De zappende borrelnootjesburger

Sinds enige tijd wordt ons cultuurbeleid verdeeld in ‘Kunstenplannen’: instellingen, gezelschappen en podia worden in perioden van ongeveer vier jaar gesubsidieerd. Daarna wordt bezien of men ‘door’ mag. Het volgende ‘Kunstenplan’ start medio 1997. De inleidende rituelen zijn ondertussen begonnen. Daartoe behoren tegenwoordig ook de zogenaamde ‘vooradviezen’. Een daarvan is in opdracht van staatssecretaris Aad Nuis geschreven door het adviesbureau Berenschot.

‘De toekomst bestaat niet’, lezen wij in het hoofdstuk waarin de techniek van het onderzoek voor dit rapport wordt uitgelegd. 'Speculeren over de toekomst kan wel, en betekent dat we een fantasiewereld moeten creeren. Daarbij helpt het denken in scenario’s.’
Het rapport schetst twee scenario’s voor het culturele leven in de eerste decennia van de eenentwintigste eeuw, te weten Hoofdstroom-Tegenstromen en Pluriformiteit. Hoofdstroom-Tegenstromen is nog het best uit te leggen als de tegenstelling tussen Grootste Gemene Deler en Kleinste Gemene Veelvoud. De Hoofdstroom kent cultuur- en consumptiepatronen die zich voltrekken langs dezelfde lijnen. Er ontstaat een dominante cultuur, die 'middle of the road’ wordt genoemd: snelle bevrediging & amusement, commercieel & grootschalig. In de tegenstromen wordt tegengas gegeven via kleine maatschappelijke groepen: jeugdcultuur, allochtonen, intellectuele elites. Model twee, Pluriformiteit, gaat uit van een verdergaande fragmentering van de maatschappij. Individualisme staat voorop, de kunstgenieters schakelen tussen uiteenlopende culturen en kunstuitingen. We bevinden ons in het domein van de calculerende en zappende burger. Er is een grote verscheidenheid aan podiumkunsten, het aanbod is vluchtig, interdisciplinair.
Het rapport kiest niet voor een scenario. Het stelt wel een aantal kwesties die een grote rol gaan spelen. Traditionele podiumkunsten (er wordt niet uitgelegd wat de onderzoekers daar precies mee bedoelen) zijn in beide scenario’s vooral bestemd voor de vijftig-plussers. De twintigers en dertigers zullen zich hoe langer hoe minder aangesproken voelen door literair toneel of door traditionele podiumprodukties. De 'kids’ zijn immers geboren in het tijdvak van de interactieve media. Het rapport schrijft: 'Vanuit het publiek gezien is de huidige vorm van podiumkunst uit-ontwikkeld.’
Ik vind het rapport op dit punt cultuurpessimistisch en slaafs. Het cultuurpessimisme begrijp ik, ook al deel ik het niet. De kiddo’s die na 1970 zijn geboren - opgegroeid met MTV, computerspelen en Nightmare on Elmstreet (I, II & III) - zouden verloren zijn voor toneel, dans en opera? Ik weet het niet. Goed, toneel, dans en opera zullen nooit het brede Phantom of the Opera-publiek halen. Maar dat wisten we al, die ontwikkeling is in gang gezet sinds het Elisabethaanse volkstheater door het in schouwburgen opgesloten burgerlijk toneel werd vervangen. In het seizoen 1992-'93 werden de 'traditionele podiumkunsten’ wel met bijna 1,7 miljoen bezoeken vereerd. Daaronder tweehonderdduizend kinderen en jongeren bij jeugdtheatervoorstellingen (de schoolvoorstellingen niet meegerekend). Zou die rijke jeugdtheatercultuur in Nederland niet van invloed kunnen zijn op de samenstelling van het publiek voor de podiumkunsten in de eenentwintigste eeuw? Is er nu al niet sprake van een verschuiving en verjonging van het publiek voor die podiumkunsten - door de belangstelling voor het werk van groepen als De Trust, Toneelgroep Amsterdam, maar ook voor Artisjok/NulTwintig, Carver en Suver Nuver? En hadden we niet afgesproken dat subsidies er vooral zijn om kunstenaars te beschermen die op het commerciele speelveld geen kans maken?
Het Berenschot-rapport De podiumkunsten na 2000 biedt intrigerend en hersenknersend lees- en denkvoer voor de theaterliefhebber. Maar in de conclusies en aanbevelingen hangen de oren weer slaafs naar 'de markt’. Dus wordt de lezer geconfronteerd met termen als: 'vraaggericht beleid’, 'distributie en publieksmarketing’, 'aanbod en afzet’. Wanneer houden de beleidsmakers in Nederland een keer op de kunsten te behandelen als fabrikanten van wasmiddelen en borrelnootjes?
Nooit, vrees ik.