Architect van het huidige wantrouwen

De zege van Gingrich

In de jaren negentig blokkeerde Newt Gingrich in het Huis van Afgevaardigden iedere poging tot nieuwe wetgeving. Hij versterkte daarmee het idee dat de overheid mensen niet kan helpen. Dit wantrouwen zal Bush of Gore nog opbreken.

Wie had verwacht dat Newt Gingrich, de voormalige voorzitter van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, alsnog zou overwinnen? Terwijl de twee presidentskandidaten de afgelopen weken hun verkiezingen hebben gedegradeerd tot een juridisch steekspel en Bush blufpoker speelt door zijn overwinning aan te kondigen, heeft er op de achtergrond een belangrijkere ontwikkeling plaatsgevonden: de Republikeinen behouden de meerderheid in het Huis van Afgevaardigden en in de Senaat. De volgende president kan — omdat alle wetten door het Huis en de Senaat goedgekeurd moeten worden — niet om deze meerderheid en haar idealen heen.

In 1994 slaagde Newt Gingrich erin een einde te maken aan vijftig jaar vrijwel onafgebroken Democratische heerschappij. Gingrich viel de corruptie en het moreel verval bij de Democraten aan en blokkeerde iedere poging tot nieuwe wetgeving. Hij kreeg het voor elkaar om het vertrouwen in de federale overheid, en de partij die haar van oudsher bestuurde, te ondermijnen. Daarmee is hij de architect van het huidige in Washington heersende klimaat van wantrouwen. Nog steeds ontbreekt het de politici aan de overtuiging dat zij de problemen in de Amerikaanse samenleving aan kunnen pakken. Deze negatieve houding was al te vinden in het beleid van Clinton en zal onvermijdelijk ook zijn weerslag krijgen op het presidentschap van Bush of Gore.

De erfenis die Gingrich de Amerikaanse politiek heeft nagelaten is het idee dat de overheid niet in staat is om mensen te helpen. Hij slaagde erin om het beeld van een daadkrachtig presidentschap aan stukken te slaan. Ook de Democratische achterban lijdt aan deze overtuiging. Dit werd bewezen toen die tijdens de voorverkiezingen eerder in het jaar weinig steun gaf aan Bill Bradley die wel een actief, ambitieus beleid voorstond. Bovendien dragen geharrewar in Florida en de almaar uitgestelde uitslag onverwacht bij aan het beeld van een stuntelende overheid.

Gingrich richtte indertijd zijn welgekozen intellectuele provocaties tegen de heilige huisjes van progressief Amerika met als doel om normaal overleg in het Congres onmogelijk te maken. Desondanks besloten de Republikeinen in 1998 Gingrich te laten vallen. Zijn confronterende pogingen om de macht en het aanzien van de centrale overheid en de president te ondermijnen, gingen de kiezers te ver. De meerderheid van de Republikeinen werd teruggedrongen en Gingrich verliet de actieve politiek. Maar van zijn langetermijnambities werden alleen de scherpste kantjes afgehaald. Zijn ideaal — een terugtredende, zwakke federale overheid geleid door een kleurloze doch nette president — wordt echter in stand gehouden. Terwijl Gingrich ironisch genoeg zelf slachtoffer werd van zijn eigen promiscuïteit en ambivalente persoonlijkheid, krijgt Amerika nu een president die wel behoort te voldoen aan dit beeld. De nieuwe president treedt een symbolisch, maar inhoudelijk weinig opwindend presidentschap tegemoet. Dat is kwalijk want slechts de rijken zullen hier wel bij varen.

Het «conservatisme met compassie» dat Bush predikt is een poging de intolerante houding van Gingrich te doen vergeten. Maar inhoudelijk borduurt hij voort op het winnende programma van de voormalige voorzitter. Ook Bush vindt dat de overheid niet de zorg voor zwakkeren in de samenleving op zich moet nemen. Dat laat hij liever over aan private, religieuze instanties. Bush past er echter voor om de zwakkeren een trap na te geven. In tegenstelling tot andere Republikeinen mijdt hij de symbolische omgang met minderheden niet. Zo kan hij zich als verzoener presenteren. De houwdegens van Gingrich beheersen echter nog altijd het Congres.

Het feit dat het Huis zeker een Republikeinse meerderheid blijft behouden, bewijst dat Amerika veel conservatiever is geworden dan de paar dromerige progressieven die zich rond Ralph Nader verzamelden, durven toe te geven. De echte oppositie in Amerika is dan ook niet afkomstig van links, maar bevindt zich onder de aanhangers van de onafhankelijke Ross Perot en de republikein John McCain: zij willen de invloed van het grote geld op de politiek terugdringen. Maar door hun behoudendheid en traditionele normen en waarden is deze groep moeilijk in het Democratische kamp — dat inmiddels ook verslaafd is aan de geldmachine — te trekken

De Republikeinen willen, in navolging van Gingrich, lagere belastingen, geen groots opgezette federale programma’s, een sterk leger en vergaande lokale autoriteit. Het belangrijkste element van deze strategie is dat op lokaal niveau daar waar mogelijk de conservatieve idealen — beperking van het recht op abortus, beperking van de rechten van homoseksuelen, verruiming van wapenbezit en beperking van de milieuwetgeving — geregeld kunnen worden. In het Congres (Huis van Afgevaardigden en Senaat) moet polarisatie en wantrouwen heersen, terwijl de president zijn vingers niet hoeft te branden aan gevoelige onderwerpen. Maar Bush zal dit risico waarschijnlijk niet lopen omdat hij, behalve een belastingverlaging en de gedeeltelijke privatisering van de sociale zekerheid, geen grootse beleidsplannen heeft. De president heeft in deze visie een kleine rol te vervullen: naast bevelhebber van de strijdkrachten geldt hij vooral als symbool van morele standvastigheid. Een controversieel regeringsleider wordt niet geduld.

Zelfs Gore omarmde dit principe met zijn benoeming van de openlijk religieuze en principiële Lieberman als running mate. Tijdens de campagne durfde de vice-president geen grote nieuwe federale programma’s te presenteren. Zijn voorgestelde beleid had voornamelijk een symbolische waarde en zijn boodschap was slechts defensief: als spreekbuis van het normale hardwerkende gezin richtte hij zich tegen de macht van het bedrijfsleven. Doordat de vice-president de beperkingen van het presidentschap impliciet accepteerde, heeft hij de inhoudelijke verschillen tussen Bush en hem onvoldoende kunnen uitbuiten

Als Gore via de rechter alsnog de verkiezingsoverwinning zou binnenhalen, kan hij hoe dan ook op felle tegenwerking vanuit het Congres rekenen, met name als hij zou proberen om de problemen in het land aan te pakken. Het Republikeinse Congres kan weigeren wetgeving te bespreken en kan de benoemingen van de president vertragen en tegenhouden.

De president benoemt niet alleen ministers, rechters, en ambassadeurs, maar ook alle topambtenaren. Mocht Bush winnen — en daar ziet het wel naar uit — dan zullen dat vooral Republikeinen zijn, temeer daar de Senaat, die de benoemingen moet goedkeuren, die bij afwezigheid van een Democratische meerderheid niet kan blokkeren. Omdat het Congres een Republikeinse meerderheid blijft behouden, zullen bovendien zijn vele staffuncties door Republikeinen worden ingenomen. Duizenden Democraten zullen de komende maanden nieuw werk moeten zoeken. Ook de vakbonden, die veel geld en mankracht voor de Democratische verkiezingsinspanning leverden, zullen zwaar teleurgesteld zijn. Zij zijn de grote verliezers en zullen niet geneigd zijn weer op Gore te wedden. Gore zal in de komende maanden enorme interne kritiek te verduren krijgen — zeker als hij zich een slecht verliezer gaat tonen. De Democraten zullen voor de volgende verkiezingen hoe dan ook op zoek gaan naar een kandidaat met meer charisma.

Wat kunnen we de komende vier jaar verwachten als Bush de juridische strijd tegen Gore zal winnen? Bush heeft weinig beloftes gemaakt en heeft al aangekondigd, in tegenstelling tot de onvermoeibare Clinton, geen lange werkdagen te maken en beleid te delegeren aan specialisten. Zijn plannen voor de federale overheid hebben een overwegend negatief karakter: decentralisatie van de macht en minder aandacht voor de controlerende functies van de overheid. Dit betekent een slechtere naleving van de arbeidsvoorwaarden, van milieu-, anti-monopolie- en anti-discriminatiewetgeving.

De belangen van «gewone» werknemers, kleine beleggers en de vakbonden zullen ver van Washington op slinkse wijze worden ondergraven. Door de decentralisatie van sociale kwesties zullen de meeste controversiële punten niet op federaal niveau worden uitgevochten. Bush kan zich daardoor presenteren als iemand die boven de partijen staat. Zo zal het in vele delen van het land, met name in de conservatieve zuidelijke en westelijke staten, moeilijker worden om een abortus te krijgen zonder dat Bush hier verantwoordelijkheid voor hoeft te nemen.

Mocht Gore via de rechter toch nog winnen, dan wacht hem hetzelfde lot als Clinton. Vanaf 1994, toen Gingrich zijn offensief bekroonde, was Clinton permanent in het defensief. Zijn belangstelling voor buitenlandse politiek was een manier om zijn machteloosheid op binnenlandse terrein te verhullen. De paar resultaten die Clinton op binnenlands terrein boekte, kwamen tot stand door middel van die Republikeinse meerderheid. Met het ondertekenen van een wet waarin het recht op sociale bijstand werd afgeschaft, stelde de president zijn herverkiezing in 1996 veilig. Het rampzalige gevolg hiervan is dat bij economische tegenspoed miljoenen mensen hun inkomen verliezen. Geen enkele president, zelfs een doorgewinterde Republikein als Reagan, had het ooit aangedurfd om zoiets voor te stellen. Gingrich’ strategische successen bleken ook uit het feit dat zelfs de populaire Clinton de laatste paar jaar moest beloven de begrotingsoverschotten slechts te gebruiken om bestaande sociale programma’s te bekostigen. Hij ging over tot versnelde afbetaling van de staatsschuld in plaats van nieuwe impulsen aan armoedebestrijding of zorg en onderwijs te geven.

Hoewel Clinton erin slaagde om de aanvallen op zijn roerige presidentschap af te weren, lijkt Newt Gingrich uiteindelijk toch nog te winnen.