Sahra Wagenknecht tijdens een bijeenkomst van Die Linke, Berlijn, 11 januari 2019 © Britta Pedersen / dpa Picture-Alliance / ANP

De Duitse verkiezingen verschillen niet veel van de Nederlandse. Net als hier zijn de begroting, de staatsschuld, migranten, het klimaat en banen, banen, banen de voornaamste onderwerpen van politieke strijd. Net als hier zijn de stellingen tussen de verantwoordelijken enerzijds en de onverantwoordelijken anderzijds, tussen de bestuurders en de populisten, tussen gevestigden en uitdagers, allang betrokken. Net als hier zijn de rechts-populisten stevig verankerd in de Bondsdag en daarbuiten en zijn ze geen serieuze gesprekspartner, terwijl de gevestigden stilzwijgend hun migratiestandpunt allang in rechtse richting hebben aangepast. En net als hier zijn De Groenen de partij die op het punt staat – al een tijdje – om van het ene kamp naar het andere te gaan: van de oppositie naar de bestuurders.

Toegegeven, door de kiesdrempel van vijf procent is het wat moeilijker om de Bondsdag in te komen, is het aantal partijen wat kleiner, de fragmentatie wat minder geprononceerd en is de coalitievorming wat makkelijker dan bij ons. De debatten zijn wat diepgravender, politiek draait wat meer om dossierkennis en wat minder om oneliners, is wat meer een zelfstandige professie dan hier, schurkt wat minder tegen het BN’erschap aan, en er staat in de Duitse politiek, gezien de omvang en rol van het land in de wereld, nu eenmaal altijd wat meer op het spel, waardoor het politieke spel wat ernstiger is.

Hetzelfde geldt voor de pers: de praatprogramma’s zijn langer, de journalisten beter ingevoerd, de antwoorden complexer en feitelijker, en het vitriool is wat giftiger dan bij ons, waar door de schaal van het land en de beperkte omvang van de elite altijd de kans bestaat dat je elkaar snel weer tegenkomt en je dus gedwongen wordt om altijd met meel in de mond te praten. Maar im grossen und ganzen verschilt de Duitse politiek niet wezenlijk van de Nederlandse.

Op een uitzondering na. De Nederlandse politieke arena ontbeert een Sahra Wagenknecht – en dat valt, zeg ik er meteen maar bij, zodat u weet waar ik sta, zeer te betreuren. Dit unieke politieke fenomeen geeft sinds jaren mede leiding aan de socialistische partij Die Linke, die bij de laatste Bondsdagverkiezingen 9,2 procent van de stemmen wist te bemachtigen en daarmee 69 van de 709 zetels wist te veroveren. In de Duitse context is Die Linke dan ook een kleine partij en moet zij normaal gesproken in de strijd om de publiciteit het onderspit delven tegen de veel grotere, soepeler draaiende partijmachines van de spd, de cdu en zelfs van De Groenen. Toch weet Wagenknecht nu al maanden de Duitse media te domineren.

Geboren in 1969 in de toenmalige DDR is deze dochter van Iraans-Duitse ouders opgevoed door haar grootouders in Oost-Berlijn. Ze studeerde filosofie en Duitse literatuur in Jena en Berlijn, gevolgd door een master aan de Rijksuniversiteit Groningen, die zij afsloot met een scriptie over de kritiek van de jonge Marx op het werk van Hegel. U weet wel: de Marx die zei dat filosofen tot nog toe hadden geprobeerd de wereld te begrijpen – en daar bedoelde hij vooral de idealistische Hegel mee – en dat het er nu om ging haar te veranderen – en daar bedoelde hij vooral zichzelf mee. Tien jaar later volgde een promotieonderzoek in de economie aan de Universiteit van Chemnitz, dat uitmondde in een dissertatie met als titel: The Limits of Choice: Saving Decisions and Basic Needs in Developed Countries. Daarin liet zij zien hoe de staat de spaargelden van zijn burgers zou kunnen gebruiken om de dagelijkse behoeften van diezelfde burgers te bevredigen. Ondertussen was zij al jaren zeer politiek actief. Lidmaatschap van de regerende Oost-Duitse Communistische Partij was vrijwel verplicht als je als burger een min of meer normaal leven wilde leiden. Minder vanzelfsprekend was Wagenknechts rol binnen de erfopvolger van de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (sed), de Partei des demokratischen Sozialismus (pds), in het bestuur ervan. Daaruit sprak een politiek engagement dat het gewone partijlidmaatschap ver te boven ging. Waar Wagenknecht kwam, was evenwel ruzie. Uitgesproken, belezen, argumentatief sterk, altijd goed gekleed en gekapt en uitgerust met een onwrikbaar rechtvaardigheidsgevoel heeft ze altijd vastgehouden aan de antikapitalistische principes van het socialisme en is zij daardoor wars gebleven van politieke modes waar minder ideologievaste politici nogal eens een handje van hebben. Ook die in eigen partij.

Het leidde ertoe dat ze in 1995, zes jaar na Die Wende, toen de partij streed voor haar voortbestaan en niet herinnerd wilde worden aan het eigen stalinistische verleden, uit het bestuur werd gegooid wegens te geringe inschikkelijkheid. Het was het begin van een moeizame relatie met het partij-apparaat. Te links, te marxistisch, te uitgesproken, te onverzoenlijk, te weinig compromisbereid: het zijn terugkerende thema’s in de politieke carrière van Wagenknecht.

Het zijn ook de thema’s die ten grondslag lagen aan de vele pogingen die Wagenknecht de afgelopen decennia heeft gedaan om links weg te voeren van het neoliberalisme van de derde weg van marktwerking, globalisering en meritocratie en terug te voeren naar de basisprincipes van het socialisme: van ieder naar zijn mogelijkheden, voor ieder naar zijn behoeften, geheel conform het model dat zij in haar dissertatie had uitgewerkt. Van de antikapitalistische stroming in Die Linke tot, recentelijk, het bovenpartijdige Aufstehen waaraan, naast Wagenknecht en haar echtgenoot Oskar Lafontaine, oud-minister en -parlementslid voor de spd, bijvoorbeeld ook de eurosceptische socioloog Wolfgang Streeck zich had verbonden.

Uit onvrede met de economisch pragmatische houding van Die Linke en de steeds grotere bereidheid van de partij om modieuze progressieve thema’s als gender, diversiteit, homorechten en migratie te omarmen en daarmee zijn traditionele arbeideristische achterban van zich te vervreemden, deed Wagenknecht steeds vaker uitspraken die het partijbestuur en een deel van de achterban zwaar op de maag lagen.

Wagenknecht zegt de dingen die vele kiezers denken en zeggen maar die in het glazen huis van de Bondsdag niet worden geapprecieerd. Dat Duitsland een migrantenprobleem heeft, bijvoorbeeld. Dat de euro een ramp is voor de gewone Duitser. Of dat klimaatsubsidies een speeltje voor de rijken zijn. Dat de Duitse politiek gegijzeld is door de exportsector. Of dat wokeness botst met de conservatieve levensstijl van de Duitse arbeider. Dat klasse belangrijker is dan identiteit, bijvoorbeeld. Dat het conservatisme van de Duitse gewone man en vrouw niet per se seksistisch of racistisch is maar een uiting is van respect voor overgeleverde tradities. En zij doet dat in een taal die iedereen kan verstaan. Het verklaart de afkeer van het politieke establishment van Wagenknecht. Het verklaart tevens haar populariteit onder het Duitse electoraat en de fascinatie van een deel van de Duitse media voor haar standpunten en de wrevel onder de elite die zij veroorzaken.

Het zijn precies deze ingrediënten die haar deze zomer tot een vaste gast in de Duitse talkshows en dag- en weekbladen hebben gemaakt. En die een deel van haar partijgenoten zo woest hebben gekregen dat zij een royementsprocedure tegen hun eigen parlementskandidaat zijn begonnen. Het conflict spitste zich toe op de bestseller die Wagenknecht begin dit jaar publiceerde en die maandenlang bovenaan heeft gestaan van de non-fictie-bestsellerlijst van Der Spiegel, een van de meest vooraanstaande opinieweekbladen van Duitsland.

Dat boek, Die Selbstgerechten geheten, in goed Nederlands ‘De zelfgenoegzamen’, is een frontale aanval op wat Wagenknecht omschrijft als links-liberalisme. Daaronder verstaat Wagenknecht een links levensgevoel dat vooral bezig is met het etaleren van de eigen progressieve deugdzaamheid en zich daarbij toondoof houdt voor de verdelingseffecten van de eigen privileges. Het basisinzicht van Die Selbstgerechten is dat groene politiek en regenboogpolitiek tegelijkertijd verdelingspolitiek zijn. En dat iedere progressieve politicus die dat over het hoofd ziet vanwege het grotere doel van diversiteit en het redden van de planeet in feite geen linkse politicus genoemd mag worden, omdat hij van de weeromstuit vooral de belangen behartigt van de gegoede, universitair geschoolde middenklasse.

Een voorbeeld: wie inzet op quotaregelingen voor meer diversiteit in de besturen van ondernemingen en instellingen spendeert schaars politiek kapitaal aan het verbeteren van de positie van werknemers die toch al tot de meest geprivilegieerden van de samenleving behoren. Niet alleen hebben vrouwen, migranten, homo’s en andere kwetsbaren aan de onderkant van de samenleving, waar de uitbuiting en achterstelling het grootst zijn, hier hoegenaamd niets aan. En niet alleen kan politiek kapitaal maar één keer worden uitgegeven en gaan deze inspanningen dus ten koste van bijvoorbeeld politieke druk om te zorgen voor meer en betere sociale huisvesting, onderwijs en kinderopvang, waar iedere burger wat aan heeft, en kwetsbare burgers waarschijnlijk meer dan gegoede burgers. Ook helpen dit soort initiatieven de bestaande, meervoudige ongelijkheden producerende kapitalistische machine aan een sluier van progressiviteit en verminderen zij dus de politieke mogelijkheden om stappen te zetten naar daadwerkelijk andere machts- en bezitsverhoudingen.

Nog een voorbeeld: wie klimaatverandering wil bestrijden door subsidieregelingen voor de aanschaf van groene technologieën (zonnepanelen, warmtepompen, elektrische auto’s) te introduceren, bedrijft verdelingspolitiek. Het zijn de rijken en welgestelden die over het kapitaal beschikken om de uitgaven voor groene technologieën te kunnen voorschieten en vervolgens door de rest van de belastingbetalers in de vorm van subsidies weer vergoed te krijgen. En dus rijden de hoogopgeleide welgestelden vrijwel gratis een Tesla, verwarmen zij hun huis vrijwel voor niets en ‘tanken’ zij ook vrijwel voor niets dankzij de gesubsidieerde zonnepanelen op hun dak. En dat allemaal uit de zak van de achtergestelden die nimmer de bedragen op tafel kunnen leggen om in aanmerking te komen voor subsidies maar wel via hun belastinggelden bijdragen aan deze collectieve uitgaven.

‘Het identiteitspolitieke links-liberalisme construeert belangen die er überhaupt niet zijn’

Daar komt bij dat het leeuwendeel van de humanitaire voetafdruk wordt veroorzaakt door de rijken. En dat geldt niet alleen op mondiaal niveau: het zijn de rijke, relatief bevolkingsarme landen in West-Europa en Noord-Amerika die verantwoordelijk zijn voor de ecologische schade, niet de arme, bevolkingsrijke landen in het mondiale zuiden, zo leren de cijfers van World in Progress. Het geldt ook op nationaal niveau. Rijken veroorzaken veel meer ecologische schade dan armen. Voortbouwend op data van de Franse econoom Thomas Piketty uit 2015 heeft Oxfam-Novib vorig jaar samen met het Stockholm Environment Institute geprobeerd er een prijskaartje aan te hangen. Uit hun zogenaamde dinosauriërgrafiek blijkt dat de armste helft van de wereldbevolking verantwoordelijk is voor slechts vier procent van de emissiegroei tussen 1990 en 2015. De middenklasse is verantwoordelijk voor pakweg de helft van de emissiegroei over diezelfde periode. De tien procent rijksten zijn verantwoordelijk voor de andere helft.

Deze inzichten leveren in Die Selbstgerechten brisante zinnen op, zoals: ‘Het identiteitspolitieke links-liberalisme, dat mensen ertoe uitnodigt hun identiteit te laten samenvallen met hun etnische afkomst, hun huidskleur of hun seksuele voorkeur, construeert niet alleen belangen die er überhaupt niet zijn. Het splijt ook, waar samenwerking juist van het grootste belang is. Dat doet het links-liberalisme door minderheden constant te definiëren aan de hand van hun verschil met de meerderheid en leden van deze minderheden er vervolgens toe op te roepen zich van de meerderheid af te wenden en zich op te sluiten in een eigen standpuntgetto. Begrijpelijkerwijs leidt dat bij de meerderheid tot het gevoel dat de eigen belangen anders zijn dan die van etnische, racistische of seksuele minderheden… Het links-liberalisme zekert daarmee de cultureel-politieke versplintering van de middenklasse en voorkomt daarmee dat politieke meerderheden voor een daadwerkelijk andere toekomst überhaupt van de grond komen.’

En daarmee voegt Die Selbstgerechten zich bij een lange reeks van publicaties die de laatste jaren zijn verschenen, die proberen de oorzaak van het aanwijsbare politieke ongenoegen niet te leggen bij het vermeend onverlichte, seksistische en racistische karakter van het achtergestelde, praktisch opgeleide deel van het electoraat. Maar juist bij hun daadwerkelijk toegenomen sociaal-economische onzekerheid die het gevolg is van beleid dat op de maat van de academisch geschoolde geprivilegieerden is geschreven, die dat bovendien hardvochtig, met een beroep op eigen verdienste, aan de achtergestelden als de beste van alle mogelijke werelden proberen te verkopen. Ik doel dan op veelgeprezen boeken als Arlie Hochschilds Strangers in Their Own Land, J.D. Vance’s Hillbilly Elegy, Joan Williams’ White Working Class, Thomas Franks Listen Liberal!, Death of Despair van Anne Case en Angus Deaton, Chris Arnade’s Dignity, Katherine Cramers The Politics of Resentment, Didier Eribons Terug naar Reims, Michel Houellebecqs Serotonine, Édouard Louis’ Ze hebben mijn vader vermoord en Ron Meyers De onmisbaren.

Sahra Wagenknecht staat de pers te woord, Berlijn, 2 april 2019 © Wolfgang Kumm / dpa Picture-Alliance / ANP

Het was niet makkelijk een interview met Wagenknecht te arrangeren. Uiteindelijk bleek een interview per Zoom of Skype wegens publicitaire en politieke drukte te veel gevraagd en moest ik genoegen nemen met een uitwisseling per mail, die hieronder staat afgedrukt.

Wie zijn de zelfgenoegzamen uit de titel van uw boek? Ik ben het woord in de tekst zelf niet meer tegengekomen.

‘Dat zijn de welgestelde, universitair geschoolden die tegenwoordig onze binnensteden bevolken, daar hun hipsterachtige levensgevoel aan anderen opdringen, zichzelf als “links” begrijpen en anderen voorschrijven hoe zij moeten denken, hoe zij moeten leven en vooral welke woorden zij wel en welke zij niet mogen gebruiken.’

Waarom is het links, breed gedefinieerd, niet gelukt om de crises van het neoliberale kapitalisme van de laatste twintig jaar (kredietcrisis, eurocrisis, coronacrisis) te vertalen in electorale winst? Noch in Nederland, noch in Frankrijk, noch in Duitsland?

‘In de meeste Europese landen bestaat wel degelijk een electorale meerderheid voor politiek die streeft naar minder economische ongelijkheid en meer sociale zekerheid. Deze kiezers zijn een dergelijke politiek echter steeds minder gaan associëren met politieke partijen die zich “links” noemen. “Links” staat niet meer voor de zaak van de achtergestelden maar voor de zaak van de academisch geprivilegieerden. “Links” verwijst naar een wereldvreemd, academisch debat over diversiteit en inclusiviteit dat met de geleefde werkelijkheid en de reële problemen van gewone mensen niets van doen heeft en door hen zelfs als belerend en denigrerend wordt ervaren. Dat is de reden waarom grote delen van de traditionele achterban zich van zichzelf “links” noemende partijen hebben afgewend.’

Wat is ’t probleem met ‘woke’ links-liberalisme?

‘Ze vertegenwoordigen niet langer de maatschappelijke klasse waarvoor linkse partijen ooit zijn opgericht: mensen met kleine loontjes, kleine pensioenen, die in kennissamenlevingen als de onze steeds minder kansen hebben op opwaartse sociale mobiliteit. De debatten over woke en identiteit vinden in een relatief geprivilegieerd milieu plaats en worden gekenmerkt door zich steeds extremer manifesterende intolerantie en illiberalisme. Wanneer iedereen die ook maar een beetje afwijkt van het links-liberale geloof compromisloos in de hoek wordt gezet – en dat gebeurt in toenemende mate: zie de cancelling op sociale media – spek je als politicus uiteindelijk de rechtse politieke krachten. Omdat de conversatie wordt weggelokt van de sociaal-economische fundamenten van het goede leven voor iedereen.’

In uw boek citeert u de radicale econoom Marx drie keer en de Ierse grondlegger van het conservatisme en antirevolutionair Edmund Burke maar liefst zes keer. Hoe kan het conservatisme van Burke een inspiratiebron voor links zijn?

‘Burke was uiteraard een rasconservatief, wiens hoofdmotief het behoud van de bestaande machts- en bezitsverhoudingen was. Op een punt had hij echter groot gelijk, en dat hebben linkse partijen tot hun eigen schade en schande over het hoofd gezien: tradities en gewoontes zijn een belangrijke randvoorwaarde voor het functioneren van een solidaire samenleving. Mensen hebben een aangeboren behoefte aan stabiliteit, zekerheid en vertrouwde omgevingen, willen niet alleen groots en meeslepend leven. Dat mogen linkse partijen niet vergeten. Integendeel, linkse partijen zouden juist deze behoeften als politieke wapens moeten inzetten tegen de neoliberalen, die met hun politiek van ontketende mondiale markten deze behoeften constant met voeten treden.’

‘Een fors deel van links heeft meegewerkt aan de ontmanteling van de verzorgingsstaat’

In uw boek spelen technocratische economen nauwelijks een rol bij de verklaring van het electorale verlies van links. Waarom?

‘Een fors deel van links, in Duitsland bijvoorbeeld de spd en in Nederland de pvda, heeft inderdaad geheuld met het neoliberalisme en meegewerkt aan de ontmanteling van de verzorgingsstaat. Natuurlijk is dat ook een oorzaak geweest van het massale vertrouwensverlies en de kiezersvlucht uit het linkse kamp. Maar Die Linke, en in Nederland de SP, heeft zich daar nooit mee ingelaten, sterker: die hebben zich er actief tegen verzet en zijn politiek dus niet verantwoordelijk voor kortingen op de pensioenen en het flexibiliseren van de arbeidsmarkt. Maar ook Die Linke heeft kiezers massaal zien weglopen. En dat komt doordat ook in mijn partij beeldbepalende politici zich hebben geprofileerd op moderne, links-liberale thema’s in plaats van op breed levende vragen over sociale gerechtigheid.’

En de media? Ook daar bent u relatief mild over. Ook al is door het verdwijnen van de klassieke ledenpartij de pers de cruciale bemiddelaar geworden tussen publiek en politiek en is de rol van de pers daarmee nog bepalender geworden.

‘De media zijn uiteraard medeverantwoordelijk voor het echec van links. Door hun fetisj voor de macht maken zij het radicale partijen als Die Linke moeilijker om hun boodschap over het electorale voetlicht te brengen. Dat is desondanks een onvoldoende verklaring. Radicale rechtse partijen hebben namelijk ook de meeste media tegen zich, maar slagen er toch in om in een aantal deelstaten zeer groot te worden. Er is kennelijk meer aan de hand.’

Het verbaasde me zeer in uw boek een lofzang op het oude Duitse ordoliberalisme aan te treffen. Dat is toch de leer die ons onafhankelijke centrale banken, een buitendemocratische Europese Unie en euro en een ongezonde fixatie op begrotingsevenwicht heeft gegeven?

‘Het is belangrijk om het Duitse ordoliberalisme niet te verwarren met het Anglo-Amerikaanse neoliberalisme. Het ordoliberalisme van Walter Eucken en Alexander Rüstow stond voor een markteconomie zonder de grote machtsconcentraties van multinationals die we nu hebben, een staat met tanden die strenge regels stelde aan het ziekelijke winststreven van vandaag de dag, en extreem hoge erfbelastingen om ervoor te zorgen dat iedere generatie nieuwe kansen had en er geen semi-feodale oligarchie ontstond, zoals nu wel het geval is. Dát ordoliberalisme is een belangrijke inspiratiebron voor mijn politiek. Met de Europese Unie heb ik daarentegen niet zoveel. Die staat voor deregulering, privatisering en ontmanteling van de verzorgingsstaat. Als puntje bij paaltje komt is progressieve politiek onverenigbaar met de bepalingen van de Europese verdragen. Daarom pleit ik in mijn boek voor een nieuwe Europese architectuur, gestoeld op vrijwillige samenwerking tussen soevereine Europese staten. De weg naar meer Europese integratie, daarentegen, leidt naar de overdracht van steeds meer nationale bevoegdheden aan de ongekozen functionarissen van de Europese Commissie, en is daarmee onverenigbaar met een betekenisvolle definitie van democratie en verzorgingsstaat.’

In uw boek worden veganisme en het tegengaan van klimaatverandering door elektrisch rijden gereduceerd tot elitaire levensstijlkwesties. Betekent dit dat u de noodzaak van duurzaamheid bagatelliseert of dat u andere klimaatpolitiek voorstaat dan de neoliberale, die vooral inzet op groene technologieën en individuele marktvraag?

‘Uiteraard is er een fundamentele wijziging van ons economisch systeem nodig, om het ecosysteem te beschermen en klimaatverandering te voorkomen. Ik ben geen klimaatontkenner. Dat bereiken we alleen niet door de kosten voor verwarming en diesel voor de gewone man duurder te maken en die voor elektriciteit voor de rijke elektrische rijder goedkoper te maken, maar juist door in te zetten op nieuwe, groene basistechnologieën voor iedereen. En door afscheid te nemen van de huidige wegwerpsamenleving en de hypergeglobaliseerde markteconomie. We moeten streven naar re-regionalisering van de handel, in plaats van door te denderen op de weg van nieuwe vrijhandelsverdragen en arbitragehoven, zoals nu gebeurt. In plaats van naar een innovatie-economie moeten we naar een reparatie- en onderhoudseconomie. En dus hebben we wetgeving nodig die ondernemingen verplicht een langere levensduur van hun producten te garanderen die makkelijk en goedkoop te repareren zijn.’

Hoe zijn tot dusver de reacties op uw boek? Het is een verfrissende maar ook agressieve aanval op het links-liberale identiteitsdenken. Ik vermoed dat de woke-elite net zo hard terugslaat.

‘Natuurlijk zijn er boze reacties. Leden van mijn eigen partij zijn zelfs een royementsprocedure tegen me begonnen. Maar dat valt in het niet bij de positieve respons van vele kiezers van Die Linke en spd-huize, en zelfs van kiezers die politiek dakloos zijn geworden, door de links-liberale koers die de meeste linkse politieke partijen zijn gaan varen. Die Selbstgerechten is niet van de bestsellerlijsten weg te slaan. En nog nooit heb ik op een boek (Wagenknecht heeft 23 titels op haar naam staan – ee) zoveel instemmende reacties ontvangen als op dit boek.’

Ziet u een rol weggelegd voor Die Linke in de coalitieonderhandelingen van dit najaar?

‘Eerst leken De Groenen de grote winnaar te gaan worden. Die dalen inmiddels in de peilingen, omdat de gebreken van de groene kanselierskandidaat (Annalena Baerbock – ee) overduidelijk zijn. Ze mist dossierkennis en is beschadigd door een plagiaataffaire. Momenteel lijken de sociaal-democraten van de spd hoge ogen te gaan gooien. Ik reken echter niet op een coalitie van De Groenen, spd en Die Linke. Simpelweg omdat Die Linke te laag in de peilingen staat en De Groenen en de spd op economisch vlak te ver uit elkaar liggen. Waarschijnlijker is een zwart-groene coalitie (bestaande uit de CDU en De Groenen – ee). En dat betekent dat de politiek van sociale versplintering doorgaat en de afkeer van politiek onder een groeiend deel van het electoraat alleen maar verder zal toenemen.’

Dat was afgelopen juli. Inmiddels is het nieuwsspoor van de royementsprocedure van Wagenknecht gestrand in de persmededeling van het partijbestuur dat de commissie in de aantijgingen geen grond heeft gezien voor het in gang zetten van een royement. In de aanloop naar de verkiezingen op zondag 26 september is het zaak de rijen gesloten te houden. En dus verschijnen Wagenknecht en haar eega Oskar Lafontaine op allerlei lokale campagnebijeenkomsten broederlijk met de andere kopstukken van de partij. In de laatste geconsolideerde peilingen staat Die Linke op zeven procent van de stemmen, 2,2 procentpunt minder dan vier jaar geleden.


Volgend jaar verschijnt bij Leesmagazijn een Nederlandse vertaling van Die Selbstgerechten