De zelfmoord van verstokte communisten

IK MEENDE er in de afgelopen jaren wel een min of meer bevredigende verklaring voor gevonden te hebben: voor al die opgewonden mannen en vrouwen op het Rode Plein, in demonstratieve optocht bijeen, met rode vlaggen en rode anjers, met de portretten van Lenin en Stalin tegen de borst geklemd. Ik dacht hun woedende roep om het herstel van de oude Sovjet-orde wel te begrijpen. Boze, oude mensen die de nieuwe tijd niet aankunnen. Verstokte communisten. Gekrenkt in hun eer, hun waardigheid en hun idealen. Bang voor het verlies van privileges. Conservatieve, ondemocratische, foute mensen. Net zo fout als hun vormeloos gebreide mutsen, antimodieuze brilmonturen en nep-leren jasjes.

In de ban van de dood, een bundeling van de gesprekken die schrijfster Svetlana Aleksijevitsj de afgelopen jaren heeft gevoerd met Russische ‘zelfmoordenaars’ - dat wil zeggen: mensen die een poging daartoe hebben ondernomen - is zo'n boek dat je er weer eens op indringende wijze aan herinnert hoe oppervlakkig een dergelijk oordeel en 'begrip’ eigenlijk is. Want je mag je er dan van bewust zijn dat je als krantelezer en televisiekijker niet veel meer dan de buitenkant van gebeurtenissen te zien krijgt, het blijft een schok om te worden geconfronteerd met de mate waarin je onwetend bent, met de zelfgenoegzaamheid van je oordeel.
De verhalen van deze zelfmoordenaars maken veel duidelijk over de beweegredenen van die demonstranten op het Rode Plein. Deze mensen konden de grote veranderingen in het Rusland van na het zogeheten 'socialisme’ niet verdragen. De persoon die ze waren - dachten te zijn - was met de ineenstorting van de communistische orde ten onder gegaan. Ze hadden zichzelf overleefd, waren vreemden in hun eigen bestaan geworden. En vanwege die onmogelijke omstandigheid deden ze een poging tot zelfmoord. Sommigen van hen slaagden daarin; hun verhaal vernemen we van directe nabestaanden. Anderen werden gered en kijken terug op hun leven met de onbarmhartig scherpe blik van mensen die zichzelf niets meer wijs hoeven te maken omwille van hoop of geluk.
'ZE BELOOFDEN ons dat er na de oorlog gelukkige mensen zouden zijn’, zegt Marija Tichonovna Isajtsjik, die er getuige van was hoe haar buurman op een dag naar zijn augurkenveldje liep, zijn hoofd met aceton overgoot en er een lucifer bij hield. 'Mijn hele leven heb ik op het geluk gewacht, op een beter leven, als klein meisje heb ik gewacht, als jonge vrouw, als oud mens.’ De vrouw meent haar buurman dan ook wel te begrijpen. 'We hebben het leven verdaan met wachten. De man hield vol en hij hield vol, en hij hield het niet meer vol… Alsjeblieft! Ze hebben hem naar het kerkhof gebracht en wat bleef er over? Twee kamers in een barak, een bedje augurken, rode getuigschriften en een medaille “Overwinnaar in de socialistische wedijver”. Ik heb ook zo'n dingetje liggen.’
Ik weet niet wat meer indruk maakt in dit boek: het opmerkelijk scherpe observatievermogen van mensen die naar een wereld kijken die ze al vaarwel hadden gezegd of die vermoeide toon waarmee ze verslag doen van hun bevindingen, de toon van mensen die iets moeten uitleggen waarvan ze zelf allang hebben bedacht dat er niets uit te leggen valt. Vrolijk word je er in ieder geval niet van. Wie echter bereid is zich op de golven van deze treurigheid te laten meevoeren tot voorbij de gemeenplaatsen van zijn eigen begrip, kan veel leren.
Over de concrete gevoelswaarde van een begrip als 'vervreemding’ bijvoorbeeld, een begrip dat in sociologische analysen vaak zo achteloos wordt gebruikt. 'Ik herkende niets en niemand meer’, zegt een 52-jarige arts, die uitlegt hoe zij de veranderingen in het nieuwe Rusland had ervaren. Alles was vreemd geworden, het land, de stad, de mensen. Ze merkt op dat eigenlijk alleen de dieren, de vogels, hetzelfde waren gebleven. Die herkende ze nog. 'Zou dat de reden zijn waarom zoveel mensen jonge honden zijn gaan nemen?’ vraagt ze zich hardop af. 'Zou het daarom zijn dat de rijen bij de hondententoonstellingen langer zijn dan die voor het mausoleum of voor de musea?’
Of over de alledaagse beleving van 'anomie’, zo'n ander bekend cliche uit reportages over de wereld achter de gevallen muur. 'Ze hebben ons het kapitalisme ingesmeten. En het gaat niet eens om de ideologie. Ze hebben het schema kapot gemaakt waarmee ik wist hoe ik moest leven’, zegt een vrouw. 'Ik was gewend om bij de massa te horen, bij een lang geleden door iemand ingevoerde orde, bij een ritme. Dat is zo eenvoudig en comfortabel. Ik had nooit tijd om bij mezelf te denken: wat ben ik voor iemand, waar hou ik van, wat gebeurt er met me, wat gebeurt er met iedereen.’
Deze zelfmoordenaars weten duidelijk te maken hoe diep hun geloof in het communistische ideaal was, en hoe diep de schaamte die ze voelen als ze daar nu aan terugdenken. 'Mijn dagboek van school is bewaard gebleven, dat verberg ik voor iedereen, omdat het vandaag naief en dom is’, vertrouwt Margarita Pogrebitskaja de schrijfster toe. 'Met mijn liefde voor Stalin, met mijn ondraagbare verlangen om te sterven alleen om hem te zien. (…) Ik ben zelf bang het open te slaan. En ik ben bang om mijn favoriete boeken te lezen.’
DE VERHALEN maken invoelbaar hoe ondraaglijk het moet zijn wanneer jouw leven en lijden als een weeffout van de geschiedenis wordt benoemd: 'Ik las pas in een krant dat wij, mijn generatie, zijn weggevallen uit de geschiedenis, dat wij er als het ware niet geweest zijn. Een gat in de tijd. Maar wij waren er! Wij waren er! Wij waren er!’ En na die uitroep gaat de oude Nikolaj Koelazjenko zonder onderbreking, zonder zelfs maar een verbindingszin, over op een herinnering aan zijn vrouw, die in 1921, temidden van oorlog, epidemieen en honger, een trouwjurk had genaaid; een trouwjurk van verbandgaas. Wij waren er!
Maar de meest opmerkelijke eye-opener in deze verhalen is het klaarblijkelijke belang van het communistische geloof als een kader voor oorlogservaringen. Steeds opnieuw keren de gruwelen van de oorlog terug in de verhalen van deze mensen. 'Ik heb al gezegd dat in mijn leven niets zo'n indruk heeft gemaakt als de oorlog’, zegt een van hen. 'De oorlog is als het ware steeds de norm en de maat der dingen gebleven’, zegt een ander.
In hun verhalen over de oorlog laten deze mensen zien waarom zij zich zo krampachtig hebben vastgeklampt aan dat 'domme en naieve geloof’. Het begrip 'verstokte communist’ krijgt immers een heel andere betekenis wanneer je je realiseert hoezeer dat geloof hen in staat heeft gesteld zin en betekenis te verlenen aan ondraaglijke oorlogservaringen. Er was gedood en er was geleden, er waren grote offers gebracht, maar het was ergens goed voor geweest. De vijand was verslagen, het Rode Leger had gezegevierd. Het was verschrikkelijk maar het was goed.
'Als ik terugkijk, heb ik me in mijn leven alleen tijdens de oorlog goed gevoeld. Bloed, luizen, dood (…) Maar daar was alles begrijpelijk, allemaal hadden we een Vaderland en een vijand’, zegt een oud-frontsoldaat, en hij vervolgt: 'Laat ons in rust vertrekken, onze generatie, die een keer onder het socialisme heeft geleefd. Tijdens de oorlog…’
HOE WEZENLIJK dat simpele schema geweest moet zijn in de verwerking van oorlogservaringen, mag blijken uit het verhaal van de 87-jarige Vasili Petrovitsj. Deze revolutionair en strijder van het eerste uur had de mensen die hij had gedood altijd als vijanden mogen benoemen. Nu de starre sjablonen over de revolutie zijn opengebroken en begrippen als vriend en vijand, goed en kwaad ter discussie staan, is de man echter weerloos overgeleverd aan twijfel en gewetenswroeging. Hij wordt achtervolgd door het beeld van een jonge officier, die naakt en met een opengereten buik in het veld ligt. In de gapende wond hebben de revolutionairen de vergulde epauletten van zijn jas gepropt. 'Opeens stelde ik mezelf de vraag die ik me vroeger nooit stelde: waarom had ik geen medelijden met dat jochie met die opengereten maag, volgestouwd met vergulde epauletten? Nou, het was een Witte, nou, een bourgeoiszoontje… En toch was hij net zoals jij… een jochie…’
In de ban van de dood had makkelijk een soort apologie kunnen worden. De schrijfster heeft dat echter weten te vermijden. Ze laat de verhalen van deze zelfmoordenaars voor wat ze zijn. Ze tekent de verwarring. Ze stelt vast hoe onmogelijk de positie is van mensen die hun leven en lijden aan een 'zaak’ hebben gegeven waar de geschiedenis het oordeel 'fout’ over heeft uitgesproken. Aleksijevitsj praat niets goed, maar valt ook niet terug op het onuitgesproken triomfalisme dat nogal eens doorklinkt in de westerse berichtgeving over het voormalige Oostblok. Het is verder aan de lezer om de grens te trekken tussen 'begrijpen’ en 'begrip opbrengen voor’…