Interview met Agata Zwierzyñska

De zelfmoord van een inktvis

De Poolse Agata Zwierzyñska won de Prix de Rome met Listen® The Telephone Book, een boek met halve telefoongesprekken. Voor het project Hometel sliep ze zestig nachten in zestig verschillende hotels. Het zijn performances, die uitmonden in associatief vormgegeven boeken. In haar nieuwste werk gaat Zwierzyñska de strijd aan met haar depressie.

Agata Zwierzyñska (Polen, 1972) was ooit een succesvol tennisster: op haar dertiende stond ze derde op de Poolse jeugdtennisranglijst. Ze trainde vijf uur per dag. Toen vloog de kerncentrale in Tsjernobyl in brand. De ramp werd geheim gehouden en de tennistoernooien gingen gewoon door. Agata kreeg de ziekte van Hodgkin, en herstelde. Op haar twintigste ontmoette ze een Nederlander, werd verliefd, en volgde hem naar Amsterdam. Daar werd ze toegelaten op de Rietveld Academie.

Met Listen® The Telephone Book won ze in 1998 de Prix de Rome. Voor het boek verzamelde Zwierzyñska halve telefoongesprekken. Echt gevoerde telefoongesprekken – dat was de bedoeling. Hiervoor kocht ze een afluisterapparaatje bij een spionagewinkel en bevestigde dat in een telefooncel in Londen. Vervolgens postte ze op een straathoek met een koptelefoon waarmee ze de gesprekken kon afluisteren terwijl ze de telefooncel in de gaten hield. Tot haar spijt sprak de eerste beller Chinees. De volgende ook. Opeens hoorde ze niks meer. Er kwam een man naast haar staan. Hij stak een sigaret op. Ze hoorde zijn bewegingen akelig dichtbij, zó dichtbij dat hij vermoedelijk het afluisterapparaatje bij zich droeg. De volgende dag bleek het apparaatje inderdaad te zijn verdwenen. Zwierzyñska ontdekte de bewakingscamera op de hoek van de straat, gericht op de telefooncel. Haar afluisterpoging was schijnbaar ontdekt en verhinderd.

Vervolgens dook ze twee maanden onder in de archieven van het British Film Institute en verzamelde daar bekende en onbekende telefoongesprekken uit films en theaterstukken, die ze fotokopieerde. Verder zit het boek vol met seksadvertenties, pornografische plaatjes en een indrukwekkende serie portretten van pasgeboren baby’s. In het midden van het boek zijn kiekjes van Eva Braun en Hitler te vinden. Net als in de Gouden Gids staat alles naast elkaar – de lijkschouwer naast de wiegenfabriek.

Het boek puilt uit van de beelden. Die overvloed kenmerkt haar werk en manier van werken: Zwierzyñska – een meisjesachtige vrouw met opvallend lichte ogen – is een verzamelaar die alles nauwkeurig ordent. Niet alleen beelden, maar ook flarden tekst – een passage, een zin – worden vastgelegd en gearchiveerd. In een zwart schrift dat, eenmaal vol, op de indrukwekkende stapel identieke zwarte schriften belandt. Wanneer ze haar tanden in een project heeft gezet, weet ze van geen ophouden. ‘Dan werk ik met gemak weken achtereen twintig uur per dag’, vertelt Zwierzyñska in haar ruime hoekwoning annex werkruimte in de Amsterdamse Jordaan.

De aanleiding voor de keuze van een onderwerp ligt altijd in Zwierzyñska’s persoonlijke ervaring. Het boek Listen® The Telephone Book ontstond als gevolg van de miscommunicatie die ze ondervond als nieuwkomer in Nederland. Het _Hometel-_project, waarvoor ze voor een periode van zestig dagen elke nacht in een ander hotel verbleef, had te maken met haar fascinatie met identiteit: ‘Ik wilde experimenteren met een nieuwe vorm van bestaan – een soort trance zonder tijdsbesef – door anders te eten, anders te slapen, anders met mensen om te gaan.’

Haar laatste project is het gevolg van de depressie die ze doormaakte. Voor dit project, The Last Interview, patrouilleerde ze een maand langs de klif van Beachy Head, ’s werelds zelfmoordspot nummer 2 (nummer 1 is San Francisco’s Golden Gate Bridge). Tussen de twintig en dertig mensen per jaar maken daar een eind aan hun leven door van de tweehonderd meter hoge klif te springen. Het bezoeken van deze plek was voor Zwierzyñska een confrontatie met haar eigen depressie – al was ze toentertijd over het dieptepunt heen: ‘Het was zeker geen therapie. Maar ik heb die confrontatie nodig. Ik ben in de meest drukke springperiode gegaan, dat is rondom Pasen. Zo’n drie keer per week sprong er iemand. Het is heel erg eenzaam, mooi, maar eenzaam. Een ideale plek om te springen. Soms kwamen er mensen naar me toe om te vragen of ik hulp nodig had. Van iedereen die daar loopt vraag je je af of het wel goed gaat. Dat geeft die plek een extra lading.’

Onder aan de klif, op de smalle strook rotsachtig strand, zag ze iets liggen. Een damestas. Haar eerste impuls was om gewoon door te lopen. Maar ze bedacht zich: ‘Hier kwam ik voor. Ik moest dit meenemen.’ Terwijl ze verder liep vond ze spullen uit de tas: een leesbril, een make-upbox, een make-upkwast, een borstel en een leeg tic-tac-doosje. Ze realiseerde zich dat deze spullen waarschijnlijk van iemand waren die was gesprongen. Aanvankelijk was ze van plan de tas naar de politie te brengen: ‘Maar ik besloot de tas te bewaren als kunstobject. Dat heb ik heel bewust gedaan, wetende dat de consequentie zou kunnen zijn dat ik hiervoor opgepakt zou worden. Ik voelde heel sterk dat de kunstenaar in mij won. Ik wilde een project over zelfmoord maken en moest dat op de een of andere manier vormgeven. Dat was belangrijker dan élk persoonlijk motief. Ik voelde dat fysiek gebeuren, een prachtig moment, het was geslaagd. Het ging niet om de tas, maar om het hele proces eromheen. Dat is voor mij kunst.’

Een belangrijk onderdeel in dat proces is de manier waarop Zwierzyñska haar eigen verhaal verweven maakte met dat van de damestas – en dat van de eigenares van de tas. Ze las een afscheidsbrief voor die ze geschreven had tijdens de meest donkere dagen van haar depressie. Ze deed dat staande op de klif, en filmde zichzelf. De video verpakte ze in plastic zakken en legde die op de plek waar ze de tas gevonden had: ‘Dat was heel heftig. De eenzaamheid van die plek duwt je bijna over de rand. Het feit dat ik gewoon terug ben gekomen, heeft me sterker gemaakt.’

Zwierzyñska’s werk lijkt omgeven met bizarre voorvallen. Na het afluisterincident werd het boek Listen® The Telephone Book tijdens de tentoonstelling gestolen door een junk, die het aan een bevriende galeriehouder gaf in ruil voor geld. Iets later zag de galeriehouder Zwierzyñska op televisie vertellen dat haar boek gestolen was. De man belde, en gaf haar het boek terug.

Het is alsof haar kunst de werkelijkheid naar zijn hand zet en er geen grens is tussen het werk en de buitenwereld. Dat is soms toeval, soms opzet. Zwierzyñska: ‘Ik ben een performancekunstenaar, en zoek altijd de interactie met de werkelijkheid op. Alles in mijn werk heeft betrekking op wat ik ben. Het moet persoonlijk worden wil ik mijn boodschap overbrengen. Eigenlijk is elk project een vorm van zelfonderzoek. Als dat lukt, dan vind ik het al een geslaagd project. Ook als het er niet mooi uitziet.’

Dat wil niet zeggen dat haar werk niet mooi ís. De meeste projecten resulteren uiteindelijk in een boek. Een project in Calcutta, India, waarin ze Indiase vrouwen – zakenvrouwen, kunstenaressen, prostituees – foto’s van hun leven liet maken, is vormgegeven in een boek, The Calcutta Diaries. En net als bij het telefoonboek is het aangename van het doorbladeren ervan dat je steeds het gevoel krijgt dat je een ánder boek voor je hebt. Door de overvloed, de opeenstapeling van beeld op beeld en hier en daar een stroom tekst. Het voelt bovendien authentiek, het papier aan je vingertoppen, omdat elk blad met de hand is gekopieerd. Waarom ze voor een boekvorm kiest heeft vooral te maken met het verlangen om dat wat ze doet vast te leggen. Als in een fotoalbum. Maar óók om het juist kwijt te raken, zodat ze door kan met een nieuw project.

Dit keer maakt ze geen boek, maar een film. Hiervoor combineert ze The Last Interview met haar ervaringen tijdens haar project Drowning in Nightmares, waarvoor ze een aantal maanden in het kunstenaarsverblijf Het Vijfde Seizoen van de psychiatrische instelling Altrecht verbleef. Het contact met psychiatrische patiënten veranderde haar beeld van psychiatrische ziekten: ‘Iedereen heeft soms rare gedachten en gevoelens. Maar door mensen zo op te sluiten, zo met ze om te gaan, zoveel medicatie toe te dienen, wordt het er niet beter op.’

De film moet gaan over zelfmoord. Zwierzyñska wil het proces van een depressie verbeelden, laten zien hoe iemand ertoe kan komen er een einde aan te willen maken. Het is een pleidooi voor het normaliseren van zelfmoord – of in ieder geval het verlangen daarnaar: ‘Iemand kan een goede reden hebben om zich somber te voelen. Dan is het niet vreemd dat hij wanhopig is en er geen zin meer in heeft. Dat maakt diegene niet gek. Het zou juist raar zijn als hij zou staan te juichen.’

Kenmerkend voor Zwierzyñska is dat een project altijd anders wordt dan gepland. Dus in plaats van een gewone film, waarvoor ze zelfs al het scenario schreef en de actrice castte, wordt het een animatiefilm. Over een inktvis: ‘Ik las een verhaal over een inktvis die trucjes deed in het circus. Toen het circus verder trok, vergaten ze de inktvis. Die werd zo verdrietig dat hij zichzelf verwond heeft en is gestorven. Door het over een inktvis te laten gaan, neem ik een bepaalde afstand van het onderwerp. Zo kan ik mijn verhaal beter vertellen.’