Het beheer van ’s lands financiën is geheel voorbehouden aan de vorst, die een piramide bouwt van schuld op schuld op schuld, waardoor het land in de jaren dertig een krankzinnig begrotingstekort krijgt, en het de helft van het nationaal product moet gebruiken voor rentebetalingen.

Koch noemt deze Willem I nochtans een fenomeen, de enige Oranje die qua daadkracht en belang voor de natie naast Willem de Zwijger zou kunnen staan, al moet ook Koch toegeven dat er op Willem I eigenlijk geen peil te trekken is. In sommige opzichten – welvaartsverbetering, secularisering, ontwikkeling van een koloniale economie, verbetering van infrastructuur – is hij zijn tijd vooruit, een exponent van verlicht bestuur; in andere is hij nog autoritairder en conservatiever dan al die achttiende-eeuwse koningen, die hun troon (en soms hun hoofd) voor minder verloren. Willem I bijt zich uiteindelijk stuk op de weerstand van de Belgen, die zware politieke grieven hebben inzake religie, taal, onderwijs, persvrijheid en de staatsschuld, en bereid blijken dat hoog op te spelen, zo hoog dat er uiteindelijk bloed vloeit en het prille rijk in tweeën valt.

Daarbij vergeleken was Willem II een ‘loose cannon’, een bonafide oorlogsheld, dat wel, maar iemand die de roem naar het hoofd steeg en verwikkeld raakte in schimmige kringetjes, sfeertjes en complotjes, bijvoorbeeld voor het overnemen van de Franse troon. Hij wordt daardoor chantabel. Een interessante episode in het boek beschrijft hoe Willems liberale tegenstanders – Luzac en Donker Curtius, met name – gebruik maken van de kliek van onbetrouwbare vertrouwelingen rond de koning om hem tot grote politieke concessies te dwingen, iets wat duidelijk de geur van afpersing heeft. De regeerperiode van Willem III, ten slotte, is misschien het best te vergelijken met wat in de judosport een ‘verwurging’ wordt genoemd, een onaangenaam en traag proces, een uitputtingsslag waarbij de koning decennialang weigert zijn onvermijdelijke nederlaag onder ogen te zien.

Het is denkbaar dat een dikker boek misschien wat meer positieve dingen over die drie koningen had gebracht, misschien iets over hun liefdadig werk, het aanmoedigen en troosten van de bevolking, et cetera. Voor rechtzinnige protestanten, bijvoorbeeld, hadden de Oranjes wel degelijk een bijzondere, mythische status. Het verhaal is nu soms wel erg somber, je zou bijna medelijden met ze krijgen. Er valt in de paleizen werkelijk niets te lachen, de huwelijken zijn bijna allemaal gruwelijk, de kinderen ziekelijk, de echtgenotes diep ongelukkig, het hofleven is schraal. Koch houdt zich in, als het om paleisroddel gaat, maar er valt niet te ontkomen aan de politieke implicaties van het buitenechtelijk gedrag van de heren. Als de jonge Emma op het toneel verschijnt is de reputatie van de Oranjes bijna tot op het nulpunt verkankerd.

Maar Emma is zo gis om, als jonge weduwe, met haar prinsesje op tournee te gaan langs alle provincies, en zo doelbewust te bouwen aan de aanraakbaarheid en de soft power van het koningshuis. In het revolutiejaar 1918 kan ook de meest fanatieke revolutionair niet bedenken waarom het in vredesnaam zin zal hebben de jonge Wilhelmina en de kleine Juliana tegen de muur te zetten. De dynastie overleeft, juist omdat ze politiek onbelangrijk geworden is en omdat ze de status van celebrity heeft aangenomen.