Didion en The Sixties

De zachtmoedige

Joan Didion bij de Whisky a Gogo aan de Sunset Strip, Los Angeles. Still uit Joan Didion: The Center Will Not Hold © Julian Wasser / Netflix

In 1968 – Paul McCartney was 26, Janis Joplin 25, Cher 22 – was Joan Didion 34. Het was ook het jaar van haar eerste essaybundel, Slouching Towards Bethlehem, portret van een generatie, gevuld met stukken over gelukszoekers, moordenaars, overspeligen, Joan Baez en John Wayne. De titel van de bundel is afkomstig uit een gedicht van W.B. Yeats, The Second Coming.

Het verhaal is bekend: Didion werd geboren in Sacramento, de hoofdstad van Californië – toen, net als nu, de meest dichtbevolkte staat van Amerika. Haar vader zat in het leger en als kind verhuisde Didion zo vaak dat ze zich niet zozeer de buitenstaander voelde als wel de buitenstaander wás. Na het behalen van haar middelbareschooldiploma ging de vroeg volwassen Didion naar het prestigieuze Berkeley, onderdeel van de Universiteit van Californië; ze behaalde in 1956 een bachelorgraad in Engelse taal en letterkunde. In dat laatste jaar van haar studie won ze een essaywedstrijd van Vogue en won daarmee een baantje bij het in New York gevestigde tijdschrift. Haar winnende stuk ging over de Californische architect William Wilson Wurster. Hier is al een patroon zichtbaar dat onderdeel zou worden van Didions beste werk: het westen van de Verenigde Staten ‘uitleggen’ aan de rest van het land, ja, de wereld.

Didion werkte zeven jaar voor Vogue, nam ontslag en ging freelancen voor verschillende tijdschriften, waarvan haar samenwerking met Bob Silvers de bekendste is. In 1964 verhuisde ze met haar man John Gregory Dunne terug naar Californië. In deze eerste helft van haar carrière (Slouching Towards Bethlehem, The White Album) zorgde Didion ervoor dat ze daar was ‘waar het gebeurde’, in de tweede helft had ze zo’n naam opgebouwd dat waar zij was ‘het’ gebeurde (Salvador, Miami).

De schrijver heeft van begin af aan een literaire stijl gehad die simpel maar ontwikkeld is, genuanceerd, serieus én ironisch – dat wil zeggen, een zekere afstand houdt van de wereld en een oordeel. Zie bijvoorbeeld de eerste zin van het voorwoord: ‘This book is called _Slouching Towards Bethlehem _because for several years now certain lines from the Yeats poem which appears two pages back have reverberated in my inner ear as if they were surgically implanted there.’ Voor mij is dit het winnende element van Didions werk, dat ze altijd zichzelf als uitgangspunt neemt voor haar verhalen. Ze laat met deze zin zien dat 1) ze schrijft vanuit een obsessie, in dit geval een cultuur die uit het lood loopt, 2) ze graag poëzie leest (en niet alleen voor het wereldbeeld van beroemde dichters; Didion is geobsedeerd door het ritme van haar zinnen), en 3) iedereen opgesloten zit in zijn lijf en hoofd: ‘my inner ear’, ‘as if surgically implanted’. Maar vooral, 4), dat ze bereid is om alles, ook zichzelf, in dienst te stellen van haar werk – ook haar pretentie. Bijkomend gevolg: je weet na verloop van tijd wie er in haar stukken tegen je praat. Didion heeft er geen problemen mee de lezer aan te spreken: ‘I am not sure what more I could tell you about these pieces’, of ‘Imagine Banyan street first.’

‘Vijf jaar oud’, zegt iemand. ‘Aan de lsd’

In Slouching Towards Bethlehem, het titelessay, oorspronkelijk geschreven voor de Saturday Evening Post, een tweewekelijks tijdschrift uit Indianapolis, bezoekt Didion tijdens de zomer van 1967, ook bekend als The Summer of Love, en de hoogtijdagen van het hippietijdperk, een huis in Haight-Ashbury. Op de grond zit een kleuter van vijf jaar oud met haar witgestifte lippen te smakken. ‘Vijf jaar oud’, zegt iemand. ‘Aan de lsd.’ Haar moeder geeft haar al een jaar lang peyote en lsd.

In de recente Netflix-documentaire over haar leven, The Center Will Not Hold, geeft een oude Didion antwoord op de vraag wat ze dacht toen ze die baby zag (Didions MS is goed zichtbaar, haar handen bewegen onhandig heen en weer, in grote zwaaien): ‘Let me tell you, it was gold. You live for moments like that, if you’re doing a piece. Good or bad.’

Didion is vaak neergezet als iemand die genadeloos de levens portretteert van de zwakkeren van de samenleving, de drifters, de druggies, de searchers _(prachtige essays als _California Dreaming en Some Dreamers of the Golden Dream, over de eerder genoemde, naïeve maar bewonderenswaardige wereldverbeteraar Joan Baez) en deze levens-op-drift gebruikt om haar leven zin te geven, maar dat beeld klopt niet: Didion de auteur is een klinische observator, een outsider, maar geen kil mens. Immers: wie de noodzaak voelt jaren van haar leven te besteden aan het weergeven van het opbreken en versplinteren van een maatschappij kan niet anders dan door deze versplintering aangedaan zijn, zich bekommeren om hen die aan hun lot worden overgelaten.

In Slouching Towards Bethlehem _houdt Didion zich bezig met de keerzijde van de jaren zestig en de achterkant van _‘The American Dream’. Ze toont details die het heersende narratief omver trekken, in genoemd titelessay bijvoorbeeld de liefde van de hippies voor alles wat leeft, of dat de ontworsteling van de jongste generatie aan maatschappelijke conventies op alle vlakken een overwinning was. Dit alles is nog indrukwekkender omdat ze de analyse geeft tíjdens en niet ná de historische gebeurtenissen zelf.

Kort gezegd is Didions werk een studie van hoe mensen tekortkomen of, zachtmoediger gezegd, zichzelf tekortdoen. _Slouching Towards Bethlehem _is zowel het startschot als een hoogtepunt van een schrijverschap dat dit onderzoekt.