Wat boffen we soms met de actualiteit! Ook nu weer: het korvet Cora heeft zichzelf met vrucht afgescheept en stoomt op in de richting van het sous-mariene mijnenveld waar dikke banen hapklaar voor het opvissen liggen.

En wij?

Teneinde het mitigeren te bufferen op algenruitschraperige en naar te vrezen zij pecuniaire grondslag – ongeacht wien het laatste loodje dreigt – wordt het nu, huilend met de lamp uit, speuren geblazen alom, her en der op de walvisspekgladde ecovloer (-logisch zowel als -nomisch), naar aanwas en introspectief-moreel-ideologische golfstroomgebektheid van zandkokerwormriffen (AVDN, p 22), vanwege de geniepige, als sint-elmuskoudvuur over de wijnkleurige baren en de (om maar een van de vele verkeersdeelnemende partijen te noemen) glijdende getijdetrajecten van watersnorfietsende zeekraalkwekers uitzwermende, uit talloos veel miljoenen kwektuiten en badkuiven groene waterstof sproeiende, tuimelaarachtig buitelende en kwaliteitssprongetjes in de handhaving makende, amechtig borrelende, als aangeschoten wild geclassificeerde drijfijssubspecies ‘botsend ruimtebeslag’ (Lin. confluens brutallica sp. novadomus) (Mal. bengbeng) (Chin. au dondrop piskop).

De zandkoker (we maken hier een zijsprong over de soortgrens) is – sinds de uitvinding van de lampenzwartinkt in China ten tijde van wat ook toen al verwaten bleekgezichten ‘de derde eeuw’ noemden, en sinds die van de galnotendito omstreeks de vijfde eeuw in het wat achterlijker Westropa – het bijdehandje van pennenlikkers oftewel bedreven schrijverkes van onbewuste articulaties: de zogeheten signifiants de la nature.

Dat kunt u nalezen bij Derrida, Lacan, Foucault & Co. Is er een signifié? Klinkt er een Poseidonderpreek, profetisch-pelagische boodschap vanuit de ochtige marges van het ruime sop? Kom op zeg, het grote boek, de grote bek van de zee, spiegel van het gehemel, behoeft geen signifié. Zandkokerwormen, krioelend zich opstapelend tot riffen, reusachtige theemutsonderwaterbubbels, zijn daar kind aan huis, ons kent ons, als goudkam, als kamkieuwworm, als pectinaria auricoma voor de post-Rumphius en pre-anti-kolonialistische era.

O rietbaai, mozaïsch papyrusbosket aan de gouden korrelzoom of brekebeensrotsblokkige steenstoep ener galoppe kracht en dichtbundige gevoelendaad vol aaiende, stompende en tegelijk lebberig-tastbare visceuze vloeiing, door Jules Michelet in La mer (1859, waar blijft de tijd) geduid als grondstof en levenssop, een zilt-zilverige substantie zoals vissen omkleedt, en zoals binnen in de stoerkorstige crustaceeën zich verschanst vanwege dier innerlijk delicate teerheid welke zo weinig onderscheid kent van het zeewater zelve, dat het woord ‘slobberig’ te expliciet, te ontvouwend, en zowat verkrachtend klinkt – zeg maar liever, nee fluister liever, ‘smeltend’, of ‘fluimfluïde’; alsof de gepassioneerde temperaturen in het stikkedonker der diepzeegronden uit organisch bezinksel van orgaanloos gebleven en toch al naar groter dan eencellig voortbestaan hebbende gesmacht – een tastend beweeg dat zichzelf opslikt want zo zattend zijnde, zo zoetzout en zalig, zo in zichzelf welhaast precellulair, kortom alsof dit diffuus leefwezen al dan niet beschulpt zich door de moerzee laat verleiden tot trouw aan gevangenschap in vrijheid, aan vrijheid in gevangenschap.

Want geluid, klank, de onuitputtelijk onvermoeide belofte, draagt zo verre doorheen dit element dat geen stilstand alleen stroming kent, dat hier al daar is en daar hier is voor je kon knipperen en oogleden had je toch al niet evenmin als oorschelpen, het permeabele tuig lag op de rand van waar je zinnenbinnenzee begon, waar het bloed stroomde dat, even eenvoudig als het zeewater (warme zilte pinkstergeest- en paaimelksoep opgeweld uit de geheime bronnen waar de hete diepschoot van de aarde van de wulpse planeet altoos tochtig vloeit; hier volgen we de tijdrekeningtabellen van de veda’s), van moeders bloedkoralen de mineralen en heur poudreuze couleuren leende; ja water maar vooral het summier geweven erin zwevende textiel, de lappige wuifdweilers van zeewezens met eventueel een inwendig of aanhangend skelet, waaromheen c.q. waarin dat slap-trillerige, wee-meegevend braaklustverwekkende, plastisch-gelatineuze amorf-transparante zich kostelijk amuseert; het lijkt wel een breinsubstantie, nog zich bezinnend op een treffend moment voor orgaanvorming, zweepstulping, tentaculaire verknoedeling, specialisaties als zich bekabelende, aderende samenballingen en verstrengeld meanderende spiraalconfiguraties, vanuit stijgingsdrang opverende, sloeiende wenteltrapverleidingen die evenwel zouden inluiden een opschorting wie weet voor altijd van dit droomgefaseerde halfslapende leven, ongehaast, ongedifferentieerd, onverwoord in de uitwisseling, die veeleer geschiedt via aquatische trillingen en resonanties, ja je kan van geluid spreken maar woorden ho maar, geen sprake van volgordelijkheid, golving is democratisch gelijkgerechtigd, denk aan de rijndochters met hun rijngoud, hoe zij, nog verre van het pas waarlijk heilzaam oceanische, al aanspoelen in elkaars zangklanken, ongeëvenaard gelijken zijnd maar voorbarig ondergaand in hun eigen geklots inluidend het botsend ruimtebeslag, het nationale van het sociale: de mens is een hoed op het zijn, mompelde uitziend over dit weemoedig kitschoverdropen avondrood der magiërs (wij willen ook een pensioen!) de veenplagger, de modderbelaarsde heide-egger, spraakwaterende windbuil landrot, maar wie gelooft hem nog behalve het overlegorgaan fysieke leefomgeving – zal het zijn zijn het hoedenplankje van de mensch? Evolutierend natuurschoon wagneriaans nu reeds sotto voce bulderend de toekomstige grootschalige uitrol van wind op zee.

De eik ruist in de zee
de zee ruist in de eiken

het schuim leeft
het leven schuimt

hoor oor

het orakel braakt eeuwenoude mensentaal,
sibyllen en sirenen oreren in volgordelijkheid

van dringend te mitigeren getijden, afkalvingen, oprottingen,

tot staakhouders, afbakenaars, roeptoeters, nettenboeters,

vaargeulbrigadiertjes – peristaltische reflexen van zelfbehouders
nu storm en vloed gaan huwen. ‘Een snelle invulling

zal ook tijd kosten.’ Volgende week patsboem

gaan we gas boren bij Ternaard, hand aan de kraan

zoutvuur in het bloed levenselixirlikeur

‘t is immers pruimentijd, de deemsterende zon –
o oude solex, antiek hangertje! – trekt stroperig

de netten uit de bovenkooi,

waterhoos van riffenberoering, en alweer

die grootschalige uitrol, ins blaue hinein
de prik heeft zijn mondschijf wijdopen z'n zussie lamprei

droomt van tweebenig bestaan, als wij uitgestorven zijn.


Met dank aan
Paul van Ostaijen
en
OFL: het Akkoord voor de Noordzee, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat