De broederschapsrevolutie. Of: wie is wij?

De zang van de kolibries

In 2017 zou de boze burger toeslaan bij de verkiezingen in Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland. Europa zou ontploffen. Het gebeurde niet. Bas Mesters ging op onderzoek uit en vond de kiemen van een broederschapsrevolutie.

Medium gettyimages 634747852
Ongeveer duizend mensen in een ongeautoriseerde demonstratie in Parijs tegen politiegeweld. Ze vragen – onder meer – om rechtvaardigheid voor Theo, die op klaarlichte dag door vijf agenten met een politieknuppel werd verkracht © Alain Pitton / NurPhoto via Getty

Als onze auto bijna bij het huis is, bellen we de zelfverklaarde revolutionair Hadama Traoré op zijn mobieltje: ‘Je suis ici! Hierboven!’ Op de derde verdieping van het flatgebouw zien we zijn enorme torso uit het raam verschijnen. Vanaf zijn uitkijkpost in de beruchte Parijse banlieue Aulnay-sous-Bois geeft hij ons instructies met de telefoon tegen zijn bemutste hoofd. ‘À droite!… à gauche!’ De telefoonverbinding blijkt overbodig. Iedereen in de wijk hoort de krachtige basstem van de man die al diverse malen werd bedreigd door de autoriteiten.

‘Non, non, oui allez!’ Naast me in de auto ontvangt Jean Jacques Sebille de instructies van Hadama Traoré luid en duidelijk. Het valt niet mee een plek te vinden tussen de gebutste auto’s in de wijk, maar de mannen blijven het proberen: Jean Jacques en Hadama. Twee personen die niets met elkaar gemeen hebben, en elkaar toch vonden.

De één atheïst, kosmopoliet, blank, homoseksueel met een weekendrelatie in Milaan, en werkend in de reclamewereld in het chique Parijs. Een zeer belezen vijftiger die de Franse cultuur en geschiedenis heeft bestudeerd. De ander geboren en getogen in deze vergeten banlieue. Malinees van afkomst, moslim van geloof, zwart: een kerel van de straat die het op zijn 32ste heeft gemaakt, op eigen kracht. Een man ook die op zijn 24ste al een eigen huis bezat. Op mijn vraag, later, hoe hij dat flikte, commandeert hij me de band stil te zetten.

Ik las over de twee in het Franse magazine Society. Hun ongebruikelijke vriendschap fascineerde me. Ik zocht Jean Jacques op via Twitter en kreeg contact. Nu brengt hij me naar Hadama die ons uiteindelijk naar een parkeerplaats weet te leiden in een parkje van de Cité des 3000, zoals de bijnaam van Aulnay-sous-Bois luidt.

Ze kennen elkaar pas kort. Maar ze definiëren hun ontmoeting en samenwerkingsrelatie nu al als een typisch voorbeeld van broederschap. Een relatie tussen twee individuen die elkaar nooit zouden hebben ontmoet maar toch een drempel overstapten en zich openstelden. Een spannende relatie die een tussenruimte creëert waarin gediscussieerd kan worden, iets wat tegenwoordig steeds vaker ontbreekt.

Het is dit soort coalities waar ik nieuwsgierig naar ben, ontmoetingen van werelden die elkaar niet kennen. Van onderop ontstaan: uit boosheid, onrust, zorg en hernieuwde nieuwsgierigheid. Zijn die gesprekken nog mogelijk in deze tijden van polarisatie, in dit jaar 2017 waarin de woede in Europa zou ontploffen? En zo ja: wat is het geheim? Hoe kunnen werelden die elkaar niet kennen en elkaar steeds minder vertrouwen toch openstaan voor elkaar? Want dat zal toch moeten, willen we niet steeds verder wegglijden in identiteitspolitiek, homogenisering van groepen die zich tegen elkaar afzetten, een proces dat de Franse politiek filosoof en historicus Pierre Rosanvallon omschrijft als het grootste gevaar voor de democratie.

Ik reisde het afgelopen jaar door Europa dat polariseert, van land naar land, van verkiezing naar verkiezingen: Amsterdam, Parijs, Londen, Berlijn, Amsterdam. Ik wilde weten wat ons in Europa nog bindt, wat er over is gebleven van de kernwaarden van de Franse Revolutie die onze westerse samenleving al ruim tweehonderd jaar schragen: vrijheid, gelijkheid en broederschap. En ik wilde het niet horen van de politici, niet van ‘Brussel’, maar van de Europeanen zelf die ik ging ontmoeten. Ik wilde antwoord op de vraag: wie is wij? Pas gaandeweg ontdekte ik de fundamentele vraag van deze reis. Niet: wie ben ik? Niet: wie zijn wij? Maar: wie is wij? Is de overheid nog wij? Is de markt wij? Is de democratie wij? Ben ik nog wij? Ben jij nog wij? Wie is wij?

In veel krantencommentaren kon je het in de eerste week van dit jaar lezen: Europa is een vulkaan. Onder het aardoppervlak kolken oververhitte stromen giftig lava; 2017 zou het jaar van de uitbarsting van de fragmentatie worden. Boeken met titels als The End of Europe of After Europe wierpen hun schaduw vooruit. Na de Brexit en Donald Trump zou volgens de als-dan-medialogica Geert Wilders Nederland, Marine Le Pen Frankrijk en Frauke Petry Duitsland ontwrichten, zo luidde de verwachting in januari. Europa zou bezwijken onder de druk van immigratie, globalisering, digitalisering, onder de druk van de kloof tussen de wereldburgers en de lokalo’s, tussen immigranten en autochtonen, tussen jongeren en ouderen, stedelingen en provincialen, kenniswerkers en makers, staat en volk, elite en massa.

Ik vroeg me aan het begin van het jaar af: wat nu als de vulkaan eens niet zou ontploffen? Hoe zou dat dan komen? Om me voor te bereiden op dit volgens veel media onwaarschijnlijke scenario besloot ik op zoek te gaan naar de geisers, de ontluchtingskanalen van de vulkaan. De plekken waar de stoom zou kunnen worden afgeblazen en waar wellicht zelfs vruchtbare aarde zou kunnen ontstaan.

Er bleek heel weinig voor nodig om te ontdekken dat het borrelt in Parijs, niet alleen bij Hadama en Jean Jacques, maar ook in het centrum waar ik een nachtelijke ontmoeting had voor het huis van de filosoof Matthieu Niango. En op een terras na een van de vele demonstraties aan de vooravond van de verkiezingen, kletsend met studenten die me vertelden van de beweging Le Chant des Colibris (De zang van de kolibries). Ik vond het een prachtige term. Het werd mijn motto: ik zou in 2017 op zoek gaan naar de zang van de kolibries. Naar dat iele (hoopvolle) geluid dat men vaak niet opvangt, maar dat er wel is.

Terug naar het wonderlijke verbond tussen Jean Jacques Sebille en Hadama Traoré in Aulnay-sous-Bois, een plek waar maar weinig Parijzenaren vanuit het centrum naartoe gaan. In de achttien kilometer van het stadshart naar de buitenwijk passeer je een onzichtbare muur, een slotgracht, zoals Jean Jacques het omschrijft vanachter zijn stuur. Van de burcht Parijs steek je de Périphérique over naar de andere kant. Van de snelweg af zien we braakliggende terreinen waar onkruid groeit, brede avenues, en rotondes in het veld. Een gesluierde vrouw loopt met veel tassen en een kinderwagen langs een verlaten verkeersplein zonder trottoir. We zien flats in de verte, torens met gestanste gevels vol gelijkvormige kleine ramen. Het doet wat denken aan de Bijlmer, maar dan veel uitgestrekter, een optimistische toekomstvisie gegoten in beton, witte verf die de niet geheel gelukte gelijkheidsdroom camoufleert.

De bel van de flat doet het niet, de deur blijft dicht. Opnieuw belt Jean Jacques Hadama op. Dan schiet de grendel van het slot. Drie betonnen trappen brengen ons omhoog. Een jonge vrouw met geblondeerd haar en een Noord-Afrikaans uiterlijk wacht bij de deur. Ze glimlacht. Onze schoenen laten we achter bij de kapstok en op kousenvoeten gaat het langs een kleine keuken aan de linkerhand rechts de salon in: een lage tafel, een fauteuil, een zwarte bank. Daar zit hij. Relaxed achterover hangend, breed glimlachend en een joint aan zijn mond: Hadama Traoré, voorman van de door hemzelf in januari opgerichte beweging La Révolution est en Marche (De revolutie is onderweg).

Via Facebook stelt de beweging misstanden aan de kaak. Of het nu gaat om een bevuilde en onhygiënische marktplaats waar ratten vrij spel hebben, de sluiting van een zwembad, achterstallig onderhoud van woningen – ze filmen het en roepen op tot ontmoeting en actie. De mensen van La Révolution est en Marche zoeken steeds uit wat de feiten, de regels en de rechten zijn, publiceren dat en roepen de bewoners op om die op te eisen. ‘In onze cité wonen mensen die zien welk onrecht er plaatsvindt’, zegt Hadama. ‘Die verbinden we. Alleen ben je snel, maar samen kom je verder.’

Inmiddels weten de autoriteiten ook dat ze met Hadama en zijn beweging rekening moeten houden. Ze ondervonden dat ten tijde van de geschiedenis rondom de jongeman Theo, toen alle camera’s begin dit jaar ineens richting Aulnay draaiden. Theo werd op 2 februari op klaarlichte dag door vijf agenten met een politieknuppel verkracht, zijn darmen werden geperforeerd. La Révolution est en Marche en Hadama lanceerden hun filmpjes en riepen op tot rechtvaardigheid voor Theo. Niet de burgemeester van de wijk, maar Hadama nodigde vertegenwoordigers van agenten uit om te komen praten. Hij startte een dialoog over hoe de cultuur en de problemen van de politie konden worden aangepakt.

De fundamentele vraag is niet: wie ben ik? Niet: wie zijn wij? Maar: wie is wij? Is de overheid nog wij? Is de markt wij?

Nu, enkele maanden later, heeft La Révolution est en Marche bijna vijfduizend volgers op Facebook, organiseren ze talrijke manifestaties en demonstraties en willen ze in 2020 meedoen aan de lokale gemeenteraadsverkiezingen. ‘Aulnay is prachtig en krachtig, als we maar samenwerken’, is Hadama’s boodschap. Alleen dan kunnen de politici hen niet meer negeren.

Qua grootte is deze cité van Parijs de vijftigste stad van Frankrijk. Tachtigduizend inwoners, 240 miljoen euro gemeentebudget, 2600 bedrijven, drie autoroutes komen langs de wijk. Hadama: ‘Wij willen met onze capaciteiten, waardigheid en trots bijdragen aan Frankrijk, en aan de republiek. En we eisen onze rechten op. We hebben de kracht van internet: Facebook. Dat goed gebruiken is een wapen. En dat hebben we begrepen.’

Het is diezelfde houding op zoek naar verbinding die aan de basis lag van het ongebruikelijke verbond tussen Jean Jacques en Hadama, zo vertelde Jean Jacques me in zijn kantoor in het negende arrondissement vlak bij Gare Saint-Lazare en het luxe Galeries Lafayette. Twintig jaar werkte hij als manager bij reclamebedrijven als Saatchi & Saatchi en ddb voor de campagnes van grote multinationals als Procter & Gamble en Unilever. Totdat zijn baas bij hem kwam en zei dat zijn tijd erop zat. Hij werd op vijftigjarige leeftijd ontslagen en begon met een oprotpremie noodgedwongen voor zichzelf. Surfend op het internet in zijn eigen hippe reclamekantoor Les Cyclists, met een wielrenfiets aan de muur, stuitte Jean Jacques op de filmpjes van Hadama. Hij luisterde en dacht: die man zegt meer intelligente dingen over de rechten van burgers dan de politici. Jean Jacques bedankte Hadama en schreef: ‘Als je je kandideert als president, stem ik op jou.’ Hadama’s antwoord volgde snel: ‘Ik wil je ontmoeten. Ik doe alleen aan echt contact. Waar kan ik je treffen?’ En zo vonden ze elkaar in een bar in Saint-Denis.

Ze spraken meer dan een uur. En daarna nog een keer vier uur bij Hadama thuis. Dat de een moslim was en de ander atheïst, dat besloten ze thuis te laten. Of zoals Jean Jacques me in de auto zei: ‘Als je over geloof praat, spreek je over intieme zaken. Ik denk dat een systeem totalitair wordt als het zich te veel met intieme zaken bemoeit.’ Het duurde even voordat hij de moslim Hadama zijn homoseksualiteit bekende. Maar ook dat, zo besloten de twee, mocht een samenwerking niet in de weg staan.

Waar ze direct en veel over spraken was vrijheid, gelijkheid en broederschap als de drie hoofdpilaren van samenleven. Alle kinderen, ook in de banlieues, moeten die termen op school leren, maar op straat vragen ze zich af: waar zien we die waarden? De jeugd verwacht een antwoord op die vraag, zei Hadama tegen Jean Jacques en hij somde op. Gelijkheid? We zijn niet gelijk. Mijn vader die veertig jaar geleden uit Mali kwam, mag niet stemmen. Broederschap? We leven niet samen in Parijs. We vechten niet voor gelijke rechten. Vrijheid? ‘Ik wil vrij zijn, maar weet niet of ik het ben. Ik onderzoek de vrijheid van godsdienst.’

Al discussiërend werd Jean Jacques, de marketingprofessional, een soort coach van Hadama. Als Hadama nu een pamflet schrijft, corrigeert Jean Jacques zijn Frans. ‘Ik verwijt hem niet dat hij fouten maakt, maar het systeem, de school die faalde.’

Samen ontwikkelen ze nu een cultureel programma voor jongeren. Als Hadama zijn op straat ontwikkelde ideeën formuleert, suggereert Jean Jacques hem een boek van een filosoof of een film die tot dezelfde conclusie kwam. Als Hadama net voor een afspraak met communistische parlementariërs vraagt wat communisme is, geeft Jean Jacques college. Jean Jacques: ‘Ik geef Hadama sleutels, help zijn geest te openen. Mensen uit die buurten hebben niet de mogelijkheid om boeken, films en personen van buiten te spreken. Ze leven altijd tussen dezelfde mensen. Ik probeer hem uit de heel kleine doos te laten kruipen waarin hij jarenlang zat. Ik laat hem vrij.’

Als Hadama te radicaal tegen dingen is, probeert Jean Jacques hem tact bij te brengen. ‘Je moet niet zeggen: we haten alle media. Dat is dezelfde bullshit als: alle zwarten zijn slecht. Je moet concreet uitleggen waarom een artikel niet deugt, anders help je de mensen niet en motiveer je ze om geen enkele krant, geen radio- of tv-programma te volgen.’

Als Hadama zegt dat de tweedeling tussen de burcht en de banlieues gebaseerd is op racisme riposteert Jean Jacques dat zijn familieleden op het platteland in Bourgondië precies dezelfde klacht over de overheid hebben als de vrienden van Hadama in de banlieues. De segregatie is niet gebaseerd op ras, maar op sociale klasse, op gebrek aan erkenning van mensen en hun problemen, zo meent Jean Jacques en hij suggereerde Hadama Marx te lezen.

Het idee dat de kiezers die op Le Pen stemden om dezelfde reden boos waren als Hadama en zijn vrienden in de banlieues trof me. Allebei de groepen missen erkenning. Zoals ook vluchtelingen, migranten, Afro- en Aziatische Europeanen zich vaak geallochtoniseerd voelen. Maar ook mensen in de provincie die winkels en sportverenigingen zien verdwijnen en jongeren zien wegtrekken behoren tot het gekrenkte bevolkingsdeel. Ook ouderen die nauwelijks van hun pensioentje kunnen rondkomen en jongeren die niet aan de bak kunnen komen, of alleen op ‘flexibele basis’, vrezen de toekomst, zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau voor Nederland liet zien. Al die angst en onvrede kan worden geëxploiteerd. Vaak door de groepen tegen elkaar op te zetten, door hun identiteit uit te vergroten en af te zetten tegen die van anderen. De rechten van de ene groep verliezers worden ten koste van de andere groep opgeëist. Ze misgunnen elkaar de erkenning en de gelijkwaardigheid.

Al deze groepen (eigenlijk ook de rijken die zich uit angst meer en meer binnensluiten) zijn verliezers van iets wat we alleen goed kunnen beschouwen als we uitzoomen, zoals politiek filosoof Rosanvallon deed in zijn boek La société des égaux (De samenleving van de gelijken). Volgens hem vormen de toegenomen ongelijkheden sinds de jaren tachtig ‘de zoete vijl die tot een stilzwijgende ontbinding van de sociale band en, tegelijk, van de solidariteit leidt’. Meer dan ooit spreekt men over ongelijkheden en tegelijkertijd wordt er minder dan ooit wat aan gedaan. Deze paradox leidt tot machteloosheid. Tot eenzame opsluiting in onszelf. Tot amechtig en vaak tevergeefs zoeken naar antwoord op de vraag: wie ben ik?

Als groot kenner van de geschiedenis van de democratie ging Rosanvallon terug in de tijd om de huidige crisis van de gelijkheid te analyseren. Hij begon bij de Franse Revolutie. In 1789 trok niemand in twijfel dat gelijkheid de ‘grondgedachte’ of het ‘wachtwoord’ was van het proces dat zich toen voltrok en uiteindelijk leidde tot wat de democratische rechtsstaat werd. Sindsdien, stelt Rosanvallon, werd het maatschappelijk evenwicht dat na de Franse Revolutie ontstond tweemaal fundamenteel bedreigd, beide keren in periodes dat de ongelijkheid groeide. De eerste keer gedurende de industriële revolutie die aanving in 1830 en haar hoogtepunt bereikte rond 1900. En de tweede keer vanaf 1980 tot nu, als gevolg van individualisering, globalisering en digitalisering aangezwengeld door de markt: de tweede industriële revolutie. Beide keren leidde de groeiende ongelijkheid tot woede, tot onrust, tot uitvergroting van identiteiten en tot homogenisering van groepen die zich tegen andere groepen afzetten. Met de meest vreselijke gevolgen in de eerste helft van de vorige eeuw en de gevaarlijke polarisatie van nu.

Medium traore
Hadama Traoré in Aulnay-sous-Bois © Thomas Poupeau / Le Parisien

Rond de vorige eeuwwisseling waren naties, staten en gemeenschappen sterk. Onder druk van socialisten en sociaal-republikeinen ontwikkelde de overheid een collectieve politiek van sociale herverdeling. Arbeidswetten, leerplicht en uiteindelijk ziekte-, ouderdoms- en arbeidsongeschiktheidsregelingen zorgden voor solidariteit met de zwakkeren. Zo werd de ongelijkheid weer teruggedrongen. Maar nu, bij de tweede crisis van de gelijkheid, zijn naties en staten zwak. De markt is oppermachtig. Collectief vinden we nog wel iets van de misstanden, maar we slagen er door de hierboven beschreven paradox niet meer in om ernaar te handelen. Er zijn te veel tegengestelde krachten die de solidariteit ondermijnen.

‘We eisen onze rechten op. We hebben de kracht van internet: Facebook. Dat goed gebruiken is een wapen’

Er is, zo zou je voortbordurend op de gedachtegang van Rosanvallon kunnen stellen, na de gelijkheidsrevolutie van de negentiende eeuw, die ons uiteindelijk de verzorgingsstaat bracht, een vrijheidsrevolutie over het Westen gerold. De vrijheidsrevolutie, die je zou kunnen laten starten met de invasie van de Normandische stranden door de geallieerden, bracht ons de ruimte om vrij te denken, onze stem te laten horen zonder te hoeven vrezen voor onderdrukking of geweld. De vrijheid bracht experimenten, fantasie, creatie, flower power, reislust, de val van de Muur, ontdekkingsdrang, ontplooiingskoorts. Uiteindelijk leidde de door de markt gedreven vrijheidsrevolutie vanaf de jaren tachtig tot superkapitalisme, speculatie, bubbels en de financiële krach van 2008, en als we niet oppassen tot een aanstaand klimatologisch infarct.

Dit alles heeft tot de nieuwe crisis van de gelijkheid geleid. Opnieuw zal de gelijkheid moeten worden hersteld. Maar nu de individualisering en privatisering een feit zijn, en de markt de kapitaalstromen als nooit tevoren controleert, kan de staat dat bijna niet meer organiseren. De burger, de gemeenschap dient erbij te worden betrokken, aldus Pierre Rosanvallon. Het draait daarbij niet zozeer om het onmiddellijk realiseren van economische gelijkheid, maar om wat hij noemt het realiseren van een nieuwe gelijkheidsrelatie, waardoor het voor groepen weer mogelijk wordt om met elkaar in gesprek te treden. Een broederschapsrelatie, zoals Jean Jacques en Hadama het noemen. Een broederschapsrevolutie misschien wel.

Hadama reageert enthousiast als ik hem de term polsend voorleg. ‘C’est magnifique! Broederschapsrevolutie! Dat is waar we mee bezig zijn. We verbinden, organiseren dialoog, alles gebaseerd op humanité. Ik ben een revolutionair. En mijn revolutie bestaat uit het organiseren van ontmoetingen.’ Jean Jacques: ‘Lokale machthebbers willen liever dat migranten in de parallelle en criminele sfeer blijven dan dat ze de publieke sfeer opzoeken en het democratische debat. Veel mensen uit de politiek en uit de burcht Parijs willen geen ontmoetingen met ons.’

Gelijkheid is volgens Jean Jacques een val: ‘We hebben dezelfde rechten volgens de wet, maar in werkelijkheid is dat niet zo. Ik noem dat nieuwe apartheid. Neem de schoonmakers in Parijs. Die zijn bijna allemaal zwart of Arabisch van komaf. Daar zie je geen blanke tussen. Niemand noemt zichzelf racistisch, maar in werkelijkheid worden zwarten en Arabieren als shit behandeld. We kennen ze niet. Het komt op z’n hoogst niet verder dan een vriendelijk knikje als je je kantoor in gaat. En als bedrijven afdelingsfeestjes organiseren worden de schoonmakers nooit uitgenodigd. Voor alles hebben we eerst een broederschapsrevolutie, een revolutie van ontmoeting nodig. Dat gaat niet over regels, maar over een houding, een wil.’

Om te laten zien wat hij doet – en hoezeer dat met de analyse van Rosanvallon te maken heeft – organiseerde Hadama onze ontmoeting in het huis van Alyssa Khalfallah, de vrouw die glimlachend de deur open deed. Met horten en stoten, dan eens in het Frans, even later doorspekt met banlieue-slang, en alleen te doorgronden dankzij de vertalingen en uitleg van Jean Jacques, ontstaat een beeld over wat kapster Alyssa, geboren en getogen in Frankrijk en van Tunesische afkomst, de laatste drie jaar overkwam. Het had heel weinig gescheeld, zo vertelt ze, of ze zou ons niet hebben kunnen ontvangen in haar flatje. Haar moeders dood in oktober 2014 bracht haar in nood. Ze zou het huis worden uitgezet waar ze heel haar leven had gewoond, alleen omdat dit op naam van haar moeder stond. Alyssa was radeloos, ze benaderde iedereen, een advocaat die haar tienduizend euro kostte, de burgemeester van de wijk, een parlementslid dat Aulnay-sous-Bois als thuisbasis heeft. Ze gaven haar gelijk. Het woningbedrijf misbruikte inderdaad zijn macht, zoals geprivatiseerde voormalige overheidsinstanties zo vaak winstmaximalisatie verheffen boven hun oorspronkelijke maatschappelijke taken.

Maar Alyssa kreeg geen gelijk. De advocaat liet zich omkopen door het woningbouwbedrijf. De burgemeester had andere prioriteiten. En de parlementariër stuurde één brief naar de woningbouwmaatschappij. Toen die niet reageerde, zei hij dat hij had gedaan wat binnen zijn mogelijkheden lag. En dus bleef de uitzettingsordonnans, hoe onredelijk en onrechtmatig ook, van kracht. Het systeem beschermde niet. Precies zoals Rosanvallon het omschreef: er werd wel vastgesteld dat het niet deugde, maar er kwam geen actie. Onmacht, met frustratie tot gevolg. Onmacht zoals die ook in de provincie en op het platteland bestaat waar winkels en scholen sluiten, mensen wegtrekken en achterblijvers zich alleen voelen staan. Onmacht omdat de professionals de gemeenschap niet meer ondersteunen.

Alyssa was teruggeworpen op zichzelf. Voor het woningverhuurbedrijf was het met alleen de kapster als tegenpartij een eenvoudige strijd. Een makkie. Binnen de muur van de burcht Parijs geldt de wet voor wie zich dure advocaten kan permitteren. Recht is er feitelijk te koop. Buiten is gelijk hebben niet hetzelfde als gelijk krijgen. Daarvoor zijn de portemonnees te klein, de regels te complex en komen ze van te ver weg: van de stad, van de technocraten, van ‘het systeem’, zoals dat in Frankrijk wordt genoemd. Het leek dus onherroepelijk. Alyssa moest voor 1 april 2017 met haar dochtertje het huis uit zijn. Maar toen was hij daar: Hadama Traoré. ‘Meneer Traoré heeft voor elkaar gekregen wat een advocaat en een linkse parlementariër niet lukte’, vertelt Alyssa.

Terwijl Hadama soms bulderend van het lachen triomfantelijk over zijn steeds succesvollere strijd vertelt, merk ik dat ik er dubbel in sta. Een man die noodgedwongen deels op illegale wijze kwam waar hij nu staat en die de taken van de overheid overneemt? De toekomst, zo oreert Hadama, is aan ons. ‘Wij zijn samen sterker, wij van de banlieues. Wij weten wat lijden is, wij zijn opgegroeid tussen de ratten, en wij komen eraan: la révolution est en marche.’

Hadama leert aan zijn buurtgenoten dat om een vuist te maken de publieke ruimte moet worden terugveroverd. Niet met stenen en knuppels, maar door eerst de eigen huizen en tuinen op te ruimen: zelfredzaam te worden. Problemen oplossen, leren voor zichzelf, elkaar en de omgeving te zorgen en samen het leven in eigen hand te nemen. En ze moeten in dialoog gaan, met als uitgangspunt: humanité. Zo alleen kom je tot een broederschapsrevolutie, aldus de man die geen brief zonder spelfout schrijft, maar messcherp is in zijn analyses. Hij heeft nooit van Rosanvallon gehoord, maar wat hij doet lijkt warempel op de creatie van gelijkheidsrelaties die de politiek filosoof noodzakelijk vindt.

Niet alleen in de banlieues, de buitenwijken, experimenteert men met het door Pierre Rosanvallon gewenste herstel van gelijkheidsrelaties. Het borrelt overal, zo ondervind ik later die nacht in de burcht Parijs. De straten zijn verlaten en ik heb een afspraak om vier uur in de ochtend voor het huis van filosoof Matthieu Niango. Ineens stoppen er scooters, fietsen en auto’s voor zijn deur. Twintigers en dertigers. Ze pakken emmers, posters en pakjes stijfsel aan die vanuit het huis van Niango worden aangedragen. Dit blijken geslaagde mensen met goede banen en dure appartementen in bobo (bohème bourgeois) arrondissementen: ze werken in de communicatie, in het onderwijs, in eigen bedrijven, zelfs bij banken. Professionals zijn het, maar professionals met een klacht. Ook zij worstelen met het systeem waar zij deel van uitmaken, ook zij zeggen dat de verbinding met de burgers wordt gefrustreerd. Ook zij zoeken antwoord op de vraag: wie is wij?

Enkele weken geleden kenden de jongelingen elkaar nog niet. Nu blijken ze een gezamenlijke missie te dienen. Hun oplossing is gewone burgers verkozen krijgen tot parlementariërs, in navolging van de oproep van Matthieu Niango, zoon van een migrant uit Ivoorkust en schrijver van het boek La démocratie sans maîtres (De democratie zonder bazen). Ze willen handelen, van onderop. Ze willen af van de professionele politici die er voor zichzelf zitten. En dus plakken ze deze nacht alle historische plekken in Parijs vol met posters.

‘Rendez-nous le charpe’, geef ons de sjerp terug (van parlementslid), zo valt de volgende ochtend te lezen op het plein voor de universiteit van de Sorbonne, op Place de la République, bij de Bastille, op de sokkel van het standbeeld van Jean-Jacques Rousseau, de schrijver van Du contract social. ‘A nous la démocratie!’ is ernaast geschreven op de stoeptegels. Bij het ochtendgloren ga ik mee op inspectie, een soort triomftocht door de stad. Het communicatieteam fotografeert het resultaat van het nachtelijk plakwerk om het vervolgens op Facebook en Twitter te delen in de hoop dat kranten en televisieredacties het oppikken en zo de beweging een extra slinger geven.

Jean Jacques Sebille, de compagnon van Hadama, had me verteld over A Nous la Démocratie. Via Twitter kreeg ik contact met Niango. We ontmoetten elkaar de dag nadat Emmanuel Macron was gekozen tot president om tien uur in de ochtend in café Le Floréal, op een steenworp afstand van waar de redactie van Charlie Hebdo werd aangevallen. Niango is, net als veel vertegenwoordigers van de elite, een leerling van de École normale supérieure. Na zijn studie filosofie was hij enige jaren een van de twee speechschrijvers voor de burgemeester van Parijs en had hij banen op het ministerie van Onderwijs en van Buitenlandse Handel. Hij maakte deel uit van het systeem, zegt hij, en zag hoe het volgens hem disfunctioneert. Hij begon na te denken over de democratie. En kwam tot zijn boek La démocratie sans maîtres.

Wat hij zag was dat de centrale staat in Frankrijk heel veel macht heeft. Ze is sterker dan elders. ‘Als je vandaag een besluit neemt in Parijs over onderwijs, dan is het twee dagen later doorgedrongen op alle scholen.’ In die centralistische staat zit volgens Niango veel kwaliteit. De mensen zijn hoog en goed opgeleid. Maar het grote probleem is dat iedereen in de hogere posities hetzelfde is. ‘Ze denken hetzelfde. Ook Macron komt uit die wereld.’ Alles draait bij deze mensen om het budget dat in evenwicht moet zijn. Ze praten veel over technieken en budget, ‘zelfs als ze over de toekomst spreken’. Het zijn structuralisten, ze hebben het systeem in het hoofd en denken volgens dat systeem. ‘Het gaat hun niet om mensen, om de samenleving, maar om het systeem Frankrijk.’

‘Alleen een beweging is niet genoeg. Het gaat om een nieuwe manier van anarchie: institutioneel anarchisme’

Niango bedacht in juni vorig jaar dat iemand minimaal vijf jaar in een banlieue moet wonen alvorens zich kandidaat te kunnen stellen als volksvertegenwoordiger namens zo’n wijk. Hij sprak er met wat vrienden over. ‘Ik dacht nooit dat daar iets uit zou komen.’ De vrienden zeiden: laten we een beweging beginnen om dit te realiseren, en niet een lobby zoals te doen gebruikelijk. Het begon in november 2016. Ze waren met elf man. In het voorjaar werd de discussie voortgezet. Toen waren er ineens honderd geïnteresseerden. De organisatoren wilden niet over economie of milieu of buitenlandse politiek of werk spreken, maar over de methoden van de democratie. Het huidige politieke systeem is competitief met altijd losers en winnaars, waarbij de winnaars alles beslissen. Niango vindt dat iedereen steeds opnieuw moet kunnen meebeslissen. En het sprak aan.

A Nous la Démocratie heeft inmiddels zes programmapunten: een politicus mag in totaal niet meer dan vijftien jaar als vertegenwoordiger of bestuurder functies bekleden. Hij moet vijf jaar in een gebied wonen alvorens er burgemeester te kunnen worden. De leden van de senaat moeten door loting onder de bevolking worden gekozen. Het referendum moet worden ingevoerd. Er moet een speciale rechtbank komen om politici te berechten als ze verdacht zijn, want de huidige rechters zijn vaak door politici aangesteld en daardoor niet onafhankelijk. Tot slot moet de premier als hij geen meerderheid voor een wetsvoorstel in de Kamer krijgt de mogelijkheid hebben om de burgers om een vertrouwensoordeel over dat thema te vragen. Zo krijgen de burgers een interactief mandaat op alle wetten.

Medium c cdvdzwsaa qsq
Na een oproep van Matthieu Niango plakken jongelingen in de nacht Parijs vol met posters – ‘A nous la démocratie!’ © twitter

Niango: ‘Je kunt samen heel veel meer bereiken door de democratie te openen.’ Als voorbeeld noemt hij buitenlandpolitiek. Irak. Nu IS is gevallen moet er een nieuw bestuur komen. Je zou gewone burgers rond een tafel kunnen zetten om te vragen wat ze willen. Maar dat doen westerse leiders niet. Ze zoeken mensen die net zoals zij uit de elite komen. ‘Dit parachuteren van leiders zonder te vragen wat het volk wil, kan leiden tot etnische botsingen.’

Gekoppeld aan de parlementaire agenda wil A Nous la Démocratie bijeenkomsten van burgers organiseren, waarbij de voorstellen altijd ook op hun democratisch gehalte worden getoetst. ‘Precies zoals de groene partijen hun groene agenda op alle thema’s legden.’ Alle aanwezigen mogen vervolgens meebeslissen of het een goed amendement is. Om niet alleen witte mannen van gemiddelde leeftijd te trekken, zo realiseren ze zich, moet een bepaalde atmosfeer worden gecreëerd. Mensen moeten het gevoel krijgen dat ze daadwerkelijk ideeën kunnen inbrengen. Om die sfeer te bereiken volstaat de vraag ‘wat willen jullie?’ niet. Het vergt voorbereiding. ‘We focussen steeds op het gemeenschappelijke’, zegt Niango. ‘En we organiseren ook bijeenkomsten om onze collectieve intelligentie te laten groeien. We hebben contact met een organisatie die gespecialiseerd is in public consultation. We werken aan manieren om gewone burgers oplossingen te laten vinden voor problemen. Op dit terrein wordt veel geëxperimenteerd.’

Niango ziet overal bewegingen ontstaan. Milieubewegingen als Le Chant des Colibris die kleinschalige milieuprojecten in het hele land verbindt. Zelfs carrièrepolitici spelen erop in. Macron zegt dat hij een ‘movement’ is, ‘maar hij is een partij met politieke professionals’. Ook andere kandidaten spraken over ‘movement’. Ze spelen in op dezelfde sentimenten. Niango denkt dat er nog meer move is dan er movements zijn. En dat maakt hem optimistisch. ‘Mensen willen niet alleen de politici maar ook het systeem zelf veranderen. They want to rock the system. Alleen een beweging is niet genoeg. Het gaat om een nieuwe manier van anarchie: institutioneel anarchisme. Als we de regels niet veranderen blijven we steken in movements, wordt het geen move.’

Onafhankelijk van A Nous la Démocratie richtte Xavier Hervo (38) twee arrondissementen verderop in Parijs gelijktijdig La Rélève Citoyenne (de burgerlijke opstanding) op, een beweging met hetzelfde doel als Niango’s club. Hervo komt uit de harde zakenwereld en werkte bij banken. Hij besloot er na tien jaar radicaal mee te stoppen en zijn zeer riante salaris op te geven. De bewegingen van Niango en Hervo ontmoetten elkaar en werken nu waar mogelijk samen en presenteren gemeenschappelijke kandidaten. In juni hadden alle burgerbewegingen zoals deze opgeteld honderd burgerkandidaten voor het parlement. Uiteindelijk kwamen de verkiezingen te snel. Niemand werd verkozen. Het Franse districtenstelsel waar een kandidaat in een district de absolute meerderheid moet behalen werkt vernieuwing van onderop tegen.

Wat hun ook tegen zat was dat Macron met zijn retoriek van een beweging potentiële kiezers bij burgerbewegingen heeft weggetrokken. Maar het netwerk is ontstaan. Er is ook contact met mensen als Hadama in de buitenwijken. ‘Hij is heel moedig, opereert heel anders dan wij, maar ook hem gaat het om democratie van onderop’, zegt Niango. Samen bereiden ze zich voor op de Europese verkiezingen en de gemeenteraadsverkiezingen in 2020. Op 6 december hebben ze een grote bijeenkomst om terug en vooruit te kijken. En mensen uit Lyon, Lille, Marseille en Nancy hebben Niango benaderd om ook daar een afdeling van A Nous la Démocratie op te richten. Hij weet het zeker: mensen willen politiek, ze hebben alleen genoeg van politici. Een radicale democratie is mogelijk. En dat is niet Macron. ‘Die heeft aangetoond dat hij een gewone klassieke liberale politicus is die de manier van politiek bedrijven niet zal veranderen.’

Ik leg Niango en Hervo de hypothese van de broederschap voor. Keren zij de pendel van het doorgeslagen individualisme weer richting de collectiviteit? Interessant idee, zegt Niango. ‘Ik ben zwart. Als ik in de banlieue kom, spreken zwarten me aan met broeder. Arabieren noemen me neef. Er is een gevoel van verbondenheid in het lijden, een fraternity of suffering zoals Hannah Arendt het noemde. Het zou zo mooi zijn als we ook tot een fraternity of joy zouden kunnen komen. Maar ik ben niet naïef. Het is waar, er zijn elementen in onze beweging die richting broederschap gaan. En ik ben zeker iemand die telkens weer verbindingen aangaat met nieuwe mensen. Eigenlijk speelt Macron er ook op in. Alleen gaat het bij hem om een broederschap van boven opgelegd, niet om gelijkheid. Hij is de opperbroeder en de rest moet hem volgen. Dat is niet echt broederlijk. Ik wil die leadersshit niet meer.’

Misschien willen we broederschap, meent hij, maar we hebben het niet. We zullen het ook niet hebben als het aan de politiek ligt. Want als we steeds na een verkiezing één winnaar hebben en de anderen moeten vijf jaar wachten tot de volgende kans kan er geen broederschap ontstaan. ‘Zo werkte het nu Macron won. Hij zei dat hij wilde samenwerken met iedereen, maar deed het niet. Hij wilde meteen de arbeidsmarkt per decreet veranderen, dat is geen broederschap.’

‘In mijn boek en met de beweging’, zegt Niango, ‘stel ik voor individualisme en de collectiviteit samen te brengen door per besluit iedereen te laten bekijken of hij erin mee kan. Dat zie ik meer als werken aan burgerlijke gelijkheid. Maar om die gelijkheid te realiseren is empathie nodig. In die zin ben je er niet met enkel een rationele houding. Als je het zo bekijkt is de emotionele empathie van broederschap nodig om burgerlijke gelijkheid tot stand te brengen en de mensen daar achter te krijgen.’

Uiteindelijk, zegt hij, gaat het om de complete driehoek van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Die moet in balans blijven wil een maatschappij goed functioneren. ‘Ik denk dat we in de laatste decennia te veel vrijheid in het overheersende discours hebben gekregen. Mensen voelen zich nu minder connected, al zijn ze dat technisch, via het systeem en via internet, juist meer. Ze zijn op zoek naar zichzelf, maar moeten antwoord vinden op de vraag: wie is wij? Ze moeten erkennen dat er geen tegenstelling kan bestaan tussen het individu en de gemeenschap. En daarvoor is een besef van broederschap nodig.’

Zijn geestverwant Hervo, die zijn dik betaalde baan in het zakenleven opzegde, stelt: ‘Mensen hebben te weinig tijd om na te denken hoe ze hun leven echt kunnen verbeteren en meer empathisch kunnen zijn. Mijn vrienden die meer dan honderdduizend euro verdienen zijn onder invloed van het geld. Die denken niet zoals mensen uit onze bewegingen en gunnen zich die tijd niet.’

Hervo is een documentaire aan het maken over hoe we onder invloed van geld voor een Frankenstein-dilemma staan. Tot de jaren tachtig functioneerde het kapitalisme. Toen werd het geleid door ondernemers die in eerste instantie makers waren die samen met de werknemers het bedrijf wilden laten groeien en geld meer als middel gebruikten. Daarna namen financieel managers het over. ‘Lobbyisten dachten alleen nog maar aan geld. In de EU heb je meer dan zeventigduizend lobbyisten, honderd keer meer dan parlementariërs. Het kapitalisme sterft aan zijn eigen ziekte. Ik kan me daar niet tegen verzetten. Ik ben geen marxist. Ik heb zelfs rechts gestemd. Maar het is om deze redenen dat ik probeer een bijdrage te leveren.’

Gevraagd naar wat meer nodig is: vrijheid, gelijkheid of broederschap, twijfelt hij geen moment: broederschap. ‘Om vrijheid en gelijkheid te laten werken, zodat iedereen vrij is en iedereen dezelfde kansen krijgt, moeten we broederlijk, empathisch en vriendelijk zijn: voor de Fransen en voor de Europeanen. Broederschap hebben we nodig, zelfs met onze verschillen. We hoeven elkaars wereld niet te begrijpen, maar we moeten accepteren dat we verschillend over zaken denken. We zullen het over sommige dingen eens zijn en over andere niet, maar we moeten broederlijk zijn.’


Bas Mesters was woensdag 22 november te gast bij Nieuws en Co op Radio 1 en sprak daar over het populisme in Europa en zijn reis langs een aantal Europese hoofdsteden. Luister het fragment hier terug.