H.J.A. Hofland

De zeepbel van Bush

Vorige week zaterdag viel president Bush in Texas van zijn fiets, een mountainbike. Die avond verscheen hij niet op de feestelijke bijeenkomst van de Universiteit van Texas voor de studenten die hun doctoraal hadden gehaald, onder wie zijn dochter Jenna. Er werd rekening gehouden met demonstraties tegen de president. Maandagavond was hij, om dezelfde reden, ook niet op Yale University, waar dochter Barbara dezelfde prestatie had geleverd.

Ik ontleen dit nieuws aan een artikel van Elisabeth Bumiller in The International Herald Tribune van 24 mei. Iedere president, schrijft ze, leeft op den duur in het betrekkelijke isolement van een bubble, een grote zeepbel. Dat, voeg ik eraan toe, is het beroepsrisico van iedereen die ergens de machtigste met de laatste verantwoordelijkheid is. De directe omgeving heeft de neiging de baas zoveel mogelijk voor het slechte nieuws af te schermen. De baas weet niet goed meer wat er buiten en binnen de deur aan de hand is. Het beste is het dan, net als de Arabische vorst Harun al Rashid, je zo eenvoudig mogelijk aan te kleden en de straat op te gaan om de mensen te vragen wat ze van hun vorst vinden.

Zo niet deze president. Zijn directe omgeving bestaat uit mensen die het volkomen met hem eens zijn, zelfs meer dan hij zelf wist. Persconferenties zijn zeldzaam. Zijn publieke optreden bestaat uit monologen. Voor er een vraag kan worden gesteld is hij al weer vertrokken. Dezelfde sfeer en toon dragen zijn verzamelde toespraken, met hun beperkt aantal variaties op hetzelfde simpele thema van Goed en Kwaad en het onvermijdelijke refereren aan bijbelteksten. De bubble van Bush is groter dan die van andere presidenten, schrijft Bumiller. Zijn bubble is die van een ontoegankelijk wereldbeeld.

Er is nog een wet van de organisatiekunde: die van de coöptatie. Iedere chef heeft de neiging zijn naaste medewerkers te zoeken onder zijns gelijken. Deze president heeft zich omgeven met dogmatici van de hypermacht: het archetype Donald Rumsfeld, de ideoloog Paul Wolfowitz, de zwijgzame practicus Dick Cheney en de trouwe troubleshooter Condoleezza Rice. Zij heeft zojuist in Europa aan een keur van journalisten verteld hoe alles in Irak op zijn pootjes terecht zal komen als het oude werelddeel de leiding van Washington blijft volgen. Het is vooral interessant te lezen hoe ze de juistheid van de nu gevolgde koers van een historische rechtvaardiging voorziet.

Ik volg de tekst zoals afgedrukt in de Volkskrant van 18 mei. De veiligheidsadviseur vergelijkt de oorlog in Irak met de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog. Ook toen was de goede afloop aan het idealisme van de Amerikanen te danken. De vragenstellers waren beleefd. Een interview is geen debat. Maar moet je niet op de volgende pagina uitleggen hoe totaal verkeerd die historische visie is? Hoe bijvoorbeeld met vervalste bewijzen Saddam Hoessein met zijn roestige leger tot «een tweede Hitler» is herbouwd? Dat de Koude Oorlog niet voor niets koud genoemd wordt, omdat tussen de twee machtsblokken veertig jaar geen schot is gelost? Dat, als de toenmalige geestverwanten van mevrouw Rice hun zin hadden gekregen, we hier nu nog in een radioactieve puinhoop bivakkeerden?

Ze komt op de martelingen. Zeer betreurenswaardig. Maar dan zie je de democratie plotseling op haar best. De president maakt zijn excuus; de boosdoeners worden gearresteerd en berecht! Dat was onder Saddam heel anders. Zei mevrouw Rice. Zou het, als een stuk of wat van je soldaten zojuist zijn ontmaskerd, juist niet de gelegenheid zijn om over een voorbeeldige democratie te gaan praten? Dacht ik. Nee. We moeten blij zijn dat ze hier zo’n glasheldere demonstratie van de Washingtonse denkwereld heeft gegeven. Bekijk het van de zonzijde, vervolgde ze. Er zijn scholen en ziekenhuizen gebouwd. Dat haalt je de donder. Het zou al te gek zijn als de hypermacht niet in staat was geweest ook nog een paar stenen op elkaar te laten metselen.

Denken we nog even aan de plannen van voor de oorlog: verbreiding van de democratie in het hele Midden-Oosten, een Mar shall Plan, wederopbouw van Irak zoals dat ook zo goed in Duitsland en Japan is gegaan. En nu de burgeroorlog en de guerrilla tegen de Amerikanen tegelijkertijd, Paul Bremer en mevrouw Rice die allebei verzekeren dat de Amerikanen geen dag langer blijven dan de nog denkbeeldige Iraakse regering dat wil. De eertijds grootste vriend van de Amerikanen, de heer Chalabi, is inmiddels door de Amerikanen afgezet. Er moeten eerder meer dan minder soldaten heen. De improvisaties volgen elkaar op, halen elkaar in. Maar nog altijd houden de president en zijn directe omgeving vast aan het geloof dat de Amerikaanse macht groot genoeg is om met hun half theocratische maakbaarheids illusie uit de internationale puinhoop een voorbeeldige democratie te toveren.

Wat moet Europa doen? Hoe in Washington duidelijk te maken dat we hier tot de overtuiging zijn gekomen dat het zo niet gaat? Wachten op John Kerry? Of tot Bush herkozen wordt? Hoe bereikt Europa Washington? De Europese verkiezingen zouden een mogelijkheid bieden. Er was een kans geweest de Irak-politiek tot onderwerp van een Europees referendum te maken. Straks gaan de Navo en de G8 vergaderen. De herdenking van de invasie in Normandië, op 6 juni, wordt een informele topconferentie. Frankrijk denkt er niet aan onder de nu heersende omstandigheden troepen te sturen. Gerhard Schröder ziet geen rol voor de Navo in Irak zolang er geen duidelijkheid bestaat over de soevereiniteit en de rol van de VN. Dat alles blijkt niet genoeg te zijn. Europa wacht af. Dat is een passieve verwerping. In de Europese hoofdsteden moet een bruikbaar alternatief worden bedacht. Zo bruikbaar dat het doordringt tot de bubble van Washington.

Wat kan Nederland doen? Zijn troepen terughalen, voorwaardelijk, tot er een plan is dat uitzicht biedt op het einde aan het unilateralisme. Of anders: aandeelhouder blijven — met mensenlevens — in een failliete onderneming.