Luisteren

De Zeitgeist in eigen persoon

Brengt de muziek de Zeitgeist voort of drukt zij haar uit? ‘Tijdgeest’, je moet er een beetje in geloven. Het is een dooddoener eigenlijk, maar soms wel handig.

OP MIJN verjaardagskalender figureren sinds jaar en dag een dichteres, een acteur en een dirigent die, hoewel artistiek gesproken alle drie van onverdacht moderne snit, nooit verder dan pen en potlood zijn gekomen. Geen schrijfmachine, geen e-mail, geen internet. Twee van hen gaan bovendien zonder voicemail en zonder mobiel door het leven, en een is bij de grammofoonplaat blijven steken. Iets in mij ergert zich aan hen. Zij zijn de enigen die ik speciaal moet bellen of een kaartje schrijven als ik bijvoorbeeld van adres verander. En iets in mij benijdt hen, omdat zij kennelijk niet het gevoel hebben dat ze met hun tijd moeten meegaan. Zelf behoor ik tot de wat laffe categorie die de boot van de vooruitgang altijd net wél haalt, maar dan op het nippertje.
Misschien hebben ze wel gelijk, mijn dierbare fossielen. Waarom zou je met je tijd meegaan? Laat de tijd maar met jou meegaan. Geldt dat niet ook voor de kunsten die zij beoefenen, althans voor de beste voortbrengselen ervan? Bach liep ver achter op zijn tijd en Wagner meende ’m ver vooruit te zijn. En kijk wie van de twee als het erop aankomt het meest zit opgesloten achter de tralies van zijn eigen jaartallen. Toch?
Muziek en Zeitgeist, het minste wat je ervan kunt zeggen is dat muziek, meer dan enige andere kunst, het vermogen heeft zich zowel los te zingen van de tijd van haar ontstaan als de luisteraar ermee in contact te brengen. Toen ik deze zomer door de tuinen van het Château de Versailles wandelde, leek het alsof zich spontaan zijden kniekousen om mijn kuiten plooiden, terwijl er op mijn kop een bepoederde pruik groeide. Wat was het geval: achter alle struiken en bomen stond onzichtbaar - want lager personeel of waren het wel degelijk luidsprekers? - een immens leger van luiten, fluiten en violen opgesteld dat non-stop hofdansen van Lully speelde. Zo authentiek had zelfs Lodewijk XIV het nooit gehoord. Van wat mij onder normale omstandigheden al gauw doet geeuwen, kon ik nu niet genoeg krijgen. Ik voelde mij de Zeitgeist in eigen persoon.
Overigens had deze Lodewijk nog nooit van Zeitgeist gehoord, eenvoudig omdat het woord in zijn tijd nog niet bestond. Het is een typisch romantisch begrip, iets halverwege aura en aureool, je moet er een beetje in geloven, het is in hoge mate tautologisch, suggereert veel en verklaart weinig, een dooddoener eigenlijk, maar soms wel handig. Tijdgeest is voor het denken wat - excusez de vakterm - het verminderd septiemakkoord voor de muziek is: je komt ermee weg maar het lost weinig op. Politici die zich op de tijdgeest beroepen, doen dat bijna altijd bij gebrek aan deugdelijke argumenten.
Wijst het feit dat een beetje vakman in staat is een muzikale compositie al gauw op een kwart eeuw nauwkeurig te dateren inderdaad op zoiets als Zeitgeist? Of duidt dit eerder op het bestaan van een soort artistieke boomringen? En dan laat ik de opera en het lied voor het gemak buiten beschouwing, want zodra het gezongen woord in het geding is, spelen er andere krachten. Een vak als cultural studies maakt er een sport van om de mindset van zowel de tijd als de maker op heterdaad te betrappen en het kunstwerk bij voorkeur te ontmaskeren als wolf in schaapskleren. Zo schijn je aan de Negende van Beethoven te kunnen horen dat Beethoven een misogyne naarling was.
Maar goed, er zij tijdgeest. Vervolgens luidt de vraag: brengt de muziek haar voort of drukt zij haar uit? Allebei, ben ik geneigd te zeggen, afhankelijk van zowel het talent als het oogmerk van de kunstenaar. Want óf je maakt haar, óf je gehoorzaamt haar. Helaas is de kwestie er minder een van keuze dan van talent. En ook wel van houding. Sommige muziek walmt ervan, vooral die van de laatromantiek. Hoe subjectiever, of liever: egotistischer de klanken, hoe eerder gedateerd. De componist die erg met zichzelf bezig is, zoals - met permissie - Mahler, staat per definitie meer in het krijt van zijn tijd dan de zichzelf wegcijferende naïeveling, zoals - met permissie - Bruckner.
En is er nog het kleine broertje van de tijdgeest: de mode. Ook hier geldt dat je haar produceert, bespeelt, negeert óf naar haar pijpen danst. Nu is dat bespelen makkelijker gezegd dan gedaan. Zelfs de briljantste voortbrengselen van de onvermoeibare paardans tussen hohe Kunst en lichte muze, ook wel bekend als de ‘jaren twintig’, zijn ernstig aan slijtage onderhevig. Zoals de dansen van Lully op hun best zijn in de tuinen van Le Nôtre, zo houden de jazzy ritmen waar Franse en Duitse componisten zich in het interbellum aan laafden ’t beste stand in een sfeer van gleufhoeden en lakschoenen.
Vroeger citeerde ik graag Strawinsky, die zei dat er volgens hem maar één manier was om aan Hollywood te ontsnappen, namelijk door er te gaan wonen. Hij deed dat zelf in de jaren vijftig en zou er inderdaad, net als Schönberg vóór hem, de minst hollywoodse muziek die je je kunt voorstellen componeren. In het hol van de leeuw pas je kennelijk op je tellen, concludeerde ik hieruit. Nu denk ik: Strawinsky was een genie en genieën hebben makkelijk praten. Zij hebben namelijk een geheime transformator: wat je er ook instopt, het komt er altijd als nieuw uit.
Zeitgeist, dat is meer iets voor het artistieke voetvolk.