Andrew Lycett, Dylan Thomas: A New Life

De zelfdestructie van een dichter

Andrew Lycett

Dylan Thomas: A New Life

The Overlook Press, 434 blz., $ 35.00

Oh as I was young and easy in the mercy of his means,

Time held me green and dying

Though I sang in my chains like the sea.

Zo luiden de slotregels van Fern Hill, het gedicht waarin Dylan Thomas het paradijselijke stukje Wales bezong waar veel van zijn familieleden woonden en dat voor hem een symbool bleef voor de hoogtepunten van zijn jeugd. De drie regels zijn in verschillende opzichten karakteristiek voor de dichter.

Allereerst is er hun licha melijke karakter: «groen en stervend» zingt de bard in zijn kettingen «als de zee». Thomas’ poëzie bevat een veelheid aan zulke beelden en metaforen, die de exis tentiële ondervindingen van het lichaam uitdrukken: geboorte, seks en dood. In een brief aan zijn jeugd vriendin Pamela Hansford Johnson stelde Thomas dat «elk idee, intuïtief of intellectueel, kan worden verbeeld en vertaald in termen van het lichaam, zijn vlees, huid, bloed, pezen, aderen, klieren, organen, cellen of zintuigen».

Tot zijn poëtica behoort verder – en ook dat zit in de geciteerde regels – dat een versmelting van het organische en het lyrische ontstaat door de autonome kracht van de vorm. Hun rangschikking in een eerder ongekend verband maakt dat de betekenis van woorden wordt opgerekt en veranderd. De dichter wil de woorden een nieuw leven geven: «Ik wil niet enkel uitdrukken wat andere mensen hebben gevoeld; ik wil iets wegscheuren en tonen wat ze nog nooit hebben gezien.» Maar wat voor de dichter Dylan Thomas misschien toch het meest kenmerkend is, nog steeds aan die drie regels: deze drukken het bewustzijn uit dat de verrukkingen van zijn jeugd voorbij zijn. Fern Hill is onderdeel geworden van een onbereikbaar verleden, dat alleen nog maar kan worden geïdealiseerd. Precies zoals in zijn laatste voltooide werk, het «spel voor stemmen» Under Milk Wood, het fictieve Welshe stadje Llareggub een romantisch-nostalgisch monument is geworden voor Thomas’ woonplaats Laugharne. Dit terwijl hij dat oord toch menigmaal met grote gretigheid was ontvlucht: naar Londen, met zijn redactielokalen en (vooral) zijn kroegen, of naar de Verenigde Staten, waar hij aan de borsten van filmster Shelley Winters had mogen voelen en over de bloembedden van Charlie Chaplin had geürineerd.

Thomas’ poëzie – volgens hemzelf zijn «ongeneeslijke ziekte» – kan beter worden gehoord dan gelezen. De dichter was zich daarvan bewust. Zijn werk is oratorisch, lyrisch, priesterlijk. De taal is die van een magiër die zijn eigen lichaam celebreert. Het is misschien geen wonder dat de betekenis vaak slechts intuïtief kan worden verstaan. Zelf schreef Thomas de duisternis van zijn gedichten toe aan «de kosmische betekenis van de menselijke anatomie». Andrew Lycett, minder hoog gestemd, zoekt de verklaring daarnaast in ’s dichters onvermogen met de gewone werkelijkheid om te gaan. Een even nuchtere opmerking maakt Lycett over de grotere toegankelijkheid van Thomas’ latere werk: die zou te maken hebben met de papierdistributie van kort na de oorlog, waardoor de mogelijkheid van excessieve en bloemrijke uitweidingen werd beperkt.

Behalve een natuurlijke flair met woorden bezat Thomas een hoogst sonoor stemgeluid, door hemzelf ooit zijn «evangelistische trombone» genoemd. De zwaartekracht van deze eigenaardigheden dreef hem als vanzelf naar de radio. Bij de BBC kon hij steevast terecht voor een schnabbel als voordrager van zijn poëzie en die van anderen, of als stem in een documentaire. (Voor een vaste baan werd zijn levenswijze te onvoorspelbaar geacht.) Het aanhoren van de voortbrengselen van deze bevlogen woordensmid, gelanceerd met de machtig orgelende stem die ook op grammofoonplaten is vastgelegd, zou de indruk kunnen wekken dat Thomas zijn poëzie met speels gemak op papier kreeg, maar het tegendeel is waar. Zo kostte de eerste regel van In the white giant’s thigh («Through throats where many rivers meet, the curlews cry») de dichter drie weken. In het vers is het motief van een prehistorisch monument en vruchtbaarheidssymbool gekoppeld aan dat van een haperende poëtische vruchtbaarheid.

Andrew Lycett, Thomas’ nieuwe biograaf, overtreft voorgangers als Constantine FitzGibbon (1965), Paul Ferris (1977) en Andrew Sinclair (1999) wat betreft de compleetheid van de bijeengebrachte informatie, en zijn werk verdient het om tot nader order de standaardbiografie te blijven. Soms dreigen de feiten, bijzonderheden en details elkaar van de bladzijden te dringen. Over de ontelbare dronken gedragingen van de dichter – variërend van het uit zijn schoen leegdrinken van een fles dure bordeaux tot het in zijn neusgat duwen van een overhemdknoop en die er niet meer uit kunnen krijgen – wordt de lezer naar behoren ingelicht. Van een werkelijk nieuwe invalshoek is intussen geen sprake. Lycetts boek bevestigt wat al bekend was sinds de studie van Paul Ferris en de publicatie van de nagelaten notitieboekjes van de poëet: zijn adolescentie is de grote impuls tot zijn dichterschap geweest. In 1941 – hij was 26 jaar – verkocht Thomas, door geldnood gedreven, de notitieboekjes met poëtische invallen uit zijn jeugd. Meer dan tachtig procent van zijn oeuvre als dichter was toen al gepubliceerd. Veel van zijn poëzie ontstond in enigerlei vorm tussen zijn zestiende en twintigste jaar.

Er kan weinig twijfel over bestaan: het feit dat Dylan Thomas poëtisch min of meer droog is komen te staan, is voor hem een tragedie geweest, alle prachtige anekdoten en uiterlijke komedie ten spijt. Hier moet ook de reden liggen van de zelfvernietigende tendens die zijn leven te zien geeft: zijn alcoholverslaving en zijn gedrag als klaploper.

Andrew Lycett deed een poging door te dringen in Thomas’ psyche. Hij verwijst naar «freudiaans geïnspireerde commentatoren» (hun namen blijven onvermeld) die Dylan Thomas een castratiecomplex toedichten, mogelijk een gevolg van de al te beschermende opvoeding die zijn overbezorgde moeder hem gaf. Aan het slot van zijn boek maakt Lycett daarentegen duidelijk dat naar zijn mening Thomas’ zelf destructie is voortgekomen uit diens huwelijk. Uit zijn relaas blijkt stellig dat de beide alcoholisten Dylan en Caitlin Thomas een gedoemde relatie hadden. Het lijkt erop dat ze in elkaar hun allerslechtste neigingen hebben versterkt.

Toch moet het opdrogen van Thomas’ creatieve vermogens gelden als de meest aannemelijke verklaring voor zijn vlucht in de drank. De grondtoon van zijn poëtische thematiek is de onvermijdelijkheid van de dood, het verval dat al intreedt bij het kind: «I see you boys of summer in your ruin./ Man in his maggot’s barren.» Uit Under Milk Wood en ook uit Portrait of the Artist as a Young Dog – prozavertellingen waarin de auteur in poëtisch getinte en meeslepende bewoor dingen een reconstructie van zijn jeugd beproeft – komt het beeld naar voren van een verloren paradijs: het Wales van Thomas’ jeugd. Met zijn werk heeft hij getracht daarvan de essentie vast te houden tot dit niet langer ging. Het gelukkige verleden werd onontkoombaar de steeds verder terugwijkende tijd toen zijn dichtader volop vloeide.

Resteerden nog de rollen van showman, grappenmaker en gedoemde dichter: de «Rimbaud van Cwmdonkin Drive» (jeugdadres in Swansea). Van dichter was Dylan Thomas «performer» geworden, wiens dronken gedragingen bijdroegen aan zijn wereldroem. Toen een alcoholvergiftiging tijdens een lezingentournee in de Verenigde Staten hem de das omdeed, was hij 39 jaar.