Ik keek en luisterde naar de zee – op afstand, aangezien ik niet kan zwemmen. (Mijn bezorgde ouders dachten dat ik in zwemles zou verdrinken: een grappige drogreden.)

Ik vroeg de zee of wij haar taal kunnen leren verstaan.

De zee antwoordde: wil je mijn taal verstaan, dan moet je je denken begraven; een denken dat jullie onbenullige graaiziekte, hebzucht, haat en strijdlust dient en mij tot een bak van jullie afval maakt.

Dan moet je de taal van de gewaarwording leren spreken. (Bij dat laatste woord lachte zij even.)

Luister naar mijn klanken, mijn aanroepingen, fluisteringen, frases, ritmes, golven en trillingen, crescendo en diminuendo, aanzwellend en dan weer afnemend.

Hoor hoe ik mijn flora en fauna draag en voed en wieg. Hoor ook mijn waarschuwingen en gebulder, en vooral mijn stiltes, diep, dreigend of vol vrede.

Voel mijn aanrakingen, gebaren van genegenheid, mijn kussen en mijn kreten – van verlangen, vervulling, vreugde en verdriet.

De tekens van mijn taal hebben genoeg aan zichzelf; ze zijn zonder betekenis.

De zee zweeg.

Voor het eerst hoorde en voelde ik, beginneling, iets van wat ze zei: de ritmiek van haar vloed en eb, haar deining en haar stroming, haar ziltige smaak, haar kracht en onmetelijke wijsheid.

Ik keek en luisterde en verdween in mijn kijken en luisteren. De zee sloot me in haar immense armen.


Jan Bor is filosoof